Abonneer Log in

Levenslang leren: een koekoeksei in het syndicaal nest

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 9 (november), pagina 42 tot 46

Het lijkt erop dat rond het ‘levenslang leren’ de grootst mogelijke consensus in Europa bestaat. Voor de Europese Commissie is het een ‘topprioriteit’, overheden lanceren ‘leerweken’, in vakbonden wordt het een congresthema. Zoveel eensgezindheid is op zijn minst merkwaardig en reden genoeg voor enkele kritische vragen. Maar laat ons eerst samenvatten waar ‘levenslang leren’ voor staat.

Het thema duikt op vanaf de jaren negentig. In 1996 publiceert de OESO een document Levenslang leren voor iedereen, waarin opleiding als een cruciale kwestie beschouwd wordt voor de competitiviteit in een gemondialiseerde economie; 1996 is ook het Europees Jaar voor onderwijs en scholing tijdens het gehele leven. In maart 2000 oordeelt de Europese Raad van Lissabon dat Europa ‘ontegensprekelijk het kennistijdperk is binnengetreden’ en dat ‘de ontwikkeling in de richting van levenslang leren de succesvolle overgang naar een kenniseconomie en kennismaatschappij moet vergezellen.’ De Europese Commissie stelt daarom een Memorandum over levenslang leren op dat het voorwerp zou moeten worden van een breed maatschappelijk debat. In Vlaanderen gebeurt dit rond het Conbel-rapport, een universitaire studie in opdracht van minister Vanderpoorten. Ondertussen formuleren ook de sociale partners hun reacties: de grote bedrijven via de patroonsfederatie UNICE, de kmo’s, en de vakbonden via het Europees Vakverbond (EVV).

