Log in

'Het gevecht om de taart, over politieke herverkaveling in België'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 52 tot 53

Het gevecht om de taart, over politieke herverkaveling in België

Noël Slangen
Uitgeverij Houtekiet, Antwerpen, 2002

Politieke herverkaveling is doorgaans een codewoord waarmee een partij aangeeft dat ze wil groeien door een andere geheel of gedeeltelijk op te slorpen. Een ambitie waar in Vlaanderen geen enkele andere partij wil in meespelen zolang ze voor zichzelf nog groei- of overlevingskansen ziet. Het bijzondere aan het boek van Noël Slangen is eigenlijk dat hij even alle partijen van het bord veegt, en een nieuw landschap uittekent op basis van de ‘vraag’. Hij gaat na wat de bevolking denkt over een aantal tegenstellingen, en distilleert daaruit een aantal partijen die zich op die assen positioneren. Pas nadien past hij de huidige partijen min of meer in die gietvorm in.
Slangen definieert 5 tegenstellingen : de economische (belang van werknemers of van ondernemers primeert); de sociale bescherming (sociaal vangnet of ieder zorgt voor zichzelf), een ethische tegenstelling (libertair versus fundamentalistisch), de autoriteitstegenstelling (harde of zachte aanpak van criminaliteit) en een over de rol van de overheid. Vervolgens hergroepeert hij deze posities om tot een vijftal partijen te komen die uiteindelijk het hele veld bestrijken. De kroon wordt hierbij gespannen door een brede centrumpartij die volgens hem op zowat 32% van de kiezers zou kunnen rekenen. Daarnaast komen 2 partijen links en rechts van het centrum die elk 24% mogen ambiëren. De rest gaat naar een aantal themapartijen die de extreme posities op de assen mogen innemen. Het mag dan wel bijzonder realistisch zijn, maar of er een partij is die voor zichzelf genoegen neemt met een tweede viool en een potentieel van 24% is nog maar de vraag.
Noël Slangen komt ook tot de conclusie dat er ruimte is voor een linkse rebelse partij. Wat niet in het minst het gevolg is van het feit dat de sp.a zelf helemaal niet rebels meer is. Maar die ‘ruimte’ is bij Slangen eerder het gevolg van een psychologische behoefte bij een deel van de bevolking. Hij denkt niet dat dit een partij zou zijn die de missie heeft een bepaald programma te realiseren. ‘In alle politieke systemen en in alle landen is er wel een deel van de bevolking die zich tegen de heersende klasse wil afzetten’ schrijft hij.1 Het hele boek is overigens opgehangen aan een partijlandschap dat tegemoet komt aan de verschillende smaken die het Vlaamse publiek zou hebben, zonder dat er ergens voor één van die nieuwe of vernieuwde partijen wordt verduidelijkt wat die als doelstelling zou moeten hebben. De kiezer en de huidige partijen worden wel afgezet tegenover hun waargenomen positie op verschillende assen, maar de vraag wordt zelfs niet gesteld of die partijen ook handelen volgens die positie. De kiezer wil volgens Slangen een partij die zich profileert op grond van die tegenstellingen, maar verder lijken die tegenstellingen niet te reiken. Hij schrijft immers zelf dat de partijen vandaag ideologisch dicht bij elkaar liggen, omdat er met de algemene toename van de welvaart een massale beweging van burger en politiek naar het centrum geweest is. De partij van de toekomst zal dus moeten balanceren tussen die ideologische profilering enerzijds, en de afstraffing die men riskeert als men als te radicaal overkomt. En zelfs vandaag springen partijen al eens vreemd om met de op basis van hun profiel verwachtte politieke stellingname.
