Log in

S11 + 12, Rio + 10: het einde van onze Latijn

redactioneel

Terwijl ik dit schrijf bevindt de wereld zich in een feestkramp en een herinneringscrisis. De top van Rio wordt overgedaan in Johannesburg en dit zonder al te veel enthousiasme. In New York maakt men zich op voor een vulkaan van tranen en woest patriottisme, want elf september - S11 in modieus schrijfgebruik - is een jaar oud. Men kan zo al raden hoe de viering er zal uitzien, en men zal me een zekere walging bij die gedachte wel vergeven. De feesten stellen immers niet veel voor en al wat er is zijn herinneringen aan mooiere tijden, toen de wereld nog volgens scenario’s uit spaghettiwesterns draaide. De tijd toen de skyline van Manhattan gedomineerd werd door die twee lelijke torens waarover men nu lyrisch doet, en de tijd dat de nationale staten nog enige wil en zin hadden om met elkaar te overleggen over iets nobels, iets dat anderen ten goede kwam.

Onze regering ligt overhoop over wapenleveringen aan Nepal, niet over de dreigende mislukking van de top van Johannesburg en niet over de absurde situatie in de wereld na S11. Die situatie laat zich beknopt samenvatten als de groei van een nieuwe tweepolige wereld, niet meer die van twee machtsblokken, maar een één-tegen-allen-wereld. De VS zijn het blijkbaar beu blok te vormen met wie dan ook. En de stapel niet-ondertekende internationale verdragen op de werktafel van Bush bereikt onrustwekkende hoogten. De hoeveelheid sympathie die zijn bewind nog had in grote delen van de wereld daalt navenant. Weinigen hechten nog geloof aan de veiligheidsmythe en de antiterreurhype die volgden op S11. Maar de war on terror is goed voor de commerce, zoveel is zeker.
De woordenstrijd is heftig en uitermate belachelijk. Nepal - een fijne democratie volgens Michel en Vandenbroucke - moet zich bewapenen om het hoofd te kunnen bieden aan vijfduizend Maoïstische guerilleros. FN levert één machinegeweer per guerillastrijder in dat land, en gegeven de kwaliteit van die Belgische tuigen is dit slecht nieuws voor die guerilleros. Dat is traditiegetrouw ook slecht nieuws voor de burgers in de regio’s waarin de guerilla opereert alsook voor opposanten van het regime in het algemeen - er blijken nu eenmaal slechts een beperkt aantal recepten te bestaan voor de strijd tegen een minuscule guerilla, en deze houden steeds nogal wat collateral damage in. Toch blijft Nepal een fijne democratie, en is er van burgeroorlog of mensenrechtenschendingen door het leger volstrekt geen sprake. Terreur wordt enkel door de guerilla beoefend, en deze fragiele democratie moet zichzelf hier tegen kunnen verdedigen. Dit belemmeren, dàt is immoreel. Het kader van de war on terror maakt alle mogelijke absurde gebruiksvormen van ‘terreur’, ‘mensenrechten’ en ‘democratie’ mogelijk. Mocht Mobutu nog geleefd hebben en aan het roer van zijn Zaïre gestaan hebben, zou hij slechts de terroristische aard van zijn tegenstanders hebben moeten inroepen om als democraat door te gaan en op de goodwill van het westen te mogen rekenen. De grootste schurken zijn nu verdedigers van de democratie geworden, omdat hun lokale tegenstanders nu plots als terroristen kunnen bestempeld worden.