Het Memorandum over levenslang leren heeft zes ‘kernboodschappen’:
1) Nieuwe basisvaardigheden voor iedereen. Men denkt daarbij aan informatietechnologie (IT), talenkennis, ‘technologische cultuur’, ondernemerschap, sociale vaardigheden, traditionele basisvaardigheden als lezen, schrijven en rekenen.
2) Meer investeren in menselijke hulpbronnen. Op bedrijfsvlak worden enkele denkpistes geopend. Waarom investeringen in human resources niet beschouwen (en taxeren) als kapitaalsinvesteringen? Waarom de onproductieve tijd van werknemers tijdens ouderschapsverlof niet beter benutten door ze ‘mogelijkheden te bieden om tijdens dat verlof deel te nemen aan cursussen om hun vaardigheden te actualiseren’? Op het individuele vlak moeten ‘aanmoedigingsmaatregelen beter worden ontwikkeld’, in die mate zelfs dat ‘mensen ertoe aangezet worden bij te dragen in de kosten van hun eigen leeractiviteiten.’
3) Innovatie in onderwijs- en leermethodes. Naast een algemene en eerder vage oproep naar meer onderzoek terzake (b.v. om ‘gelijke kansen te creëren voor mannen en vrouwen’, ‘actief burgerschap bij de mensen van de derde leeftijd te bevorderen’) zijn er echter wel twee zekerheden voor de Europese onderwijshervormers.‘Op ICT [informatie- en communicatietechnologie] gebaseerde leertechnologieën bieden veel mogelijkheden voor innoverende onderwijs- en leermethodes’ en ‘wie van onderwijzen zijn beroep maakt, mag tijdens de volgende decennia grondige veranderingen verwachten: leerkrachten en opleiders worden gids, mentor en bemiddelaar. Hun rol is van cruciaal belang en bestaat erin cursisten die zoveel mogelijk zelf hun leeractiviteiten bepalen, te helpen en te ondersteunen.’
4) Leeractiviteiten naar waarde schatten. Bedoeld wordt dat elke opleiding, elk leerproces, elke competentie, formeel of informeel verworven, in principe kan gestaafd worden met een ‘certificaat’, dat doorheen de hele Europese Unie erkend wordt. Immers, in een open Europese arbeidsmarkt moeten werkgevers ondubbelzinnig en efficiënt de kwalificaties kunnen inschatten. Zo b.v. de invoering van een Europees ‘computer-rijbewijs’ (ECDL), maar ook de verantwoordelijkheid als scoutsleider kan relevant zijn voor een managerscarrière, en zou dus een certificaat kunnen opleveren.
5) Begeleiding en advies herdenken. Hier overtreft de Commissie zichzelf als visionaire people manager, want ze weet hoe de Europese burgers te helpen bij het ‘plannen en uitvoeren van een levensproject als een continu proces waarin betaald werk, hoe belangrijk ook, slechts een onderdeel is.’ Kort samengevat: een beroepscarrière zal steeds meer een aaneenschakeling worden van diverse ‘projecten’, onderbroken door ‘rustmomenten’ waarin de volgende ‘opdracht’ in de wacht moet worden gesleept. Zelfs voor de gemotiveerde arbeidskracht kan dit evenwel teveel gevraagd zijn, en daarom moet ‘een permanent toegankelijke dienstverlening voor iedereen’ worden opgezet, bestaande uit ‘begeleidingsmakelaars’. Een letterlijk citaat uit het Memorandum: ‘Het is de taak van de begeleider de persoon in kwestie op zijn unieke levensweg te vergezellen door hem te motiveren, relevante informatie te verstrekken en het nemen van beslissingen te vergemakkelijken.’ Vanzelfsprekend zullen deze dubbel-ik’s geleverd worden door ‘marktgeoriënteerde diensten’, maar ‘het blijft niettemin de verantwoordelijkheid van de overheid om minimale kwaliteitsnormen vast te stellen en om te bepalen wie waar recht op heeft.’
6) Leeractiviteiten dichter bij huis brengen. Vanzelfsprekend biedt ICT ook hier de oplossing, waardoor ‘leercentra’ zowat overal kunnen opduiken:‘niet alleen in scholen, maar ook in gemeentecentra, winkelcentra, bibliotheken en musea, gebedshuizen, parken en pleinen, trein- en busstations, gezondheids- en vrijetijdscentra en kantines op het werk.’
Met deze samenvatting doen we eigenlijk nog onrecht aan de meer bevlogen stijl en de herculische ambities van het Memorandum, dat de Europese burger wil loodsen doorheen een fase van revolutionaire veranderingen ‘vergelijkbaar met die van de Industriële Revolutie’, en op het sociale vlak een tijdperk van harmonie aankondigt, gebouwd op ‘partnerships’ tussen overheden, ondernemingen, vakbonden en de civiele maatschappij, met het project van het levenslang leren als universeel bindmiddel.
Maar is het niet beter om naar de grond van de zaak te peilen, eerder dan ons vrolijk te maken over de stijl en de verpakking? Want als het EVV er voorstander van is, zullen daar toch wel grondige redenen voor zijn. Is het inderdaad niet logisch dat nieuwe educatieve initiatieven nodig zijn in dit begin van de eenentwintigste eeuw, bij deze geboorte van de kennismaatschappij? Is sociale uitsluiting bestrijden niet in de eerste plaats werkloosheid bestrijden? Bestaat de harde kern van de werkloosheid niet uit minder geschoolden? Als je vorming en opleiding verbetert, zal dan niet alleen de werkloosheid teruggedrongen worden, maar ook de ‘duale samenleving’, de uitsluiting, de jeugddelinquentie. Kunnen we niet met het EVV zeggen: ‘wat de Europese Commissie ook moge bezield hebben, we nemen haar op haar woord, we eisen het recht op levenslang leren op in de kennismaatschappij?’ Laat ons voor alle zekerheid toch nog vlug de reacties van de protagonisten overlopen.
Om met UNICE te beginnen: de Europese patroonsfederatie onderschrijft globaal de Commissievoorstellen. Het omgekeerde zou opmerkelijk geweest zijn, want wat we nog niet vermeldden is dat het levenslang leren voor het eerst gelanceerd werd niet door de OESO, niet door de Europese Commissie, maar eind jaren 80 door een Europese patronale think tank op zeer hoog niveau, de Europese Ronde Tafel van Industriëlen (ERT). Als de Europese Commissie in mei 1994 een rapport uitbrengt (Europa en de planetaire informatiemaatschappij), zijn ongeveer alle auteurs captains of industry, waarvan er vijf tot de ERT behoren. Vandaar … Toch zet UNICE in haar reactie op het Memorandum enkele veelbetekenende puntjes op de i. Er kan geen sprake zijn van een recht op levenslang leren. Dat zou niet efficiënt zijn, zeggen de Europese patroons, en het zou tot vervelende juridische betwistingen kunnen leiden. Verder zien we natuurlijk een lofzang op de ICT, de rol van de commerciële sector als leverancier van educatieve diensten, de aansporing opdat geïnteresseerden aan de financiering van hun eigen vorming bijdragen en tenslotte een prachtige vondst: ‘Deeltijdse en interimarbeid zijn een middel om onnodige breuken in een carrière te vermijden en vormen dus een instrument voor informele vorming. Deze vormen van flexibele arbeid bevorderen moet bijgevolg in rekening gebracht worden in een strategie voor levenslange vorming en opleiding’ [!] Tot zover de voice of business in Europe.Wat zegt de stem van het grote werknemersfront, het Europees Vakverbond (en bijgevolg het ABVV, het ACV …)?

