Log in

'Perverse globalisering'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 42 tot 43

Perverse globalisering

Joseph Stiglitz
Het Spectrum, Utrecht, 2002

Met deze publicatie heeft Stiglitz wel een bijzonder grote knuppel in het hoenderhok gegooid. Stiglitz is als economist geen kleine jongen. Hij was voorzitter van Clintons Council of Economic Advisors en een tijdlang chief economist van de Wereldbank. Academisch telt hij ook mee: in 2001 ontving hij zelfs de Nobelprijs economie. Van dat soort mensen zijn we gewoon geraakt dat zij de voordelen van de globalisering in de verf zetten en het andersglobalisme afdoen als een spijtige kruising van edelmoedigheid en gebrek aan economisch inzicht. Stiglitz ontpopt zich daarentegen als een andersglobalist die zijn standpunt vooral economisch onderbouwt.
De globalisering, zegt Stiglitz, is onomkeerbaar en bovendien potentieel heilzaam. Alleen is het met het globaliseringsproces na de Tweede Wereldoorlog grondig fout gelopen. Hoofdverantwoordelijken daarvoor zijn het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en het Amerikaanse Ministerie van Financiën dat een beslissende invloed uitoefent op het beleid van het IMF. Het IMF werd opgericht vanuit het inzicht dat de vrijemarktwerking in veel gevallen niet tot de beste resultaten leidt. Zoals de staat op nationaal vlak moet tussenkomen om recessie en werkloosheid te bestrijden, zo had het IMF, bij ontstentenis van een wereldregering, landen in recessie financieel moeten bijstaan om sneller en met minder welvaartsverlies uit het dal te komen. Daar kwam echter weinig van in huis. De instelling die ontstaan was om marktfalingen te bestrijden ontaardde tot een bolwerk van blind geloof in de onfeilbaarheid van de markt. De financiële armslag van het IMF werd minder gebruikt om de economieën van de hulpbehoevende landen te stimuleren dan om hen een aantal ingrijpende en in ijltempo uit te voeren maatregelen van conservatief economisch beleid op te dringen. Het gaat vooreerst om het herstel van het begrotingsevenwicht door het snoeien in de overheidsuitgaven en om het terugdringen van de inflatie dankzij het duur maken van het krediet en het kunstmatig hoog houden van de wisselkoers. Naast dit stabilisatiebeleid, worden ook de liberalisering van het goederen- en kapitaalverkeer en de privatisering van de overheidsbedrijven op de agenda geplaatst. Dergelijke aanpak werd met een zeker succes toegepast in Latijns-Amerika, maar eindigde elders meestal in tranen. Stiglitz vergelijkt het economisch wedervaren van de landen die slaafs de IMF-remedies slikten (b.v. Kenia, Tsjechië, Thailand en Rusland) met de landen die meer hun eigen koers volgden (b.v. Oeganda, Polen, Maleisië en China) en stelt vast dat deze laatste niet alleen sneller groeiden maar dat de vruchten van de groei er ook meer gelijk verdeeld werden. De mislukkingen van de IMF-leerlingen waren overigens, steeds volgens Stiglitz, in grote mate vanuit de moderne economische theorie verklaarbaar. De grote werkloosheid en armoede die de zogenaamde schoktherapieën meebrachten, vernietigden ‘het sociaal kapitaal’ waarvan de cruciale rol in de ontwikkeling nu algemeen erkend wordt. Ook werden op zich wenselijke hervormingen vaak te snel of op het verkeerde moment doorgevoerd. Zo gebeurde met de privatisering in Rusland. Om de deadlines te halen werd niet te nauw toe gekeken op wie de overheidsbedrijven kocht, en op wat er verder mee gebeurde. Het waren vaak lieden met connecties in hoge plaatsen die tegen een prikje de bedrijven kochten, niet om ze verder uit te baten maar om ze te ontmantelen en op de verkoop van de afzonderlijke activa grote winsten te boeken. Kapitaalmarkten werden in Oost-Azië geliberaliseerd voor dat voorzorgen werden genomen tegen te bruuske in- en uitstromen van speculatieve kapitaalstromen. Stiglitz rijgt de voorbeelden van door het IMF begane beleidsvergissingen onvermoeibaar aan elkaar. En vraagt zich daarbij uiteindelijk af hoe zoveel goed betaalde dokters in economie zo dom konden zijn.
