Log in

Klassenstrijd, een voorbijgestreefd begrip?

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 1 (januari), pagina 24 tot 31

Een andere taal

In november 2001 organiseerde de Parti Socialiste, in het kader van zijn Ateliers du progrès, een debat over de klassenstrijd. Het auditorium aan de ULB zat goed vol en niet met oudjes, zoals ik een beetje verwacht had. Ik was de enige die op de vraag met ja antwoordde. Zelfs de man van het syndicalisme van het dagelijks leven vond het nog geen tijd voor afscheid. De echte vakbondsman, van de metaalcentrale van de FGTB, twijfelde niet en verwees naar recente dossiers als Sabena, maar ook naar de wereldsituatie. Philippe Moureaux hield een prachtig pleidooi, met verwijzingen tot aan de Franse revolutie. Hij kent ook zijn Marx nog. En naar mij pinkte hij vriendelijk: ‘wij van de PS zijn een beetje archaïsch’, maar hij bedoelde:’jullie van de sp.a zijn toch maar klassenverraders.’ Spreken wij nog dezelfde taal, ook als ik mijn best doe om het in het Frans te doen? Of ligt het aan Moureaux, die nu eenmaal de gave bezit om een ideologisch revolutionair discours te combineren met het dagelijkse pragmatisme van een gewone reformist?

Nieuwe breuklijnen

Op 11 december 2001 verscheen in De Morgen een merkwaardig interview met Laurette Onkelinx. Gevraagd of er geen noord-zuidscheiding loopt tussen het Vlaamse en het Waalse socialisme, antwoordde ze dat de beide partijen nog altijd dicht bij elkaar staan inzake sociaaleconomische thema’s. Er komt meer en meer een breuklijn bij ethische thema’s, zoals asielzoekers en homorechten. Voor deze voelt Onkelinx dikwijls een grotere verwantschap met Agalev. De sp.a durft volgens haar die thema’s niet door te drukken. Dat laatste zorgde voor nogal wat verontwaardiging bij de Vlaamse zusterpartij. Het is ook manifest onjuist. Maar ikzelf vind vooral het eerste deel van haar uitspraak intrigerend. Nee, het ligt niet aan Moureaux. Voor Onkelinx zijn de Vlaamse socialisten progressief op de zogenaamde oude breuklijn, maar conservatief op de nieuwe breuklijn. Zij probeert op die manier een band te bewaren, maar zij ziet niet dat de Vlaamse socialisten precies ook op die oude breuklijn een nieuwe plaats proberen in te nemen. Ze hebben die misschien nog niet helemaal gevonden, maar ze willen in geen geval nog over economie redeneren als voorheen. Dat ziet men niet langs Waalse zijde, ook niet wanneer men minder orthodox denkt dan Moureaux. Ik vrees daarom dat er wel degelijk een fundamentele breuk ontstaan is. Wie vandaag het sociaaleconomische blijft analyseren met begrippen die honderdvijftig jaar oud zijn, ziet een andere werkelijkheid dan wie zijn begrippen aanpast. En vooral, hij probeert op een andere manier op die werkelijkheid vat te krijgen! Ik denk inderdaad dat het geen theoretische zaak is. Wie in klassieke klassentermen denkt, is op sociaaleconomisch vlak conservatief geworden. Vandaar dat ik het aandurf om hierna wat ouderwets filosofisch door te gaan. Ik denk immers dat het belangrijk is dat de Vlaamse socialisten klaar zien in hun eigen uitgangspunten. Ze moeten echter beseffen dat de kloof met hun Waalse kameraden er alleen maar dieper door kan worden.

Waar gaat het over?