Het is natuurlijk meteen duidelijk dat het EVV andere bekommernissen heeft dan de patroonsorganisatie: volledige tewerkstelling versus concurrentievermogen, recht op vorming eerder dan een nieuwe niche van de diensteneconomie, meer nadruk op collectieve financiering dan op individuele. De tekst stelt ook uitdrukkelijk, en terecht, dat levenslang leren alléén niet in staat is werkloosheid, uitsluiting en armoede uit te bannen. Maar de belangrijkste vaststelling is het fundamenteel akkoord over de twee uitgangspunten. Primo: de noodzaak voor de (kandidaat-)werknemers zich aan te passen aan de veranderingen in de ‘economische realiteit’ (en niet omgekeerd), veranderingen die haastig worden toegeschreven aan anonieme processen zoals de mondialisering van de markten en de invoering van nieuwe technologieën. Het EVV schaart zich hierbij ongecomplexeerd achter de doelstellingen van de verhoging van de productiviteit en competitiviteit. Secundo: de ‘sociaal-historische’ analyse van een transitie naar een ‘kennismaatschappij’, met het levenslang leren als hoeksteen zowel voor de economische als individuele ontplooiing.
Eenmaal men zich in deze logica inschrijft, volgen er natuurlijk ook conclusies die enigszins bevreemden. Zo wordt aan syndicale verantwoordelijken de nieuwe taak toebemeten om de werknemers te motiveren voor het levenslang leren. Het EVV vindt ook dat het verschil tussen de belangen van de bedrijven en die van de werknemers wat vormingsnoden betreft steeds vager wordt. Men is het ook met UNICE eens om ‘investeringen in de human resources’ als kapitaalsinvesteringen te beschouwen, het geeft de Europese patroons zelfs een interessante tip om overuren op een ‘rekening’ in te schrijven waarop de werknemer kan beroep doen voor zijn vorming, en het bepleit een sterkere band tussen de wereld van het onderwijs en die van het bedrijf. Nog bedenkelijker wordt het bij de suggestie om werknemers meer te motiveren om hun competenties op te drijven ‘door een herdefinitie van de verloningssystemen’. Wat heeft men hier op het oog? Een procent loonsverhoging per 100 uren cursus, een bonus per certificaat? Men kan zich ook nog afvragen hoe een emancipatorische beweging die een vakbond toch is zonder commentaar kan lezen over een hoogtepunt uit de paternalistische literatuur, met name die over de begeleidingsmakelaar wiens taak het is de persoon in kwestie te vergezellen op zijn unieke levensweg door hem te motiveren, etc.
Tenslotte nog het heikele punt van de certificatie van competenties, het voorstel dat waarschijnlijk nog het vlugst tot tastbare resultaten zou kunnen leiden. Het EVV ziet er blijkbaar geen gevaren in. Er zijn inderdaad argumenten die, vanuit een werknemersstandpunt, pleiten voor formele erkenning van competenties in een brede zin. Het kan willekeur inperken, het kan nieuwe kansen bieden na de normale onderwijsfase, enz. Het is echter niet moeilijk er ook perverse effecten van te voorzien. Als een werkgever een bandwerker aanwerft en hij heeft de keuze tussen A die alleen zijn middelbare school voltooide, B die bovendien een certificaat ‘Engels’ heeft, en C die bovendien een computerrijbewijs heeft, dan zal de keuze vlug gemaakt zijn. Levenslang leren om minder geschoolden meer kansen te geven? Men moet eerder vrezen voor een verhevigde concurrentie op een nog sterker geïndividualiseerde arbeidsmarkt. Men zou dit als een spijtig maar onvermijdelijk neveneffect kunnen beschouwen, maar het is verontrustend dat dit in de Conbel-rapport van de professoren H. Baert (KUL) en D. Van Damme (RUG), uitgevoerd in opdracht van de Vlaamse regering, tot doelbewuste keuze wordt gepromoveerd:‘In de loonvorming, het werkgelegenheidsbeleid, maar ook andere domeinen van de ‘actieve welvaartsstaat’ moet onderwijs, opleiding en vorming een belangrijk criterium worden in de toegankelijkheid van sociale kansen.’ Dat alles geeft weinig hoop voor wie in het levenslang leren een win-winoperatie wil zien. De Franse socioloog Robert Castel (in Les métamorphoses de la question sociale, Fayard 1995) komt tot dezelfde conclusie: ‘Op die manier dreigt men het scholingsniveau van de werklozen te verhogen, eerder dan de werkloosheid zelf te verminderen.’ Wie kan het trouwens ontgaan dat hogere scholing van de (potentiële) arbeidskracht op zich geen enkele job oplevert (behalve misschien voor de ‘begeleidingsmakelaars’ …)? In plaats van zich achter de blauwdrukken van de Europese Commissie te scharen, zou de syndicale beweging zich beter enkele elementaire vragen stellen. Hoeveel jobs hebben de fusiegolven van de voorbije jaren gekost? Hoeveel jobs sneuvelden door de megalomane visioenen van de ‘nieuwe (kennis)economie’? Waren of zijn de werknemers van Enron, Worldcom, Alcatel, FCI … onvoldoende geschoold? Wat is de prijs in jobs van het beleid van de Europese Centrale Bank? Hoeveel jobs sneuvelden de voorbije jaren in Japan (een land waar ‘leren’ nochtans soms obsessionele vormen aanneemt) door de financiële crisis? Hoeveel zullen er in Europa nog sneuvelen door privatiseringen?
Tegenover deze trieste realiteit is een mythe als die van de ‘kennismaatschappij’ natuurlijk een meer sexy uitstalraam. Volgens die mythe zou de dominantie van de dienstensector leiden tot een soort ‘immateriële kennis-intensieve productie’, waarbij jobs steeds meer intelligentie, zelfstandigheid, creativiteit, kennis van geavanceerde technologie vereisen. Nog afgezien van de wenselijkheid daarvan kan men zich afvragen op welke evidentie deze prognose gesteund is (behalve de voorkeur van de bedrijven om tussen 50 eerder dan 5 sollicitanten te kunnen kiezen). Een studie van het Franse Bureau d’information et de prévision économique becijferde voor het jaar 2000 het aantal jobs dat qua kwalificatie minder vereist dan de bac op minstens 60%. We kunnen bovendien vaststellen dat net het ‘kennissegment’ van de economie een stroom precaire jobs voortbrengt: de operators in de call centers, de nachtelijke kuisploegen of de broodjesleveranciers in de high-techcentra, de chauffeurs die just in time de elektronische bestellingen leveren, de bewakers, enz.