Hij stelt twee antwoorden voor. Ideologische verblinding is er één van. Het geloof in de markt heeft het stadium van dogma bereikt. Eenmaal dit geloof immuun geworden is voor de feiten, kan de instelling nauwelijks nog iets leren uit haar mislukkingen. Een ander spoor is dit van een meestal onbewuste dienstbaarheid tegenover de financiële en commerciële belangen van de rijke industrielanden. Dezelfde maatregelen die moeilijk te rijmen vallen met het nastreven van economische stabiliteit en welvaart op wereldvlak, worden een heel stuk verstaanbaarder vanuit het standpunt van de behartiging van deze belangen. Het vrij maken van de kapitaalmarkten van de landen in ontwikkeling en in transitie vergroot de actieradius en de winstmogelijkheden van beleggers en banken uit de rijke landen. Bovendien lijken de interventies van het IMF er meer op gericht de betaling van de buitenlandse schuldeisers veilig te stellen dan de welvaart van de bevolking van het debiteurland te vrijwaren. Bij financiële crisissen worden namelijk enorme bedragen besteed om de schuldenaars in staat te stellen hun verplichtingen na te komen. Dat geld komt uiteindelijk in de rijke landen terecht. Tegelijk wordt principieel geweigerd veel kleinere sommen te besteden aan voedselsubsidies en het beperken van de werkloosheid. Ook in het vrijmaken van de goederenmarkten zijn er scheeftrekkingen. Terwijl het IMF de toegang tot zijn financiering afhankelijk maakt van het vrijmaken van de import, blijven de rijke landen de landbouwexporten van de armere landen bemoeilijken en steunen zij de vorming van concurrentiebelemmerende kartels in de staal- en aluminiumsector.
Stiglitz geeft niet alleen kritiek maar stelt eveneens alternatieve oplossingen voor. Hier is hij een ‘anders’ andersglobalist want hij zoekt het economisch heil niet buiten de werking van de markteconomie. Alleen wil hij dat de spelregels evenwichtig worden toegepast en niet langer omgebogen worden om de bestaande economische machtsverhoudingen te bestendigen. Selectief protectionisme tegen ontwikkelingslanden is een dwaasheid en een onrecht. Het patentrecht moet ook de rechten van de consumenten en deze van de onderzoekers en niet alleen deze van de rijke producenten op het oog hebben. Bij financiële crisissen zouden de crediteurs, die deels verantwoordelijk zijn voor de problemen, ook voor een evenredig deel van de schade moeten opdraaien. Waar de markt slecht werkt moet de overheid tussenkomen. Dit geldt bijvoorbeeld op de internationale kapitaalmarkten die vaak door speculatie in de een of andere richting gedestabiliseerd worden. Stiglitz is het in principe niet oneens met een Tobintaks maar stelt vragen bij zijn praktische uitvoerbaarheid. Hij heeft het overigens niet uitsluitend over hervormingen gericht op meer economische efficiëntie. Armoedebestrijding, vrijwaring van het milieu en respect voor culturele waarden vormen voor hem evengoed belangrijke doelstellingen. De haalbaarheid van zo’n alternatieve agenda hangt in hoge mate af van de transparantie en de democratische controle van de (internationale) beleidsinstanties. Ook op dat vlak is er nog een lange weg af te leggen.
Ik begon aan Perverse globalisering met een negatief vooroordeel. Ik had zeer negatieve recensies gelezen. En inderdaad, het boek is slordig geschreven, zijn argumentatie vaak anekdotisch en Stiglitz vereffent persoonlijke rekeningen. Je hebt wel eens het gevoel dat hij misbruik maakt van zijn reputatie. Maar het betoog wordt gaandeweg hechter en afstandelijker. De slotsom is dat Stiglitz een belangrijke bijdrage geleverd heeft aan het maatschappelijk en politiek debat. Deze bijdrage is in de eerste plaats inhoudelijk. Het boek geeft ons veel nieuwe informatie en structureert reeds gekende informatie met gebruik van recente economische inzichten. En zelfs waar Stiglitz niet veel nieuws aanbrengt, blijft wat gezegd wordt belangrijk omdat het door een economist van zijn kaliber wordt onderschreven. Met zijn boek heeft Stiglitz het andersglobalisme economisch-wetenschappelijk gededouaneerd.

Samenleving & Politiek, Jaargang 9, 2002, nr. 10 (december), pagina 42 tot 43