Je zou het bijna karikaturale voorbeeld kunnen aanhalen van de start van DAT als opvolger van Sabena. De sp.a verzette zich daar onder impuls van Steve Stevaert tégen een overheidsinbreng, terwijl de VLD fanatiek voorstander was. Maar je zou ook het door Agalev sterk gesteunde Persoonlijk Assistentie Budget kunnen noemen waar de gehandicapte een cheque krijgt om zélf zijn diensten in te kopen. Toch wel zéér vergelijkbaar met de onderwijs- en gezondheidscheques waarmee de liberalen in het begin van de jaren tachtig de overheid en de zuilen probeerden te ‘ontvetten’. Partijen worden bij Slangen op de duur nog louter kiesverenigingen. Ook hier houden we enkel de naam over. Wat hebben de partijen in 2001 nog gemeen met de organisatie die hun founding fathers oprichtten? Niet meer de naam, zeker niet meer het programma of de ideologie, zelden nog de doelstellingen. Opnieuw trekt Slangen met verregaand cynisme de huidige tendens door : ‘Zoals in een gebouw met een bepaalde naam eerst een hotel zit en tien jaar later een kledingzaak: het gebouw draagt nog steeds dezelfde naam, maar de inhoud (ideologie) en de bewoners (kiezers) zijn fundamenteel veranderd. Wat niet uitsluit dat het over dezelfde uitbaters (politici) gaat.2 Je zal maar naar de stad trekken in de hoop in je favoriete hotel te kunnen slapen, terwijl ze je enkel nog een nieuwe pyjama kunnen verkopen…’
Het is uit het boek overigens duidelijk dat Slangen eigenlijk een soort virtuele partij voor ogen heeft, zonder zware structuren en logge besluitvorming. Een partij is in hoofdzaak een positie op de politieke markt, niet een organisatie met ideologie en leden. Die virtuele partij moet zeer vlot kunnen inspelen op de voorkeuren van het kiezerskorps, of minstens van dat segment waar de partij zich toe richt. Noël Slangen geeft overigens een belangrijke reden om de militanten maar zachtjes op zij te zetten: ‘Belangrijk is hierbij (bij het afstemmen van de partijstandpunten op die van de kiezers g.m.) er niet vanuit te gaan dat de mening van de gemiddelde militant ook de mening is van de doorsnee kiezer. …/… Even abstractie maken van de hete adem van de militant, met alle respect voor zijn inzet en rechten, maar denken vanuit de flexibele kiezer.’ Of enkele bladzijden verder: ‘Want kiezers zijn door de band genomen een stuk minder extreem dan de militanten. Militanten zijn inspiratie en brandstof, maar de politicus mag niet vergeten te blijven leiden.’ Je zou er een pleidooi kunnen in lezen om toch maar méér te werken op basis van de informatie van polls en spin doctors over de doorsnee kiezer. Maar Slangen heeft inderdaad ook gemerkt dat veel politici de militanten die aan een ouderwets klinkend thema vastgeklonken zijn, liever kwijt dan rijk zijn in hun standpuntbepaling. Impliciet kan je uit het citaat ook afleiden dat de politicus van de toekomst nog zelden uit de militanten van een partij zal gerekruteerd worden. Omdat die niet de soepelheid van geest hebben om vlot met de oude standpunten te jongleren in functie van de interesses van de doorsnee kiezer. Al weten we ondertussen dat je moet opletten met splinternieuwe kopstukken die het eerste woord van het partijprogramma niet kennen.
Wanneer reclamemensen zich in de wereld van de politiek wagen, moeten ze doorgaans alle moeite van de wereld doen om te verduidelijken dat ze écht niet van plan zijn om een partij of ideologie te gaan verkopen op dezelfde manier als een potje confituur. Nu geef ik graag iedereen het voordeel van de twijfel, maar in zijn boek over de politieke herverkaveling illustreert oppermarketeer Noël Slangen eigenlijk treffend dat de inhoud van een politiek programma ondergeschikt is aan de mogelijkheid om vlot te verkopen.
Het bangelijke is dat Slangen’s analyse en voorstellen misschien niet wenselijk zijn, maar wellicht de te verwachten evolutie goed weergeven. Hij trekt eigenlijk vooral een aantal bestaande tendensen radicaal door. Het helpt in ieder geval te begrijpen wat Jean-Luc Dehaene bedoelt met zijn uitspraak ‘als ’t zo doorgaat, hebben we binnenkort geen politieke partijen meer, maar alleen nog individuen die dingen naar de steun van de kiezer en eigenlijk geen reden meer hebben om zich in een partij te groeperen.’3

Noten
1/ Noël Slangen, Het gevecht om de taart, over politieke herverkaveling in België, Houtekiet, 2002, blz 145
2/ Noël Slangen, op.cit., blz. 166
3/ 'Humo sprak met Jean-Luc Dehaene’, Humo, 3 september 2002, nr. 37

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 8 (oktober), pagina 52 tot 53