Log in

'Gullivers probleem. Essay over de toekomst van de politiek'

Uitgelezen

Gullivers probleem. Essay over de toekomst van de politiek

Luc Huyse
Van Halewyck & Forum 21, Leuven, 2002

Politieke schrijfsels in dit land lijken steeds korter te worden. Patrick Janssens’ boekje was nog geen honderd bladzijden lang, idem met het nieuwste van Verhofstadt, en het zelfgeschreven stuk in Vandenbrouckes Tien kleine Belgen was eveneens niet langer dan een opstel. Dit maakt een bepaald soort kritiek onmogelijk, want de auteur kan zich steeds verschuilen achter het argument dat zo’n kort boekje onmogelijk alle nodige nuances en argumenten kan uitdrukken.
Idealiter zou de bespreking van dit essay van Luc Huyse een nieuw essay moeten zijn dat de opmerkingen en standpunten van Huyse aanvult, demonstreert, amendeert of weerlegt. In de zestig pagina’s die de uitgever (nogal artificieel) heeft uitgemeten voor het essay bestrijkt Huyse een reusachtige ruimte die gaat van algemene ontwikkelingen op wereldschaal en doorheen de laatste decennia tot een soort morfologie van de hedendaagse politiek alsook prognoses voor het politieke landschap van de eerstkomende jaren en suggesties voor een publiek debat. Een krachttoer, ware het niet dat dit geheel onmogelijk met enige diepgang - en dus met overtuigingskracht - behandeld kan worden. De lezer raast in een uur of zo doorheen een collectie zinnige en degelijke opmerkingen die echter allemaal worden aangeboden als onzeker, hypothetisch en tentatief. Centraal in Huyses schets staat immers het motief van de onzekerheid en de onvoorspelbaarheid, en de hele beschrijving van de huidige toestand draait rond een contrast tussen een stabiel en gestructureerd ‘vroeger’ en een onstabiel, vluchtig en processueel ‘nu’. Dat is de kern van het probleem: de hedendaagse politiek moet besturen in een samenleving waarvoor men geen landkaart of kompas meer heeft. Ze beantwoordt niet meer aan de oude patronen, gedragingen en profielen, maar is versnipperd, vaak tegenstrijdig en onstandvastig.
Die stelling alleen al verdient bladzijdenlang commentaar. Er is naar mijn oordeel immers sprake van enerzijds een overschatting van de stabiliteit en duidelijkheid van ‘vroeger’ en een danige onderschatting van de stabiliteit en duidelijkheid van het ‘nu’. Beide zaken zijn terug te voeren op het feit dat Huyse de factor representatie en communicatie in de politiek overslaat. Hij observeert een reeks ontwikkelingen in de samenleving maar legt niet uit hoé die ontwikkelingen concreet verlopen zijn. Ik verklaar me nader. In de eerste helft van het boekje stelt Huyse zijn diagnose, en het hele kader is vergelijkend met ‘vroeger’. We komen er te weten dat, bijvoorbeeld, ‘individualisering’ een nieuwe factor is, en dat daardoor vroegere stabiele sociologische categorieën zoals ‘dé ouderen’ ‘geleidelijk hun inhoud en betekenis verliezen’ (p11). Huyse stelt dit voor als een sociologisch feit, nl. dat die categorieën geen referent meer hebben in de echte wereld. Maar hij gaat voorbij aan de functie van die begrippen. Dit zijn geen beschrijvende begrippen, maar vertegenwoordigende en dus institutionele en machtsorganiserende begrippen. Vanuit de functie van die begrippen mag men aannemen dat deze begrippen vroeger net zo beschrijvend (in)adequaat waren als nu. Die begrippen hebben geen inhoud en betekenis verloren, ze hebben legitimiteit verloren als representatiemiddel. Eenvoudig gezegd: men gelooft niet meer in die begrippen, ook al kunnen die begrippen de sociologische realiteit nog steeds afdoend beschrijven. De verschuiving is er één in representatie, niet in de feiten.
Wie representatie en communicatie overslaat abstraheert de kern van politiek: de ideeën, opvattingen en ideologieën die in het politieke veld (moeten) circuleren. Daardoor ontstaat dan weer een beeld van de bevolking/de samenleving als iets wat organisch groeit in z’n relatie tot politiek. We hebben dit boven al gezien in de context van individualisme. We zien het ook verder in het essay in de bespreking van de zogeheten ‘nieuwe breuklijnen’ (p.35-42). Huyse geeft een degelijke kritiek op het breuklijnenconcept zoals dat door Elchardus en medewerkers is ontwikkeld. Terzelfder tijd blijven we zitten met dat mysterieuze en schijnbaar organische beeld van ‘vroeger was de samenleving zo, en nu zo’. Maar wat zijn die breuklijnen in de praktijk? Een reeks themata die mobiliseerbaarheid van de publieke opinie bieden, concrete onderwerpen waarrond men mensen kan warm maken. Aan de origine en de verspreiding van dit soort focussen van aandacht is niets organisch, evenmin als aan de processen waardoor bepaalde themata centraal komen te staan en andere niet. Wie rekening houdt met representatie en communicatie als factoren in de politiek beseft dat men geen enkele ernstige analyse kan maken van breuklijnen zonder dat men de volle aandacht schenkt aan onderschatte maar fenomenale revoluties inzake massacommunicatie en mediatechniek, die als bij mirakel gelijk lopen in de tijd met de zogeheten afbouw van de oude (klassen)breuklijnen.
