Abonneer Log in

De communautaire koorts: symptomen, diagnose en aanzet tot remedie

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 14 tot 24

Echt verwonderlijk is het niet dat de VLD zich op een recent congres bekeerde tot het ‘confederalisme’. De recepten die de partij wil toepassen op de inrichting van de Belgische staat, lijken immers sterk op degenen die ook intern gelden. Binnen de kersverse volkspartij kan men duchtig van mening verschillen en iedereen volgt er zowat zijn eigen ideologische weg. Men krijgt soms de indruk dat de standpunten van bepaalde tenoren uit de liberale volkspartij sterker afwijken van die van hun Vlaamse liberale collega’s dan van eender welke Franstalige politicus. Ook over het confederalisme zelf is er allesbehalve unanimiteit. Vervolgens wordt dan afgesproken wat er nog samen wordt gedaan: aan de verkiezingen deelnemen.

Los van deze meer lichtvoetige overweging, past de confederale bocht van de Vlaamse liberalen - hoewel deze maar door een beperkt gezelschap werd goedgekeurd - perfect binnen het traditionele pre-electorale schouwspel. Naderende verkiezingen gaan immers steeds weer hand in hand met communautaire radicalisering en wederzijds onbegrip. Naast het VLD-standpunt waren er al de eisen tot verregaande autonomie van bepaalde Vlaamse politieke leiders, beantwoord door het traditionele njet van de Franstalige partijen. Dit alles gelardeerd met communautair gekleurde dossiers als ‘Nepal’ en ‘Francorchamps’. Deze steeds weerkerende communautaire spanningen zijn voor sommigen het bewijs dat België niet (meer) werkt. Maar ligt het zo simpel? En kan het ook anders?

Vox Populi

Opmerkelijk toch, dat het communautaire telkens weer op de voorgrond treedt, ondanks het populisme dat dezer dagen hoogtij viert. Het is immers alleen in de directe omgeving van de Wetstraat dat de communautaire koorts hoge pieken bereikt. Een ondertussen indrukwekkende waslijst van wetenschappelijk en ander onderzoek toont dit aan. Bij wijze van proloog, een greep uit de laatste aanwinsten. Zo bevestigt elk verkiezingsonderzoek opnieuw dat communautaire twisten helemaal vanachter aan het lijstje van de voor de kiezer relevante thema’s bengelen en dat Vlaamse zelfstandigheid absoluut geen stembepalend issue is.1 Over typisch communautaire thema’s als de faciliteiten voor Franstaligen in de Vlaamse rand rond Brussel, die geregeld de politieke gemoederen verhitten, blijkt bijna één op twee Vlamingen geen mening te hebben. Op zijn minst is er dus sprake van communautaire apathie.
Confronteert men ze echter met concrete keuzes, dan neigt de voorkeur van de Vlamingen veeleer in tegengestelde richting dan die van hun volksvertegenwoordigers. Zo blijkt uit de recentste ISPO-studie dat de identificatie van de Vlamingen met het Belgische bestuursniveau sinds 1986 alleen maar groter wordt. Ondertussen leunt dit percentage al aan bij de 57% ten opzichte van de 27% die zich in de eerste plaats met Vlaanderen identificeert. Iets minder dan de helft van de Vlaamse kiezers voelt zich tegelijkertijd Vlaming én Belg. Maar bij de andere helft zijn er meer die zich exclusief Belg noemen dan exclusief Vlaming. Deze cijfers over de etnoterritoriale identiteit van de Vlamingen vertalen zich eveneens in hun standpunten over de staatshervorming. Maar 16% van de respondenten is niet tevreden met de huidige staatsstructuur. En als men dan toch gedwongen wordt een keuze te maken, gaat die maar bij 9,2% uit naar een splitsing en 20,9% wil daarentegen terug meer federaal (Belgisch) zien worden. Zelfs de kiezers van communautaire partijen bij uitstek zijn lang niet allemaal bewogen door de core business van hun volksvertegenwoordigers. Integendeel. Maar 16% van de VU&ID21-kiezers was ontevreden over de huidige bevoegdheidsverdeling tussen de beleidsniveaus in België en onder de Vlaams-Blokkiezers zitten er in verhouding zelfs meer unitaristen dan onder de algemene bevolking. De onderzoekers concluderen dan ook dat het ‘in Vlaanderen, dat doorgaat als één van de welvarendste regio’s van de wereld’ moeilijk mobiliseren is tegen ‘een Belgische staat waarin ze ‘verdrukten’ zouden zijn’.2
Zou met het aanhalen van deze cijfers de discussie dan voor eens en voor altijd gesloten moeten worden? Een democratische reflex zou alleszins veronderstellen dat dergelijke cijfers minstens in het achterhoofd worden gehouden. Maar verder is het niet omdat de Vlaamse kiezer lak heeft aan een verdere staatshervorming dat politici dit onderwerp niet mogen aankaarten. Dat is het verschil tussen democratie en populisme. Zoals Kris Deschouwer onlangs nog stelde, het zijn niet de burgers, maar wel de politici die dagelijks met de onvolmaaktheden van het bestuurlijk systeem geconfronteerd worden. En die kunnen wel eens om een staatshervorming vragen.3