Ook al zijn er wortels tot ver in de geschiedenis, de theorie van de klassenstrijd gaat uiteraard terug op Karl Marx. Maar hij heeft die toch wel heel summier uitgewerkt. In het derde deel van Das Kapital heet hoofdstuk 52 ‘De klassen’. Het hoofdstuk breekt echter na anderhalve pagina af. Het derde deel is niet afgewerkt. Het is Friedrich Engels geweest die het tweede en het derde deel uitgegeven heeft. In de rest van het werk van Marx (maar dat is hetzelfde bij Engels zelf) vindt men nog wel een en ander, maar het is heel verspreid en het blijft weinig uitgewerkt. Ik herhaal dit1, omdat nog altijd het beeld bestaat dat de theorie robuust en coherent uitgehouwen is, zoals de verontwaardiging in het ULB-auditorium toonde toen ik het iets anders voorhield. Niets is minder waar, ook al erken ik dat de theorie sterk impliciet aanwezig is. Maar wat voorondersteld wordt kan makkelijk heel verschillende gedaanten aannemen. Men kan erin lezen wat men er graag in leest. Vandaar dat ik de zaken scherper probeer te stellen. De basisidee is: de klassenstrijd is de motor van de geschiedenis, het mechanisme dat de geschiedenis verklaart. Het gaat dus niet om de vaststelling dat er verschillende klassen zijn! In iedere productiewijze vindt men twee tegenstrijdige groepen: de uitbuiters en diegenen die uitgebuit worden (meesters en slaven, heren en lijfeigenen, arbeiders en patroons). Tot welke klasse men behoort, wordt bepaald door de eigendom. De eigendomsverhoudingen beantwoorden in principe aan welbepaalde productieverhoudingen, maar door de ontwikkeling van nieuwe productiekrachten ontstaat er op een bepaald moment onvermijdelijk een tegenstelling. Er moeten nieuwe productieverhoudingen komen, maar dat kan maar als de productiekrachten zich volledig ontwikkeld hebben. De klassenstrijd is het mechanisme dat de productiekrachten in overeenstemming probeert te brengen met de productieverhoudingen. De vertegenwoordigers van de nieuwe verhoudingen kunnen die strijd alleen maar winnen. Hoewel de schema’s bij Marx en Engels nergens volledig kloppen2, kan dit iets concreter toegepast worden: in het kapitalisme worden de productieverhoudingen gekenmerkt door een steeds verder gaande arbeidsdeling en automatisering. Dat internationaal proces leidt tot een collectieve productiewijze, terwijl de eigendomsverhoudingen privé blijven. De strijd tussen deze twee moet uiteindelijk leiden tot collectieve eigendomsverhoudingen. De steeds anoniemer wordende aandeelhoudersstructuur is daar een voorafspiegeling van.3 Marx en Engels dachten dus dat het kapitalisme zo consequent mogelijk ontwikkeld moest worden. De arbeidersbeweging mocht het vooral niet afremmen! Alleen op die manier kan de tegenstelling tussen productiekrachten en productie- of eigendomsverhoudingen uit zichzelf een nieuw systeem doen ontstaan. Het moet op een bepaald moment als een rijpe appel in de schoot van de nieuwe eigenaar, de collectieve eigenaar, vallen.

Eerste verschuiving

In de negentiende eeuw was het eenvoudig: arbeiders hebben niets en moeten zich verkopen (in proletariaat zit zoals bekend ‘proles’: kroost, zij die alleen maar hun kroost hebben) en staan tegenover eigenaars die alleen geïnteresseerd zijn in winst. Deze kunnen rekenen op ambtenaren en politieapparaat. De strijd tussen de klassen zal er finaal toe leiden dat de arbeiders de eigendom overnemen. Vanaf dat ogenblik is een betere samenleving mogelijk. Volgens de klassieke marxistische theorie is dit een voldoende voorwaarde om een socialistische samenleving te realiseren. In de loop van de tijd is die idee minder ‘bloeddorstig’ geworden. De socialistische beweging dacht minder en minder aan de finale overwinning die in de Internationale bezongen wordt (in termen van revolutie en zelfs dictatuur van het proletariaat), maar de strijd tegen de kapitalisten blijft onvermijdelijk. Sommigen blijven theoretisch graag een conflictmodel hanteren, ook al zal de beweging in praktijk meer en meer compromissen sluiten. Maar al wordt de doctrine ogenschijnlijk niet aangepast aan de realiteit, hier zit toch een wijziging: van ‘klassenstrijd moet de eigendom van de productiekrachten overnemen’ tot ‘strijd is noodzakelijk om - binnen een kapitalistische economie - sociale verbeteringen af te dwingen’. Het experiment in het Oostblok heeft op zijn minst aangetoond dat een verandering van eigendom niet voldoende is om een rechtvaardiger samenleving te realiseren. Er ontstonden zelfs nieuwe klassen die macht en voordelen heel strikt voor zich hielden: de zogenaamde nomenclatura. Het productieapparaat vervuilde en verkwiste nog meer dan het kapitalistische. Er bestond wel een bepaalde rechtszekerheid: geen werkloosheid, bescherming van zieken en ouderen. Maar het niveau van sociale bescherming bleef heel laag. Het was zeker niet de ideale maatschappij waar ooit van gedroomd was. De roep om te nationaliseren, te socialiseren of te naasten doet vandaag eerder naïef aan. Het middel bij uitstek blijkt niet te werken.

