Log in

'Anatomie en oorzaken van het wantrouwen'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 56 tot 57

Anatomie en oorzaken van het wantrouwen

Mark Elchardus en Wendy Smits
VUBPress, Brussel, 2002

Dit boek brengt een nieuwe analyse van de TOR-onderzoekers, vertrekkend van Europese waardeonderzoeken uit 1981, 1990 en 1999, verkiezingsonderzoek uit 1995, het TOR98-onderzoek en een reeks surveys van 1996 tot 2000 van de Vlaamse Administratie Planning en Statistiek.
Maar deze analyse is toch ook niet helemaal nieuw, want ze gebeurde op basis van het geciteerde bestaand materiaal. En ook het onderzoeksthema, maatschappelijk wantrouwen in Vlaanderen, werd al eerder door hen bestudeerd. Geen nieuw materiaal dus en ook geen nieuw onderzoeksthema, maar wel een onderzoek dat resulteert in een duidelijk referentiekader waarmee de gezondheidstoestand van onze democratie kan worden onderzocht.
Het onderzoek richt zich specifiek op vertrouwen in instellingen, waarmee niet alleen overheidsinstellingen zijn bedoeld. Ook het onderwijs, de wetenschap, de ziekenhuizen, … vallen daaronder. De Vlamingen blijken het meest vertrouwen te hebben in de wetenschap en het onderwijs, resp. 72 en 70 %. Het laagste vertrouwen genieten de politieke partijen, met slechts een goede 9 %. Zeer laag scoren ook het gerecht (16 %), de regering (16,3 %) en het parlement (16,8 %), instellingen die representeren dus. Eind jaren negentig is België daarmee het meest wantrouwige land van Europa geworden. De cruciale vraag is natuurlijk: vanwaar dat grote wantrouwen? De auteurs concluderen dat het maatschappelijk wantrouwen (het maatschappelijk wantrouwen slaat op het wantrouwen in instellingen en is te onderscheiden van het sociale wantrouwen, dat een algemeen wantrouwen in mensen is) vooral in de hand wordt gewerkt door onbehagen. Dat onbehagen uit zich in een negatief toekomstbeeld en in gevoelens van onveiligheid. Politiek belangrijk is dat het zich vertaalt in een antipolitieke, antidemocratische, autoritaire, etnocentrische opstelling. Mensen die zich onbehaaglijk voelen, bevinden zich dus rechts op de nieuwe breuklijn. Het onbehagen wordt vooral in de hand gewerkt door de populaire media, de vergrijzing en de zwakke positie van de laaggeschoolden in de kennismaatschappij en niet door de persoonlijke economische situatie. Die positie van laaggeschoolde mensen in de kennismaatschappij wordt door de auteurs als cruciaal aangemerkt in de vertrouwenscrisis. Informatie verwerven en gebruiken wordt steeds belangrijker: in werksituaties, maar ook in het dagelijks persoonlijk leven. Wie laaggeschoold is, komt hier steeds vaker in de problemen. De groei van de kennismaatschappij leidt zo tot steeds meer onbehagen en wantrouwen. Levensbeschouwelijk engagement en betrokkenheid bij het verenigingsleven gaan het wantrouwen tegen omdat zij de opvatting dat anderen belangrijk zijn voor persoonlijk geluk en welzijn, ondersteunen.
Vertrekkend van het gegeven dat de democratie maar in stand kan gehouden worden wanneer de bevolking daar ook achter staat, is de vraag naar de steun voor de democratie natuurlijk van een bijzonder groot belang. De auteurs behandelen drie democratische dimensies: de rechten die aan de burgers zijn toegekend, het vertegenwoordigingsprincipe en als derde het democratisch vermogen of de betrokkenheid, een vertaling van de term empowerment. De steun voor de democratische rechten is zeer groot, 97 à 98 % van de bevolking. Hier stelt zich dus geen enkel probleem. De steun voor het vertegenwoordigingsprincipe wordt echter wel op een problematische manier aangetast. Een derde van de mensen wil de politiek afschaffen en het land laten besturen door wijze mensen, experten. Een kwart wil het parlement afschaffen en vindt zelfs dat een politicus geen minister zou mogen worden. Eén op vijf denkt dat het in ons land veel beter zou gaan zonder politieke partijen. Die bevindingen sluiten helemaal aan bij de cijfers over het vertrouwen in instellingen. Vertegenwoordiging wordt verworpen ten voordele van gezag ontleend aan kennis, status en aanzien.
Om het democratisch vermogen na te gaan, werd gepeild naar de mate waarin men zich politiek machteloos voelt. Bijna driekwart van de mensen vindt dat er geen verband is tussen wat politici beloven en wat ze doen. En 72 % vindt dat de politici alleen in de stemmen van de mensen maar niet in hun mening geïnteresseerd zijn. De auteurs stellen dat er op basis van de bestaande gegevens niet eenduidig kan worden bepaald welke richting de mensen dan wel uit willen (willen ze b.v. meer directe democratie?), maar het is wel duidelijk tot wat dit leidt. De gevoelens van politieke machteloosheid en de kritiek op de vertegenwoordigende democratie zijn immers heel sterk aanwezig bij het electoraat van het Vlaams Blok. Die partij slaagt erin het ongenoegen te kanaliseren en politiek te valoriseren. De auteurs menen bovendien dat de kans groot is dat de scherpe kritiek die in de jaren negentig door groenen en liberalen op de democratie werd geuit, dit proces nog heeft bevorderd. Zij vatten het krachtig als volgt samen : ‘Wie hier antipolitiek of haat voor het establishment zaait, zal extreemrechts oogsten.’
Daarmee verlaten ze de wetenschappelijke analyse en begeven ze zich op het glibberige pad van de politieke commentaar. Dat doen ze ook wanneer ze een aantal denksporen uitzetten om het onveiligheidsgevoel tegen te gaan, de sombere toekomstverwachtingen van de mensen positief te beïnvloeden en - de belangrijkste en moeilijkste opdracht - het (enigszins) proberen dichten van de bijzonder grote sociale en culturele kloof die er bestaat tussen hoog- en laaggeschoolden. De overstap van de analyse naar de politieke realiteit, geeft het boek een extra dimensie en verheft het tot een must voor op zijn minst elke politieke beleidsverantwoordelijke. Maar tegelijk stellen de auteurs zich daarmee bloot aan kritiek en lopen ze het risico dat de wetenschappelijke bevindingen niet de hoofdmoot van de discussie zouden uitmaken. We mogen ons echter gelukkig prijzen dat wetenschappers hun maatschappelijke verantwoordelijkheid opnemen en die uitdaging aangaan.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 56 tot 57