Log in

'De dramademocratie'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 2 (februari), pagina 45 tot 46

De dramademocratie

Mark Elchardus
Lannoo, Tielt, 2002

Na Anatomie en oorzaken van het wantrouwen, geschreven samen met Wendy Smits, en De symbolische samenleving, waaraan een groot aantal TOR-onderzoekers meewerkte en waarvan Ignace Glorieux mederedacteur is, is dit het derde boek van Mark Elchardus op enkele maanden tijd.
We zouden van een trilogie kunnen gewagen.
De drie doelstellingen van De Dramademocratie zijn immers: ‘inzicht verwerven in de wijze waarop de hedendaagse samenleving haar wantrouwen aanschouwelijk, dramaturgisch voorstelt; de onverwerkte veranderingen die tot wantrouwen leiden beter identificeren; en nadenken over de vraag hoe we ons aan die veranderingen kunnen aanpassen’ (p. 13). Het komt, enigszins vereenvoudigd, neer op de vraag hoe we in de symbolische samenleving vanuit een democratische bezorgdheid met het wantrouwen moeten omgaan.
De symbolische samenleving is de term die de auteur aan onze samenleving geeft op basis van de veelheid aan symbolen die terug te vinden zijn in de manier waarop sociale controle over de leden zich vandaag voltrekt. Via onderwijs, massamedia en reclame die een overvloed aan symbolen produceren.

Mark Elchardus maakt dan ook in ruime mate gebruik van de inzichten die in zijn geciteerde twee vorige boeken werden ontwikkeld. Voor wie die boeken heeft gelezen is De Dramademocratie een heel herkenbaar boek.
Maar waar de vorige boeken zich beperkten tot analyse en daar verder politiek weinig mee deden (wat je een wetenschapper uiteraard niet kan verwijten) gaat dit boek veel verder. Vooral de rol van de media en de politiek en hun onderlinge verhouding in de symbolische samenleving worden verder geëxpliciteerd. Zo komen we tot de dramademocratie, een democratie waarin niet de vertegenwoordiging de essentie is, maar de dramaturgische voorstelling via de middelen van massacommunicatie.
Het resultaat is een indringend scherpe beschrijving van het wezen van onze samenleving tijdens het laatste decennium.

De aangebrachte inzichten die de analyse ondersteunen zijn niet nieuw, maar het is hun geordend samengaan, de confrontatie tussen op lange termijn berustende wetenschappelijke bevindingen en de real-timebenadering in de dramaturgische samenleving die het gevaar voor het verder afkalven van de democratie onderstrepen.
Vaak neemt het boek de vorm aan van een pamflet, een aanklacht tegen de democratie-ondermijnende gevolgen van het neoliberalisme. De Vlaamse variant daarvan, vooral verwoord in de burgermanifesten van Guy Verhofstadt, wordt ongenadig ontleed.
Een aanklacht ook tegen de meegaande wijze waarop iedereen zich achter de zgn. Nieuwe Politieke Cultuur heeft geschaard, daardoor het individualisme verder heeft bevorderd en de democratische betrokkenheid heeft verminderd.
Het neoliberalisme heeft, in tegenstelling tot zijn vertoog, de rol van de burger afgebouwd en er een consument van gemaakt die leeft in de waan van zijn individuele zelfbeschikking. Maar het zijn onderwijs, media en reclame die met hun almaar groter wordende impact onze schijnbaar individuele keuzes sturen. En daar zit hem volgens de auteur het grote gevaar voor de democratie. Wanneer die instituties een groter wordende impact hebben en wanneer dat gepaard gaat met een afnemende democratische controle erop, moeten de knipperlichten aangaan.

Reclame en media worden door enkelen gedomineerd. Nieuws wordt ‘gemaakt’ en onze vertegenwoordigers vertegenwoordigen niet meer, ze spelen hun rol in de dramademocratie.
De auteur pleit terecht om grote aandacht te hebben voor het behoud van de gemeenschapscontrole over de openbare omroep en het onderwijssysteem. Want het is in de scholen dat de volgende slag zal gestreden worden. De uitslag ervan is essentieel voor onze vrijheid.

‘Wie naar individuele vrijheid streeft en alle individuen een gelijke kans op vrijheid wil geven, streeft ernaar de middelen van sociale controle zoveel mogelijk onder democratisch toezicht te plaatsen’ (p.54) en ook : ‘De grote politieke uitdaging van de symbolische samenleving is de democratisering van de toegang tot de middelen van beïnvloeding’ (p.132).
Ook het populisme, dat in het wantrouwen een rijke voedingsbodem vindt, en de constitutionele drift (een synoniem voor wat Luc Huyse de verplaatsing van de politiek noemt) passeren de revue.

Heel interessant zijn de oplossingen die Mark Elchardus aanreikt, waarbij hij van het cruciaal gegeven vertrekt dat het wantrouwen niets met de vorm van de politieke instellingen te maken heeft. Prutsen aan de vorm waarvan het NPC-debat zo doordrongen was, haalt dus niets uit en is maar wat bezigheidstherapie.
Om de volkssouvereiniteit te verhogen zijn andere middelen nodig.
Ingrijpen in het functioneren van de media door concentratievorming tegen te gaan, wordt voorzichtig gesuggereerd. Maar de auteur heeft blijkbaar zelf zijn twijfels over de haalbaarheid daarvan. Want, hij gaat er van uit dat het vooral de politiek is die zich zal moeten aanpassen: ‘De dramademocratie is in de eerste plaats het gevolg van de onaangepastheid van de politieke instellingen. Deze vinden vooralsnog geen aansluiting bij de symbolische samenleving. De onmiddellijke opdracht betreft daarom de aanpassing van de politieke instellingen’ (p. 198).

Maar is dat realistisch? Want wie zich het best aanpast aan het functioneren in de dramademocratie zal niet snel geneigd zijn de media-impact op de politiek te verkleinen. De auteur onderzoekt in de eerste plaats of de directe democratie een middel kan zijn om de gemeenschapscontrole te bevorderen. Het antwoord is terecht genuanceerd. Direct-democratische middelen zoals het referendum kunnen de greep van de media op de besluitvorming nog sterker maken. Slechts in de mate dat de pro- en contraposities op een evenwichtige manier door de media worden gebracht, kan het referendum een bijdrage leveren in het herstel van de volkssouvereiniteit.

Maar wie gaat dat meten? Hoe ga je dat meten? En wat moet er gebeuren als er een onevenwicht is? Wie beslecht geschillen daarover?
Het voorbehoud dat de auteur maakt omwille van de machtige positie van de media is terecht, maar het geeft tegelijkertijd de smalle marge aan van de nog beschikbare manoeuvreerruimte.
Twee andere denkpistes, de macht van de bevolking op wijkniveau versterken en de politiek meer richten naar becijferde doelstellingen zodat emotionele grillen aan impact verliezen, zijn zonder twijfel goede suggesties die met de nodige creativiteit theoretisch uitwerkbaar en praktisch uitvoerbaar zijn.

De auteur heeft in ieder geval een theoretische basis gelegd voor een versterking van de democratie vanuit een links gedachtegoed.
Het is nu aan de verkozenen om deze suggesties in reële voorstellen om te zetten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 2 (februari), pagina 45 tot 46