Tweede verschuiving

Maar er is stilzwijgend nog een wijziging binnengeslopen. Dat er compromissen moeten gesloten worden is precies de essentie van wat de welvaartsstaat genoemd wordt: massaproductie kan maar bestaan als er ook massaal gekocht en geconsumeerd wordt. Alleen al om de productie steeds verder te laten stijgen was het nodig dat de welvaart verbeterde. Tegelijk heeft het patronaat uitdrukkelijk de prijs van de welvaart van de werknemers betaald om te vermijden dat het uit de hand zou lopen. Het mechanisme van de welvaartsstaat berust op het principe dat alle partijen er voordelen van krijgen. Dat was al zo vooraleer moderne managers over win-win begonnen te spreken. Zo moet het sociaal pakt van 1945 begrepen worden: aan de ene kant erkenden de werknemersbewegingen het bestaansrecht van het patronaat, aan de andere kant erkenden de werkgevers dat een behoorlijke sociale zekerheid en behoorlijke arbeidsvoorwaarden noodzakelijk waren. Alle retoriek ten spijt, heeft het mechanisme tot vandaag en in het Westen op die manier gefunctioneerd. De tegenstellingen werden natuurlijk weer scherper toen de crisis maar bleef aanslepen (begin de jaren zeventig - midden de jaren negentig)! De bedrijven probeerden de kosten zoveel mogelijk af te wentelen op de overheid (door bijvoorbeeld brugpensioenen) en de individuen (enkel echt ‘productieve’ werknemers mogen blijven). Op een bepaald moment deed Dehaene dan een oproep tot een nieuw sociaal pakt, waar vooral langs vakbondszijde veel koudwatervrees voor bestond. Hun wantrouwen was begrijpelijk, maar toch moest opnieuw naar een consensus gezocht worden waar iedereen bij wint.