Wat we meemaken sedert S11 is het toppunt van de Amerikaanse hegemonie na de Tweede Wereldoorlog. Terzelfder tijd is het het begin van de neergang van die hegemonie. Steeds meer zien we hoe de scheuren in het wereldsysteem duidelijk worden, hoe de kloof tussen arm en rijk verdiept, en steeds meer mensen blijken te snappen dat hieraan dringend iets moet gedaan worden. De manifeste onwil om hieraan iets te doen moet op termijn ergens, op de één of andere manier exploderen. Dit kan door een toename van datgene wat we terrorisme hebben leren noemen (maar wat in vele gevallen een politiek eerbare rebellie of revolte is), maar dit kan net zozeer door verkiezingen. Ik kom hierop verder nog even terug.
We zien nagenoeg overal hoe de elites zich terugplooien in wat men best als defensieve stellingen kan omschrijven (men vergeve me de revolutionaire nostalgie). Gated communities omgeven met elektronische bewakingsapparatuur zijn ook hier allang geen zeldzaamheid meer. Onze verkavelingen vallen in dezelfde categorie: men verlaat het terrein van de lagere klassen, de steden, en men gaat leven in opvallend uniforme, afgescheiden, omgevingen waarin iedereen iedereen kent, ziet en bewaakt. Ruimtelijke en sociale segregatie zijn in opmars, en ze zijn indicatief voor een reeks diepe problemen in onze samenlevingen. S11 leerde ons dat niemand zich in een bunker kan wanen, dat de geprivilegieerden ‘onveilig’ leven - lees, dat ze geen contacten kunnen blijven vermijden met de niet-geprivilegieerden. S11 leerde ons hoe krachtig de mechanismen van globalisatie wel zijn.
Veel van de reacties die we de laatste jaren hebben gezien op ontwikkelingen in de wereld zijn net de verkeerde. We hebben heel veel lokalisme gezien: het streven naar een versterking van de lokale omgeving, macht en structuur. Een streng asielbeleid om nieuwe migraties tegen te gaan, een voortdurend beklemtonen van lokale identiteiten, het verstrakken van het onderscheid tussen ‘eigen mensen’ en ‘vreemdelingen’, het aanvaarden - in eigen regio - van ‘Vlaanderen’ als een relevante politieke, economische en culturele eenheid. We hebben dat gezien in beleid (de ontwikkeling van een ‘Vlaams socialisme’ bijvoorbeeld, dat zich niet zelden streng wenst te onderscheiden van het ‘Waalse socialisme’), in wetenschap (het beoefenen van een sociologie die transnationale fenomenen zoals migratie bijvoorbeeld enkel als Vlaams of Belgisch probleem behandelt) en in de populaire cultuur (de verdere aanwas van allerhande ‘lokaliserende’ soaps en Vlaams-verankerde programma’s op alle zenders). Als reactie op een mondialiserende wereld hebben we de ogen strak op de eigen navel gericht. Die navel is best prettig om zien: we zijn een zeer rijk, welvarend en geprivilegieerd gebiedje, en niets is leuker dan te denken dat dit de norm is. Het gevolg van dit soort verbeelding is dat onze privileges steeds meer opvallen bij anderen, en dat wij in hun ogen steeds abnormaler worden. En net zoals wij een cultuur van agressie en verwerping organiseren omtrent hun afwijkende kenmerken en gedragingen - de radicale moslims, de fanatieke migranten, de dieven en maffiosi uit het Oostblok - moeten we niet versteld staan als er ook bij de anderen een vergelijkbare cultuur groeit.
Socialisme heeft alles te winnen bij een grondige en principiële erkenning van globalisatie als feit en als perspectief. Feit, in de zin dat heel veel socialisme onmogelijk enkel ‘Vlaams’ kan zijn en onmogelijk enkel tot een Vlaams bereik gereduceerd kan worden. Socialisme zou de ideologie moeten zijn die een politiek project ondersteunt in het tijdperk van globalisatie, en er dus van uitgaat dat een belangrijk deel van die veranderingen waarover men het vaak heeft, inhouden dat onze ‘samenleving’ talloze landen omspant. Perspectief, in de zin dat hierdoor ook heel veel huidige waarheden herzien moeten worden. Het is misschien niet makkelijk meer om sociale klassen te definiëren in Vlaanderen, maar het is absoluut niet moeilijk dit op wereldschaal te doen. Perspectief dus, in de zin dat men zich realiseert dat veel mensen voor een partij kunnen stemmen om anderen, niet meteen henzelf, een beter leven te bezorgen. Concreet: voor een partij die veel meer wakker ligt van de top van Johannesburg dan van de tribulaties in de Wetstraat.
Dit brengt me bij verkiezingen. Zou het niet goed zijn indien er in de aanloop naar de volgende verkiezingen tenminste een poging werd ondernomen om hierover grondig na te denken? Zou het niet goed zijn indien men tenminste zou proberen de bestaande termen, begrippen en argumenten niet alleen een grote onderhoudsbeurt te geven, maar te vervangen door nieuwe onderdelen? Wat we nodig hebben is traag, grondig en fundamenteel denkwerk, want met het huidige zijn we aan het einde van ons Latijn gekomen. S11 heeft ons dat nogal ruw doen inzien.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 7 (september), pagina 1 tot 2