Log in

'Lucifers schikken. Als gastarbeiders burgers worden'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 1 (januari), pagina 50 tot 51

Lucifers schikken. Als gastarbeiders burgers worden

Meryem Kaçar
Houtekiet, Antwerpen, 2002

Er is de laatste tijd geen gebrek aan politici die boeken schrijven, of beter gezegd laten verschijnen. Premiers en ex-premiers, partijvoorzitters en minister-presidenten, communicatieadviseurs, ministers en ex-ministers, allemaal kunnen ze het schrijven blijkbaar moeilijk laten. Meestal zijn het de grote politieke tenoren die de pen ter hand nemen. Een uitzondering hierop zijn de zgn. ‘allochtone politici’. Het verhaal van allochtone politici spreekt blijkbaar tot de verbeelding. In de reeks ‘allochtone politici schrijven een boek’ zijn Fatima Bali, Nahima Lanjri en Mimount Bousakla, Meryem Kaçar al voorgegaan en bij mijn weten is men al aan het werk om een volgende boek in ‘de reeks’ te laten verschijnen.

In Lucifers schikken slaat Kaçar twee vliegen in één klap: ze gebruikt het boek om haar levensverhaal te vereeuwigen en bovendien schrijft ze over haar politieke visie en werkzaamheden. De hoofdstukken staan in afwisselende volgorde: één over politiek, één over het leven van de auteur, etc. Deze semi-biografische combinatie leest leuk: het boek is meer dan Kaçars dagboek maar toch lichter verteerbaar dan een puur politiek traktaat. De biografische stukken verhalen de historiek van de migratie van de familie Kaçar, de ontvangst in België en het gevecht dat Meryem Kaçar heeft geleverd om zich op te werken ‘van snit en naad naar de senaat’. Meryem is een ‘schoolvoorbeeld’ van iemand die verkeerdelijk naar het beroepsonderwijs wordt georiënteerd. Het was ook haar zussen overkomen en het gebeurt vandaag nog steeds teveel. Allochtonen komen al te vaak in het beroepsonderwijs terecht, dikwijls enkel door hun gebrekkige kennis van de Nederlandse taal. Maar Meryem slaat er zich door en na wat omzwervingen komt ze toch op de universiteit terecht om haar droom te verwerkelijken: rechten studeren. Door de achterstand verloopt de studie niet van een leien dakje en een normaal studentenleven zit er voor haar niet in. Het kost haar veel moeite, maar in 1998 haalt ze toch het diploma, en Meryem Kaçar wordt de eerste advocaat van Turkse origine aan de Gentse balie.

Ondertussen was ze al sociaal geëngageerd o.a. binnen Agalev, Vaka/Hand in Hand, Charta ’91 en de Gentse zelforganisatie Kardelen. Het is dan al duidelijk dat ze wil vechten tegen onverdraagzaamheid, vreemdelingenhaat, sociale uitsluiting, angst en onzekerheid. In 1996 neemt Kaçar haar eerste mandaat op voor Agalev: ze mag de partij vertegenwoordigen - kan het symbolischer? - in de bestuursraad van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding. Bij de verkiezingen van 1999 staat ze op de Senaatslijst als opvolgster van Mieke Vogels, in juli van datzelfde jaar legt ze de eed af als eerste Belgische senator van Turkse origine, en de rest van het verhaal was te lezen in kranten en weekbladen. In het hoofdstuk over ‘mevrouw de senator’ krijgt de lezer een vrij goed beeld van waar Kaçar als politica haar leven mee vult. Er wordt wat onsamenhangend van de hak op de tak gesprongen en niet alles is even interessant om lezen, maar zo is de alledaagse politieke realiteit nu eenmaal.

De concrete aanleiding voor het boek was de ontgoocheling na de debatten dit voorjaar over het stemrecht voor niet-EU-burgers. Het boek begint hier ook mee. Kaçar geeft haar persoonlijke kijk op de gang van zaken. Ze heeft geen goed woord over voor de hypocriete houding en het ‘gespleten gedrag’ in dit dossier van de liberalen, zowel de Franstalige als de Vlaamse. Kaçar heeft hard gestreden maar verloor. Het was voor haar een erg confronterende kennismaking met een platvloerse en cynische logica die dikwijls deel uitmaakt van het politieke spel. Jammer voor het dossier, maar een betere leerschool kon Kaçar zich eigenlijk niet inbeelden. Haar strijdvaardigheid blijkt ook uit de andere niet-biografische hoofdstukken van het boek. Kaçar gaat er dieper in op de thema’s die haar het nauwst aan het hart liggen. Haar drijfveer om aan politiek te doen - zo schrijft ze - is de woede tegen uitsluiting en onrechtvaardigheid. Ze strijdt tegen verdere verrechtsing, tegen sociale uitsluitingsmechanismen, discriminatie en racisme en pleit voor een solidaire strijd van autochtonen en allochtonen samen voor een sociaal en economisch meer gelijke multiculturele samenleving. Hiervoor moeten alle mogelijke middelen worden ingezet: ze pleit voor een derde schoolstrijd, de verdere uitbouw van een stimulerend onthaalbeleid, het juridisch verbieden van racistische partijen, quota op de werkvloer en eventueel ook de uitbouw van een Islamitische zuil. Niets gaat haar te ver zo lijkt het wel.