Win-win in plaats van conflict

Deze stilzwijgende verschuivingen werden niet altijd consequent vertaald in de officiële doctrines van partijen en vakbonden, zodat er een kloof tussen de doctrine en de praktijk kon ontstaan. Af en toe is in het verleden geprobeerd ze te dichten.4 Ze moet op een bepaald moment wel volgen, of ze gaat de praktijk hinderen. Ik waag het er daarom maar op om zo’n vertaling te maken. Wie ervan uitgaat dat de andere partij vernietigd moet worden, kan onmogelijk tot akkoorden komen. Wie ervan uitgaat dat de andere partij per definitie zo weinig mogelijk moet krijgen omdat hij toch een vijand is, moet er rekening mee houden dat die andere partij zich net zo gedraagt. Het resultaat kan dan wel eens zijn dat alle partijen minder krijgen dan mogelijk is. Het gaat er dus inderdaad om of men principieel voor het conflict kiest of niet. Wie daarvoor niet kiest sluit echter conflicten niet uit. Er zullen hoe dan ook momenten blijven waarbij de belangen zo tegengesteld blijken te zijn dat er niet uit te komen valt zonder ruzie en zelfs strijd. En omdat onderhandelen eigenlijk alleen maar lukt in een situatie waarin beide partijen gelijkwaardig zijn, komt het er hoe dan ook op aan zo veel mogelijk gelijkheid te veroveren en bijvoorbeeld voldoende wettelijke bescherming af te dwingen. Maar het conflict wordt niet als zodanig gezocht. Essentieel is dat de consensus niet op regionaal, maar op een wereldniveau gevonden wordt. Het gaat erom dat de economie op wereldniveau aan regels moet onderworpen worden. Alleen als dat gebeurt zal uiteindelijk vermeden worden dat de tegenstelling tussen diegenen die veel bezitten en diegenen die niets dan hun ketenen bezitten op een bepaald moment ontspoort. In de 19e eeuw dacht men nog dat dit een motor was om een positief proces op gang te trekken. Vandaag zou het een motor kunnen zijn die het systeem in het Westen volledig destabiliseert. Jan Blommaert zegt dat het vernieuwingscongres van de Vlaamse socialisten in 1998 niet vernieuwde maar codificeerde. Het legde in teksten vast wat zich voordien in de dagelijkse praktijk had voorgedaan.5 Hij ziet echter vooral een uitholling van de ideologie, een terugvallen op symbolenstrijd. Communicatie wordt de essentie van de politiek. Ik beweer niet dat Blommaert helemaal ongelijk heeft. Maar als mijn lezing van de verschuivingen juist is, mist hij echter een kernpunt. De codificering die zich aan het voltrekken is, gaat ook om de vraag naar de reële impact op het maatschappelijk gebeuren. Wie zich verschanst in machteloos geworden theorieën, verliest precies vat op de gebeurtenissen. De stille verschuivingen proberen dat op zijn minst al tegen te gaan, maar ze moeten wel ver genoeg gaan. De zogenaamde derde weg aanvaardt het principe van de markt, maar onderwerpt er zich niet zo maar aan. Het is integendeel de uitdrukkelijke bedoeling om er meer impact op te krijgen. Waarom dan de uitdaging niet aangaan van iemand als George Soros, die het marktfundamentalisme - dat hij een vorm van ideologisch imperialisme vindt - een grotere bedreiging noemt dan om het even welke totalitaire ideologie?6 Is het alleen maar naïef om zo’n wolf in schapenkleren te vertrouwen, wanneer hij - naar eigen zeggen willens nillens - een evenwicht bepleit tussen markt en politiek? Men moet niet vertrouwen, men moet zoeken naar het wederzijds belang. Noreera Hertz, toch een van de goeroes van de beweging voor een andere globalisering, haast zich te onderstrepen dat zij niet tegen het kapitalisme is. Het is gewoon het beste systeem om rijkdom te genereren.7 Maar de stilzwijgende hold-up van de economie op de politiek gaat te ver. De mensen moeten de macht terugnemen via consumentenacties. Ondertussen nemen de bedrijven zelf meer en meer hun verantwoordelijkheid op. Zij geeft het voorbeeld van Shell dat tegenwoordig in Nigeria scholen, hospitalen, wegen en bruggen bouwt omdat de overheid dat niet meer kan. Shell doet dit puur uit eigenbelang, omdat de onrust, instabiliteit en armoede op termijn ook voor het bedrijf nefast zijn. Dat belet niet dat ook voor Hertz de politiek hoe dan ook een rol zal moeten blijven spelen, omdat het bedrijf finaal de doorslag zal laten geven door de winst.

