Abonneer Log in

In memoriam John Rawls (1921-2002)

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 36 tot 38

John Rawls, die zondag 24 november jongstleden op 81-jarige leeftijd overleed, kan met recht als de belangrijkste politiek filosoof van de twintigste eeuw worden beschouwd. Zijn 600 bladzijden tellende hoofdwerk A Theory of Justice, zorgde in 1971 voor een ware aardverschuiving binnen de politieke filosofie. De daarin verwoorde theorie van sociale rechtvaardigheid is nog steeds in alle opzichten maatgevend. Veel filosofen en sociale wetenschappers, maar ook sommige politici - zoals minister Frank Vandenbroucke - zijn er diepgaand door beïnvloed.
Rawls werd in 1921 in Baltimore (Maryland) geboren als tweede zoon van een succesvolle en rijke advocaat. Tot zijn intellectuele voorbeelden behoorden de Duitse filosoof Immanuel Kant en de Amerikaanse president Abraham Lincoln. Vooral de strijd van de laatste tegen de afschaffing van de slavernij had een zeer grote invloed op Rawls’ denken. De zwarte slavernij was voor Rawls het ‘paradigma’ van maatschappelijke onrechtvaardigheid. Het was het voorbeeld bij uitstek van een maatschappelijk systeem waarin de fundamentele rechten van sommigen geschonden worden, omdat dit de meerderheid een groot voordeel of nut oplevert. Mede gedreven door zijn interesse in vraagstukken van sociale rechtvaardigheid, trok Rawls als achttienjarige naar Princeton, waar hij politieke filosofie volgde. Na zijn promotie aldaar was hij verbonden aan Oxford, Cornell en MIT. In 1962 werd hij tenslotte benoemd tot hoogleraar aan Harvard.
In de jaren voor het verschijnen van A Theory of Justice kon men de politieke filosofie nauwelijks nog een discipline noemen die een belangrijke invloed uitoefende op het publieke debat. Naast de obligate marxisten, waren de meeste politiek filosofen uit die tijd veeleer taalfilosofen die over politieke waarden en normen het liefst zwegen. De politieke filosofie werd in 1956 door Peter Laslett daarom op sterven na dood verklaard; een conclusie die later werd overgenomen door bekende theoretici als Strauss, Berlin, Dahl en Shklar. Met het verschijnen van Rawls’ magnum opus trad echter een revitalisering van de politieke filosofie in. De traditie van het politieke denken werd nieuw leven ingeblazen en kreeg weer een vaste plaats in het filosofische curriculum.
Centraal in A Theory of Justice staat Rawls’ poging om rechtvaardigheid los van alle particuliere en historische toevalligheden te definiëren. Daarmee verzet hij zich tegen de utilitaristische opvattingen die tot dan toe de Angelsaksische politieke filosofie hadden gedomineerd. Volgens het utilitarisme draait het rechtvaardigheidsvraagstuk primair rond de gevolgen die morele beginselen hebben voor de samenleving als geheel en is het niet van belang welke morele beperkingen we in acht willen nemen. Of iets rechtvaardig is of niet, hangt af van het grootste geluk voor het grootste aantal. Een dergelijke kwantificerende instelling is voor Rawls onacceptabel. Rechtvaardigheid richt zich niet op het algemene nut, maar veeleer op de inherente waardigheid die ieder lid van de samenleving als moreel persoon heeft. Deze fundamentele gelijkwaardigheid kan zelfs niet ten behoeve van het algemene welzijn van de gehele samenleving aan de kant gezet worden.
Om deze waardigheid te beschermen, is het noodzakelijk dat rechtvaardigheid op een minder subjectieve en toevallige grondslag steunt. Omdat mensen nu eenmaal sterk van elkaar verschillen in hun wensen en verlangens, en vaak tegenstrijdige opvattingen hebben over wat goed en nuttig is, kunnen we op basis van die wensen en verlangens het nooit eens worden over een absolute, voor iedereen geldige bepaling van wat rechtvaardig is. Dus, redeneerde Rawls, moeten we ons proberen in te beelden wat mensen rechtvaardig en fair zouden vinden zonder aan hun eigen wensen, verlangens en preferenties te denken. Dé manier om dit te garanderen, was volgens hem om de idee van het sociaal contract nieuw leven in te blazen. Om tot overeenstemming te komen over de morele beginselen die richtinggevend zijn voor de politieke basisinstellingen van een rechtvaardige samenleving, moeten we ons indenken dat we ons in een ‘oorspronkelijke positie’ bevinden. In deze positie moeten we een keuze maken voor rechtvaardigheidsprincipes zonder dat we weten welke specifieke sociale en economische positie we in de samenleving innemen. We weten als het ware niets over onze toevallige persoonlijke positie, dat wil zeggen over ons ras, geslacht, afkomst, vermogen, sociale status, talenten en gebreken. We bevinden ons volgens Rawls achter ‘een sluier van onwetendheid’. In een toestand van onwetendheid kunnen we immers geen gebruik maken van argumenten die beroep doen op onze particuliere omstandigheden en worden we verplicht om ons in de schoenen van de ander te plaatsen en met meer algemene - of zoals Kant zou zeggen: universaliseerbare - argumenten voor de dag te komen.
