Log in

'Globalisering en armoede. Over het nut van armoede in de nieuwe wereldorde'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 58

Globalisering en armoede. Over het nut van armoede in de nieuwe wereldorde

Francine Mestrum
Uitgeverij epo, Berchem, 2002

Boeken die het evidente in vraag durven stellen, zijn dikwijls de moeite waard. Ze dagen uit en confronteren ons met lang gekoesterde ‘waarheden’ waardoor we verplicht worden ons denken te bevragen. Globalisering en armoede van Francine Mestrum is zo’n boek. Het stelt immers vragen over de ‘armoedebestrijding’ zoals die door internationale instellingen de laatste jaren naar voren wordt geschoven. En zeg nu zelf wie kan er eigenlijk iets hebben tegen de bestrijding van de armoede? Het boek is het resultaat van jarenlang gedegen onderzoek in het kader van een doctoraal onderzoek in de sociale wetenschappen dat de auteur vorig jaar met succes beëindigde. Daarin onderzocht zij de opkomst en de evolutie van het begrip armoedebestrijding in het officieel taalgebruik van internationale instellingen, zoals het IMF (Internationaal Muntfonds), de WTO (Wereldhandelsorganisatie) en de OESO (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling). Deze instellingen maakten in de loop van de jaren negentig van armoedebestrijding hun prioriteit en plaatsten het thema hoog op de agenda.
Mestrum stelt zich vragen bij deze als evident beschouwde evolutie. Ze tracht te achterhalen wat die instellingen precies verstaan onder de term armoede. Dat is van belang omdat op die manier kan worden bepaald wat er eigenlijk wordt bestreden. Wat blijkt is dat er geen echte definitie wordt gehanteerd zodat de strijd ook een bijzonder onduidelijk schimmengevecht wordt. Verder plaatst zij het hele discours dat wordt ontwikkeld in een veel ruimer kader zodat we een zicht krijgen op het waarom van de verschuivingen. Volgens Francine Mestrum is de evolutie niet zo onschuldig en menslievend als ze op het eerste zicht lijkt. De strijd tegen de armoede blijkt volgens haar enkel een argument om de globalisering te bepleiten. Het is het sluitstuk van een neoliberale gedachtegang waarbij bijvoorbeeld niet de groeiende kloof tussen arm en rijk als problematisch wordt gezien. ‘Een wereld zonder armoede sluit echter niet uit dat de ongelijkheid toeneemt’ (p.11). Van ontwikkeling of dichting van de kloof is nergens meer sprake. ‘In feite wordt het hele ontwikkelingsproject onder de mat geveegd’ (p.183). In hun geschriften wordt het vroegere ontwikkelingsdenken als een totale mislukking voorgesteld. Mestrum spreekt dit tegen. Volgens de auteur blijft ontwikkeling, weliswaar met een vernieuwde inhoud, broodnodig.
In een ander hoofdstuk gaat Mestrum in op de klemtoon die gelegd wordt op de vervrouwelijking van armoede. Het idee dat armoede vrouwelijk is, kadert volgens haar eens te meer in een groter Westers discours waarbij er ‘goede en slechte armen’ bestaan. De vrouw wordt als ‘goede arme’ als voorbeeld naar voren geschoven en gebruikt om de onuitgesproken ‘slechte arme’ te stigmatiseren.
Mestrum plaatst het armoedebestrijdingsidee in een groter geheel. Volkomen terecht dient volgens haar armoede gezien te worden in samenhang met rijkdom. ‘Armoede en rijkdom gaan hand in hand’ (p.223). Dit uitgangspunt levert inderdaad uitdagende en verassende mogelijkheden op. Door nu eens niet de armoede te problematiseren maar integendeel de rijkdom als probleem te gaan zien en in de analyse te betrekken, te bestuderen en te bevragen wordt een noodzakelijk evenwicht bereikt. Als dat niet gebeurt, blijft volgens de auteur armoedebestrijding slechts een noodzakelijke legitimatie van de rijken. ‘De armen zijn een spiegel voor de rijken. Ze hebben hen nodig om te kunnen geven, om zo hun rijkdom te verantwoorden en hun maatschappelijk nut te bewijzen’ (p.223).

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 58