De nieuwe realiteit

De oorspronkelijke theorie luidde: klassenstrijd als motor van de geschiedenis leidt onvermijdelijk tot overname van de eigendom van het productieapparaat. Deze theorie is zeker niet te handhaven. Wie orthodox wil zijn zal kunstjes uithalen, maar zich eigenlijk behelpen met een afgeleide theorie. In de loop van de tijd is die verschuiving heel onderhuids gebeurd. De afgeleide theorie beperkt zich tot de overname van de eigendom van cruciale onderdelen van het productieapparaat. Men komt deze nog tegen. Het ABVV bijvoorbeeld heeft ze nog in zijn statuten staan. In de beginselverklaring, die integraal deel uitmaakt van de statuten, gaat het over de ‘strijd van alle voortbrengers tegen de oligarchie van de banken en de monopoliën.’ Of dit nog op die manier leeft in de geesten van de kaders is maar de vraag. Het bleek ook op het ULB-debat dat die woorden niet geciteerd kunnen worden zonder eraan toe te voegen dat ze gemoderniseerd zouden moeten worden. Men vindt die nieuwe taal echter niet! Een nog meer afgeleide theorie blijft doen alsof overheidsbedrijven een doel op zich zouden zijn. Beide hebben echter niets met een modern socialisme te maken, dat de overheid als een middel ziet. Het is zeker niet juist te beweren dat zij per definitie slecht functioneert, maar men kan er niet omheen dat zij heel dikwijls staat voor inefficiëntie en verspilling. Zij is dus geen garantie. Vandaar dat zij gewoon als een middel moet benaderd worden en niet als een (socialistische) doelstelling. Een nog verder afgeleide theorie is: zonder strijd, conflict, is er voor de werknemers niets te bereiken. Uiteindelijk heeft dat nog weinig te maken met de oorspronkelijke theorie. Hoe dan ook, niemand hoeft te beweren dat conflicten per definitie te vermijden zijn, maar het conflictmodel beantwoordt niet aan een moderne manier van onderhandelen, van omgaan met verschillende partijen. Op het terrein zijn de verhoudingen trouwens heel complex geworden. In de kapitalistische structuur zelf hebben zich - zeker in het rijkere Westen - een aantal wijzigingen voorgedaan. De simpele tegenstelling tussen twee klassen bestaat niet meer. De stijging van de welvaart heeft het zogenaamde lompenproletariaat voor een groot stuk doen verdwijnen. Er blijft natuurlijk armoede, het probleem van de uitsluiting is zelfs een grote dreiging, maar niemand zal ontkennen dat de situatie niet meer te vergelijken valt met de toestanden zoals bijvoorbeeld in de film Daens of Germinal getoond worden. De industrie stelt steeds minder mensen tewerk, terwijl er steeds meer personen in de dienstensector werken. Daarmee hangt voor een stuk samen dat er steeds meer bedienden gekomen zijn. Er zijn steeds meer vrouwen. Er zijn aan de ene kant steeds meer tweeverdieners en aan de andere kant steeds meer alleenstaanden. De ‘bezitters’ of aandeelhouders zijn vandaag niet noodzakelijk meer de bestuurders van de bedrijven. Er is tegenwoordig zelfs een hele problematiek over hoe ver de bestuurders onafhankelijk kunnen zijn ten opzichte van de aandeelhouders. Werknemers - ook bedienden en in sommige gevallen arbeiders - kunnen eigendomsbelangen in de bedrijven hebben. Dat kan tot zeer merkwaardige belangentegenstellingen leiden: een werknemer kan er op een bepaald moment belang bij hebben dat een bedrijf - ook zijn bedrijf - werknemers afdankt. Dat is in België nog veel minder het geval, maar in de VS - met zijn private pensioenfondsen - is het een realiteit. Werknemers behoren steeds meer tot een middenklasse! Ik kan tenslotte niet nalaten te verwijzen naar Naomi Klein die de klassieke marxistische scheidingslijn tussen arbeiders en eigenaars zinloos noemt in de vrijhandelszones. Wat zij de ‘merkenmultinationals’ noemt, bezitten er weliswaar de productiemiddelen niet, maar zij bepalen juist daardoor volledig de productievoorwaarden.8