Wat voor principes van rechtvaardigheid vloeien nu uit dit gedachte-experiment voort? Aan welke voorwaarden moet een samenleving voldoen, wil ze rechtvaardig genoemd kunnen worden? In zijn twee beroemde rechtvaardigheidsprincipes legt Rawls vast dat een rechtvaardige maatschappij eerst en vooral de fundamentele rechten van elke burger moet garanderen en beschermen. Ten tweede moet de maatschappij zo zijn ingericht dat elke vorm van discriminatie uitgesloten is. Sociaaleconomische ongelijkheden mogen bestaan, maar er moet wel een eerlijke gelijkheid van kansen bestaan, wat betekent dat ambten en posities, die economische voordelen en sociale status opleveren, open zijn voor iedereen. Een derde voorwaarde, die samenhangt met het tweede principe, is het zogenaamde verschilprincipe dat stelt dat sociaaleconomische ongelijkheden enkel mogen bestaan indien zij in het grootste voordeel zijn van degene die onderaan de sociale ladder staan. Gelijkwaardigheid bereiken we niet door alle ongelijkheden die binnen de samenleving bestaan weg te nemen, maar alleen door die ongelijkheden weg te nemen die iemand daadwerkelijk benadelen.
Door de jaren heen bleef Rawls, in dialoog met zijn critici en bewonderaars, de eigen kerngedachten verder uitwerken en bijstellen. Dit resulteerde in 1993 in de publicatie van Political Liberalism waarin hij niet alleen verder werkte aan het bouwwerk dat hij in A Theory of Justice optrok, maar het ook op een wezenlijk punt veranderde. De kerngedachte van Political Liberalism vormt het pluralisme van religies en wereldbeschouwingen waardoor moderne democratische samenlevingen bijna onvermijdelijk worden gekenmerkt. Tegen deze achtergrond komt een nieuwe vraagstelling aan bod. Op welke manier kan een stabiele en rechtvaardige samenleving van vrije en gelijke burgers tot stand komen wanneer deze intern verdeeld is over kwesties van levensbeschouwelijke aard? Volgens Rawls kan een dergelijke samenleving alleen dan bestaan wanneer er een consensus bestaat over dezelfde liberale politieke waarden. Alle burgers moeten op basis van hun eigen religie of wereldbeschouwing met deze waarden kunnen instemmen. In tegenstelling tot A Theory of Justice benadrukt Rawls echter dat deze beginselen van politieke aard zijn en niet van morele of filosofische. Enkel rechtvaardigheidsbeginselen die geen beroep doen op onze diepere overtuigingen omtrent het goede leven kunnen tot politieke stabiliteit en sociale cohesie leiden.
Kenmerkend voor Political Liberalism is dat Rawls zijn rechtvaardigheidsbeginselen construeert vanuit de fundamentele morele ideeën die impliciet aanwezig zijn in de publieke politieke cultuur van een democratische samenleving. Hierdoor leek de draagkracht van zijn theorie echter beperkt te blijven tot de interne ordening van democratische samenlevingen. In zijn laatste hoofdwerk is Rawls dieper op deze kritiek ingegaan. Terwijl hij geplaagd werd door de gevolgen van eerdere beroertes probeerde hij in The Law of Peoples (1999) zijn politieke rechtvaardigheidsconceptie uit te breiden naar het internationale vlak. Voortbouwend op het gedachte-experiment van de oorspronkelijke positie probeerde Rawls aan te geven welke algemene morele principes maatgevend moeten zijn voor de gemeenschap van zowel liberale als niet-liberale volkeren. Naast een veroordeling van de nucleaire aanval op Hiroshima en Nagasaki bevat het boek een onderzoek naar de plicht tot onderlinge hulpverlening die liberale samenlevingen hebben ten opzichte van derdewereldlanden en een analyse van de morele legitimatie van humanitaire interventie in schurkenstaten.
Doorheen zijn geschriften heeft Rawls op indrukkende wijze een bouwwerk opgericht dat een grondslag vormt van de Europese sociaaldemocratie. Vrijheid en gelijkheid worden hierin krachtig verenigd. Maar daarnaast vormt het ook een heldere leidraad en haast onvermijdelijke uitdaging voor alle filosofen, politici en wetenschappers die zich over het rechtvaardigheidsprobleem buigen. We ontkomen er dan niet ook aan om de onlangs overleden Harvard-filosoof Robert Nozick gelijk te geven. Wie over rechtvaardigheid nadenkt zal dat of binnen Rawls’ theorie moeten doen of heel gedegen moeten aangeven waarom hij dit niet doet.

Van Rawls verschenen in het verleden: A Theory of Justice (1971), Political Liberalism (1993), Collected Papers (1999), The Law of Peoples, with ‘The Idea of Public Reason Revisited’ (1999), A Theory of Justice. A Revised Edition (1999), Lectures on the History of Moral Philosophy (2000), Justice as Fairness. A Restatement (2001).

Gert Verschraegen
Postdoctoraal onderzoeker verbonden aan het onderzoekscentrum EPS/INSTEAD (Luxemburg)
en het Departement Sociologie van de K.U.Leuven
Ronald Tinnevelt
Postdoctoraal onderzoeker FWO-Vlaanderen, Hoger Instituut van Wijsbegeerte van de K.U.Leuven

Noot
Van deze auteurs verscheen John Rawls. Een inleiding tot zijn werk bij Pelckmans/Klement, met onder meer bijdragen van Frank Vandenbroucke, Koen Raes, Marc Hooghe, Robert van der Veen, e.a..

in memoriam - filosofie - John Rawls

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 36 tot 38