Wie dit in rekening brengt bij de vergelijking van vroeger en nu zal ontdekken dat het heden duidelijker, meer gestructureerd en minder onvoorspelbaar is dan men aanneemt. Het zogeheten individualisme is bijvoorbeeld volstrekt voorspelbaar als uitkomst van consumerism - een fenomenale golf van voorstellingen van producten, gedragingen en identiteiten die mede door de ontwikkelingen in de massacommunicatie in het laatste decennium een ongekende groei en bloei heeft gekend en z’n effect op de verbeeldingen en voorstellingen van mensen niet heeft gemist. De representaties van deze wereld zijn veel complexer, dubbelzinniger en tegenstrijdiger, maar dat wil niet zeggen dat de wereld zelf volstrekt onduidelijk is. Dat is de achilleshiel in Huyses betoog. Hij schetst accuraat een hele reeks veranderingen maar vergeet één van de meest cruciale. Het gevolg is dat de media slechts zijdelings in zijn analyse opduiken. We lezen in een opsomming van de grote vernieuwingen: ‘nieuwe groepen, zoals de audiovisuele media en hun bemanning, breken de politiek binnen’ (p.14). Neen, die audiovisuele media komen na de afbouw van de staatsomroep en de industrialisering van die sector in een geheel andere relatie te staan met de politiek. De nauwe symbiose tussen media - in de ruimste zin - en politiek wordt zeer aarzelend en voorzichtig beschreven. Maar zonder die symbiose hadden we geen Pim Fortuyn, geen Anciaux en evenmin onze sp.a-Teletubbies.
De relatie is dus veel dieper dan men wel vermoedt, en ze is altijd complexer geweest dan men graag aanneemt. Wanneer men zegt dat de kranten van eertijds volkomen verzuild waren en dat de partijbonzen de kranten zagen ‘als een megafoon voor wat zij en de partijbureaus dachten’ (p.24) reduceert men die kranten alweer tot één enkele functie. Men moet er rekening mee houden dat er destijds in de Volksgazet ook sport, cultuur en regionaal nieuws verschenen. De impact van de partijbureaus verschilde dus, zo mag men aannemen, van pagina tot pagina, en de lezer van die krant zal zich allicht niet veel om Van Eyndes bevlogen standpunten bekommerd hebben bij het lezen van de wielerverslagen. De functies van de media zijn meervoudig, zo ook hun (potentiële) impact.
Even overtrokken is de uitspraak: ‘de media zijn politiek actief, maar die bedrijvigheid wordt niet gestuurd vanuit één of andere superredactie’ (p33). Uiteraard niet, maar de afwezigheid van één centrum betekent niet de afwezigheid van controle, macht of sturing. Foucault heeft ons geleerd dat precies diffuse macht de meest efficiënte centrale macht is. Al die media worden gestuurd door de markt. Die sturing is buitengewoon effectief, al heeft de markt geen centrum. Men mag zich niet laten lokken door de suggestie dat de afwezigheid van totalitaire macht meteen absolute vrijheid zou betekenen - een suggestie die aan de basis ligt van de ideologie van de vrije media. Staatsomroepen (of verzuilde kranten) waren binnen die ideologie zogezegd objecten van totalitaire macht, private mediaconcerns zijn volstrekt vrije agenten - meer nog, bevrijdende agenten. De wereld van communicatie is helaas iets ingewikkelder.
Ik kan zo nog een tijdje voortgaan en zou daarmee Huyse onrecht aandoen. Zoals ik bij de aanvang schreef: het spreekt voor zich dat ongeveer elke zin uit het boekje stof tot stevig debat is, feiten bij de hand. In dat debat zou ik eerder dan op het wat, de klemtoon gelegd willen zien op het hoe van al deze ontwikkelingen. Wie zoekt naar remedies is immers meer gebaat met een beschrijving van de concrete mechanismen van processen dan met een overzicht van het eindproduct ervan. Dit zou moeten gebeuren natuurlijk, al blijf ik betreuren dat dit niet gebeurd is in dit boek, dat wat mij betreft tweehonderd pagina’s langer had mogen zijn.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 54 tot 55