Het nieuwe conflict

Het moet duidelijk zijn dat het afstand doen van de idee van de klassenstrijd als motor van de geschiedenis niet impliceert dat er geen klassenverschillen meer zouden zijn! Onderzoek van bijvoorbeeld Hans De Witte9 toont dat er wel degelijk nog een verschil is. Eigenlijk bevestigt zijn empirisch onderzoek - met alle noodzakelijke nuances - wat er in de internationale literatuur gevonden is: arbeiders zijn progressiever op sociaaleconomisch vlak en conservatiever op sociaal-cultureel vlak. Ik som maar enkele resultaten op die tonen dat er wel degelijk significante verschillen bestaan tussen arbeiders en bedienden: ongeschoolde arbeiders en lagere bedienden ervaren weinig mogelijkheden om hun eigen leven te controleren, terwijl hogere bedienden veel meer het gevoel hebben dat ze hun leven in eigen hand hebben. Alle beroepsgroepen wijzen het traditionele beeld van de vrouwen van de hand, maar ze doen dat in sterkere mate naarmate het beroepsniveau stijgt. Lagere beroepsniveaus benadrukken sterker conformistische opvoedingswaarden, ze vertonen een meer instrumentele oriëntatie op arbeid en ze zijn in sterkere mate gewonnen voor een conservatieve opvoedingsstijl. Autoritarisme en een negatieve houding tegenover gastarbeiders stijgt naarmate het beroepsniveau lager ligt. Zoals genoegzaam bekend ging Mark Elchardus10 door op de tegenstelling tussen politiek conservatisme en culturele progressiviteit. Hij heeft het over een nieuwe breuklijn die bepaald wordt door de houding tegenover individualisme, autoritarisme, etnocentrisme, politiek cynisme en materialisme. Er blijkt een duidelijk verband tussen die verschillende houdingen te bestaan, met aan de ene kant mensen die opteren voor een solidaire, democratische en verdraagzame samenleving, die geloven in de zin van politiek en veeleer immateriële waarden verdedigen en aan de andere kant mensen die politiek cynisch zijn, veeleer materialistische waarden aanhangen, kiezen voor een individualistische samenleving met minder verdraagzaamheid en meer autoritaire gezagsrelaties. Die nieuwe breuklijn vervangt de vroegere klassenverschillen niet, maar hangt wel degelijk samen met de vroegere klassenstructuur: hoe hoger de maatschappelijke klasse, hoe progressiever op de nieuwe breuklijn. De arbeidersklasse is inderdaad progressiever als het over het sociaaleconomische gaat en conservatiever op cultureel vlak. Maar haar progressieve houding impliceert niet dat de arbeiders per definitie een linkse koers varen. Hun conservatievere opstelling in het immateriële verklaart op zijn minst voor een stuk waarom de socialistische partij kiezers verliest aan het Vlaams Blok en waarom in de vakbonden zoveel leden van die partij te vinden zijn. Dat alles is geen reden om niet te ijveren voor economische democratie of beter democratisch gecontroleerde economie, wel om democratie niet beperkt te zien tot economie. Een links project is een emancipatieproject: er moet een wereld gerealiseerd worden waarin iedereen gelijke kansen krijgt om zichzelf te ontplooien en iedereen ook de verantwoordelijkheid heeft om die kansen te nemen. Iedereen moet van de emancipatie of zelfontplooiing kunnen genieten, niet enkel wie hier of vandaag leeft, maar ook in de ontwikkelingslanden en ook op langere termijn.