Zijn onderwijs, vorming, scholing dan geen syndicale bekommernissen? Natuurlijk wel, maar dan in een breed maatschappelijk, cultureel en emancipatorisch kader, het tegengestelde dus van het kweken van efficiëntere human resources. Zodra men dit als doel vooropstelt, ziet men hoe ongeloofwaardig het zgn. partnership met de bedrijfswereld wel is. De andere partner is niet bereid om de arbeidsduur te verkorten, zodat er tijd zou zijn voor persoonlijke ontplooiing. Hij is argwanend voor wie educatief verlof neemt, en vernauwt steeds meer de voorwaarden tot de strikte bedrijfsnoden. Zelfs het openbaar onderwijs wil hij hervormd zien tot voorgeborchte van zijn onderneming.1 Hij neemt misschien wel eens de term ‘actief burgerschap’ in de mond, maar houdt niet van sociaal actieve werknemers. Bij ‘cultuur’ denkt hij aan het tegengestelde, nl. de ‘bedrijfscultuur’. En wat het partnership met de politieke overheden betreft: hoe geloofwaardig is hun discours over ‘investeren in mensen’ terwijl ze het initiatief steeds meer aan de privésector overlaten? Als er al ooit ‘leercentra’ komen bij ‘musea, gebedshuizen, parken en pleinen’, zullen ze alvast goed herkenbaar zijn aan de Microsoft-, IBM- of Alcatellogo’s.
Levenslang leren als de kortste weg naar het sociale Europa? We zien dit zelfbedrog eerder als een patronaal koekoeksei in het syndicaal nest. Mercantiele belangen verpakt als maatschappelijk project2 , het drukken van de loonkost voorgesteld als bekommernis voor individuele ontplooiing, het slijten van hard- en software onder het mom van educatieve vernieuwing en bovenal het afwentelen van de verantwoordelijkheid voor werkloosheid op het naakte individu. Het is de hoogste tijd dat de Europese syndicale beweging haar eigen projecten formuleert, voldoende ambitieus om de geesten in beweging te kunnen brengen, voldoende ‘utopisch’ om realistisch te zijn.

Noten
1. Dat sommige universiteitsrectors dergelijke evolutie toejuichen maakt duidelijk hoever de kooplui reeds de tempel binnengedrongen zijn …
2. Zie het opiniestuk in De Morgen (18 september 2002), De Grote Leerweek: brood en spelen, van Elke Vandeperre, Werkplaats voor theologie en maatschappij, een zeldzame dissonant boven het koor der consensus van het levenslang leren.

Bronnen
- Het Memorandum over levenslang leren - http://ec.europa.eu/education/lifelong-learning-policy/doc/policy/memo\_nl.pdf
- De reacties van de Europese sociale partners: http://europa.eu.int/comm/education/life/communication/social\_partners\_en.pdf (Engels) of http://europa.eu.int/comm/education/life/communication/social\_partners\_fr.pdf (Frans)
- Het Conbel-rapport, Vlaamse initiatieven etc. http://www.psy.kuleuven.ac.be/levenslangleren

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 9 (november), pagina 42 tot 46