In haar analyse van de huidige samenleving, zowel op nationaal als internationaal vlak, sluit Kaçar dicht aan bij het ideeëngoed van de andersglobalisten. Kaçar steekt haar kritiek op de neoliberale globalisering en het kapitalisme niet onder stoelen of banken. Ze heeft ook openlijk haar sympathie betoond aan de beweging die ijvert voor de Tobintaks. Naar aanleiding van de Europese top in Gent in het najaar van 2001 steunde ze de actie ‘radiKAAL’ en ging ze letterlijk voor een tijdje door het leven als ‘de senator die haar haar kort liet knippen.’ Kaçar maakt dus een linkse analyse die de sociaaleconomische breuklijn als oorzaak van de verschillende pijnpunten in onze samenleving centraal stelt en weigert zich te focussen op culturele breuklijnen en individuele verklaringsmodellen voor criminaliteit, racisme en achterstelling. Haar discours is hierdoor wat eenzijdig. Bijvoorbeeld wat betreft de huidige discussie over de multiculturele samenleving, moet meer worden gedaan dan enkel de eigen samenleving culpabiliseren. Ook extreemrechts verklaren als ‘bijproduct van het neoliberalisme’ lijkt me wat al te algemeen, vaag en weinig productief.

Het hoofdstuk over migratie bevat wel enkele interessante ideeën en inzichten die hopelijk kunnen worden opgepikt en verder uitgewerkt. Kaçar verwoordt het besef dat regularisatie onmogelijk eenmalig kan zijn, ze pleit voor een eenheidsprocedure op basis van verschillende rechtsgronden, een volwaardig statuut voor oorlogsvluchtelingen, een apart ministerie voor migratieaangelegenheden en voor meer objectiverende gegevens op basis van wetenschappelijk onderzoek. Europa is volgens haar de plaats bij uitstek om een geïntegreerd migratiebeleid (in samenwerking met het beleid buitenlandse handel, ontwikkelingssamenwerking, etc.) op poten te zetten en ze stoort zich dan ook aan de onwil en de vele vertragingsmanoeuvres op het niveau van de lidstaten die echte samenwerking tot nog toe steeds verijdelen. Samen met Agalev wil ze ook het debat aanzwengelen over het toelaten van bijkomende arbeidsmigratie.

Het boek bevat ook een gesprek tussen Siegfried Bracke en Meryem Kaçar over politiek en media. Het is een ontnuchterende confrontatie tussen Kaçar die vasthoudt aan het sérieux van het politieke ambt en Bracke die er een cynische maar realistische mediatieke kijk op nahoudt. Het gesprek leert ons veel over hoe Bracke als pleitbezorger van de verkleutering van de politiek in de media naar politici kijkt. Zo laat hij optekenen: ‘Jij kunt ook een bekende Vlaming worden. Dat is zo geregeld. Een paar controversiële onderwerpen en je bent er. Wij vragen niet beter.’ En verder: ‘Maar jullie hebben toch studiediensten? Laat die toch teksten schrijven. … Dat is goed besteed belastingsgeld. … Een politicus moet rondlopen, kijken wat er aan de hand is, goede oplossingen bedenken en die verkocht en gestemd krijgen. Je kunt alle bals, cafés, feesten en bruiloften afgaan, wat op zich een respectabele keuze is.’ Het lijkt wel alsof Stevaert persoonlijk bij Bracke in de leer is geweest.

Senator Meyem Kaçar moet volgens Bracke nog heel wat leren over hoe politiek en dus ook de media werken. Ook mij komt het over dat Kaçar, door haar doorgedreven strijdvaardigheid, soms wel eens de trappers dreigt te verliezen. Idealisme wint het bij haar steeds van pragmatische overwegingen. Goed dat er nog zulke politici rondlopen, zeker, maar je hoeft geen rabiaat Machiavellist te zijn om te zien dat er in het politieke bedrijf zoveel meer overwegingen een rol spelen dan enkel overwegingen ingegeven door idealisme. Ze slaagt er nog onvoldoende in om ‘wenselijkheid’ en ‘haalbaarheid’, ‘doel’ en ‘middel’ nauwkeurig tegen elkaar af te wegen. Als jonge, allochtone politica wil ze zich voortdurend bewijzen en ze stelt bijzonder hoge eisen aan haar vak. De inbreng van Siegfried Bracke was in dat opzicht nuttig. Er is nog een hele weg af te leggen om pragmatisme en idealisme, om inhoudelijk en mediatiek politiek optreden met elkaar te verzoenen zonder hierbij cynisch te worden. Nog enkele jaren strijd voeren in de Wetstraat zal haar op dit punt waarschijnlijk het meest bijbrengen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 1 (januari), pagina 50 tot 51