De sleutel: het onderwijs

De nieuwe breuklijn blijkt de belangrijkste differentiatie tussen de onderwijsvormen.11 De werkelijke kloof in de Westerse samenleving ligt vandaag meer en meer tussen hoog- en laaggeschoolden. Vroeger ging het erom wie school gelopen had en wie niet. Vandaag gaat in ons land iedereen tot zijn achttiende naar school. Maar het soort onderwijs is bepalend voor het latere leven en in welk onderwijs je terecht komt heeft veel te maken met je (sociale) afkomst. Zeg in welke school een kind terecht komt en je kunt met redelijke zekerheid voorspellen welke toekomst het tegemoet gaat. Er blijken in elk geval duidelijke culturele verschillen tussen de onderwijsvormen. Het beroepsonderwijs scoort hoger op etnocentrisme en utilitair individualisme. En er zijn ook duidelijke verschillen in smaakvoorkeur voor TV- en radiozenders en muziek. Tussen de onderwijsvormen zijn er ook grote verschillen in de mate waarin men hard wil optreden tegen overtreders van de wet (inbrekers, verkrachters enzovoort). Leerlingen van het beroeps vinden dat hard gestraft moet worden. Ze zijn ook weinig permissief in morele kwesties als euthanasie en abortus. Ze scoren ook hoger voor etnocentrisme. Het beroepsonderwijs levert jongeren af die een wantrouwend mensbeeld hebben. Ze zijn rechtser dan jongeren uit het algemeen secundair en maken dan ook een grotere kans om bij het Vlaams Blok terecht te komen. Dat is een cultuur, die aansteekt. Iemand die uit een gezin komt met progressieve instelling heeft toch een grote kans er minder progressief uit te komen. In een sociologische doorlichting van de opvattingen van jongeren kan men lezen: ‘De verschillen in het denken tussen de lage en de hoge klasse zijn bijzonder sterk, vooral als we ze meten aan de hand van het onderscheid tussen de ASO- en de BSO-leerlingen. Dergelijke verschillen vormen de basis van het klassenbewustzijn en de sociale strijd. De basis voor dat bewustzijn blijkt dus geenszins te zijn verdwenen. De inhoud ervan is waarschijnlijk wel veranderd.’12 Die inhoud verwijst vandaag veeleer in extreem-rechtse, dan in linkse richting. Een simpele herhaling van de oude dogma’s - en de idee van klassenstrijd is daar een van - wordt in die context niet effectiever dan de ritmische gebeden van sommige oosterse godsdiensten. Men moet dringend werken aan een andere cultuur in het onderwijs.

Nieuw links

Wie ter linker zijde de klassenstrijd in vraag stelt, riskeert onmiddellijk verwijtende blikken. Hij kan alleen maar inboeten in radicaliteit, hij kan hoogstens een softe socialist zijn. Veel waarschijnlijker nog is dat hij voor een klassenverrader aanzien wordt. Ik wil niemand beledigen, maar ik noem dit onzin. Ik ben geen blinde volgeling van Anthony Giddens, maar ik volg hem wel wanneer hij schrijft13 dat de oude opdeling tussen links en rechts teruggaat op een wereld waarin geloofd kon worden dat het kapitalisme overwonnen kon worden en waarin de klassenstrijd hoog in het politieke vaandel gevoerd werd. Vandaag is zowel het ene als het ander minder geloofwaardig. Wie vindt dat de vrije markt onvermijdelijk is, hoeft echter sterke overheidsinstellingen niet uit te sluiten. Giddens vindt zelfs dat er meer regering nodig is dan vroeger! Er moet wel een evenwichtige balans gevonden worden, waarbij de persoonlijke verantwoordelijkheid en transparantie van de overheid centraal staan. Nieuw links laat de oude waarden niet schieten. Het interpreteert gelijkheid echter niet in de zin van gelijkvormigheid van alles en iedereen, maar in de zin van gelijke kansen voor iedereen. Gelijkheid en pluralisme zijn geen tegengestelden. In de linkse traditie is de klassenstrijd een motor van verandering. Er bestaan in elk geval nog altijd verschillende klassen. Er bestaat zelfs een belangrijke nieuwe dreiging dat de lager geschoolden meer en meer uit de boot geduwd worden. Uitsluiting in het Westen heeft vandaag vooral te maken met het soort scholing dat men gevolgd heeft. Wie uitgesloten wordt heeft echter niet de neiging om de strijd voor gelijkheid aan te gaan. Hij of zij verschanst zich veel eerder in een grimmige, wantrouwige wereld. Op een of ander manier moet die uitsluiting overbrugd worden. Het begint met het onderwijs, waar de cultuur van vooral het beroepsonderwijs moet aangepakt worden. Het is niet aanvaardbaar dat kinderen op een nefaste manier op het latere leven voorbereid worden. De klassenstrijd in zijn marxistische zin heeft afgedaan. Een samenleving die iedereen gelijke kansen wil geven kan zich niet beperken tot het veroveren van de eigendom van de productiemiddelen. De productiewijze zelf moet zo ingericht zijn dat iedereen maximale kansen kan krijgen. De huidige eigenaars moeten overtuigd worden dat ook zij daar belang bij hebben. Dat mag niet beletten om daar waar nodig ook strijd voor te leveren. Een samenleving van gelijke kansen kan alleen maar op internationaal niveau georganiseerd zijn. Als dat niet gebeurt dreigt de echte strijd wel eens gevoerd te worden - overheen alle zogenaamde klassenverschillen heen - tussen het Zuiden en het Noorden.

Luc Vanneste
Redactielid en Directeur Studiedienst sp.a

Noten
1/ L.Vanneste, ‘Afscheid van de klassenstrijd?’ In: Kritiek, 16, 1988.2.
2/ Ik heb dit lang geleden proberen aan te tonen in mijn commentaar bij een vertaling van een boekje van Friedrich Engels: Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie; Het Wereldvenster, Baarn 1980.
3/ Wie verwonderd opkijkt Marx en Engels in de buurt van het volkskapitalisme te ontmoeten verwijs ik naar Engels, Socialisme van utopie tot wetenschap (1882), Kommunistische eenheidsbeweging Nederland, 1971; p. 58-59. Mijn Marx-interpretatie is schatplichtig aan de Duits-Gentse filosoof Rudolf Boehm en aan zijn opvolger Willy Coolsaet. Zie bijvoorbeeld: W. Coolsaet, Produceren om te produceren, Het kapitalisme en de ontwikkeling van de produktieve krachten volgens Marx; Kritiek/Imavo, Gent 1996 (1982).
4/ Er is literatuur genoeg om dit na te lezen. Ik vermeld bijvoorbeeld het laatste hoofdstuk van Barbara Tuchman, De trotse toren, een portret van de wereld in de jaren 1890-1914; Elsevier, Amsterdam 1985 (1966).
5/ J.Blommaert, Ik stel vast, politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing; Epo, Antwerpen 2001.
6/ G. Soros, De Crisis van het mondiale kapitalisme, de ondergang van de vrije wereld; Uitg. Contact, Amsterdam 1998; p. 20 en 25.
7/ N. Hertz, The silent takeover, global capitalism and the death of democracy; William Heineman, London 2001; p. 10. Verwijzingen ook naar p. 173 e.v. en p. 195.
8/ N. Klein, No Logo, De strijd tegen de dwang van de wereldmarkten; Leminiscaat, Rotterdam 2001 (2000); p. 260.
9/ H.De Witte, Conformisme, radicalisme en machteloosheid, een onderzoek naar de sociaal-culturele en sociaaleconomische opvattingen van arbeiders in België. Hiva-KUL, Leuven 1990. Zie ook het themanummer van het Tijdschrift voor Sociologie, nr. 1-2, 1997:’Strijd om klassen, discussies over de relevantie van het klassebegrip’.
10/ M.Elchardus, Op de ruïnes van de waarheid, lezingen over tijd, politiek en cultuur; Kritak, Leuven 1994.
11/ K.Pelleriaux, Demotie en burgerschap; VUB-Press, Brussel 2001. Zie ook Ides Nicaise, ‘Onderwijs en armoedebestrijding: op zoek naar een nieuwe adem’. In: J. Vranken (e.a.), Armoede en sociale uitsluiting, jaarboek 2001, Acco, Leuven 2001.
12/ M.Elchardus (e.a), Zonder maskers, een actueel portret van jongeren en hun leraren; Globe, Gent 1999; p. 215.
13/ A. Giddens, The third way and its critics; Polity Press, Cambridge 2000; p. 39. Verdere verwijzingen naar p. 83 en 87.

ideologie - Karl Marx - klassenstrijd

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 1 (januari), pagina 24 tot 31