Communautaire tegenstellingen

Het is dan ook deze snaar die door de voorstanders van meer Vlaamse autonomie de laatste jaren gretig betokkeld wordt. De typische nationalistische retoriek uit het verleden, die zich vooral beriep op het vrijwaren van de eigen identiteit en het laten samenvallen van volk en staat, werd ondertussen grotendeels vervangen door een onverdachte bestuurlijke analyse. Het is duidelijk geworden dat de strijd voor de vrijwaring en de gelijkberechtiging van de Vlaamse taal en cultuur, nog geen halve eeuw geleden een zeer pertinente bekommernis, binnen de huidige federale staatsindeling tot een anachronisme is verworden. Bovendien zullen ook evoluties als individualisering en postmodernisme niet compleet aan Vlaamsgezinde milieus voorbijgegaan zijn. Het aloude tafereel, dat erin bestond met een krop in de keel en de borst vooruit de Vlaamse leeuw te brengen op een achtergrond van vendelzwaaiers, moet steeds meer plaats ruimen voor een koele, rationele analyse. De kern daarvan is de onmogelijkheid voor Vlamingen en Franstaligen om nog een gezamenlijk Belgisch beleid te voeren. Het heet dat in zowat elk politiek dossier dat op federaal niveau moet geregeld worden, Vlamingen en Walen lijnrecht tegenover elkaar staan.4 Samengevat: men pleit niet voor de splitsing van België omdat men Vlaams-nationalist is, maar omdat het Belgisch systeem niet werkt. Dat onder de verdedigers van deze bestuurlijke analyse het aandeel Vlaams-nationalisten opvallend hoog is, berust uiteraard louter op toeval.

Deze argumentatie verdient het van naderbij bekeken te worden. Het is natuurlijk niet de bedoeling te ontkennen dat er op bepaalde domeinen verschillen zijn in beleidskeuzes tussen de gemeenschappen. Toch is er de vraag naar de reikwijdte van deze analyse. Met andere woorden: is elk dossier in België communautair, zoals beweerd wordt? Een analyse van de debatten en stemmingen in kamer en senaat over de belangrijkste dossiers uit de afgelopen regeerperiode relativeert dit al snel. Vele dossiers legden geen communautaire, maar eerder socio-economische of levensbeschouwelijke breuklijnen bloot, over de taalgrens heen. Een (wegens plaatsgebrek) beperkte selectie: de asielwetgeving, de euthanasiewet, het migrantenstemrecht, de belastinghervorming, de anti-discriminatiewet, het optrekken van de minimumuitkeringen, de vaste boekenprijs, de Irak-crisis (en nagenoeg het volledige buitenlands en defensiebeleid), de drugswet, het alimentatiefonds, de ecoboni, de loonlastenverlaging, het homohuwelijk, de genocidewet, het zelfstandigenstatuut, de uitstap uit de kernenergie, enzovoort. Gezien de beperkte rol die het parlement in België toebedeeld krijgt ten voordele van de uitvoerende macht, moet deze lijst weliswaar gerelativeerd worden, maar hij vormt alleszins een eerste aanwijzing.
Het probleem ligt eveneens bij de definitie van het begrip ‘communautair’. Zoals vele andere begrippen uit het dagelijkse politieke taalgebruik, wordt het te pas en te onpas gehanteerd. Dat de ideologische families mekaar over de taalgrens heen niet altijd overal in vinden is juist. Maar het volstaat blijkbaar al dat de PS er over een bepaald dossier een andere mening op nahoudt dan de sp.a, om van een communautaire scheidslijn te gewagen. Een bepaalde partij of minister die een aanvaring heeft met een partij of minister van de andere taalgroep blijkt soms zelfs voldoende. Een echte communautaire scheidslijn veronderstelt echter twee kampen die volledig gelijk lopen met de indeling in taalgroepen. Deze spraakverwarring leidt ertoe dat zelfs de dossiers die bij uitstek worden aangehaald als ultiem bewijsstuk voor het volledig uit mekaar drijven van ons land, bij nader inzien dikwijls andere tegenstellingen verhullen.

Een recent voorbeeld vinden we in het dossier ‘Francorchamps’. In tegenstelling tot de voornoemde waslijst, ging het hier om een vrij banaal dossier, wat evenwel niet belette dat het tijdens de laatste weken van het voorbije jaar sterk de gemoederen verhitte. Toen bekend werd dat de Grote Prijs Formule 1 niet meer zou kunnen plaatsvinden vanwege de wet die tabaksreclame verbiedt, lanceerden PS en MR een wetsvoorstel om voor Francorchamps een uitzondering mogelijk te maken, alleszins tot de Europese richtlijn hierover van kracht werd. Uiteindelijk ging het nog om één Grand Prix die kon ‘gered’ worden, vermits het Europees verbod op tabaksreclame al van 2005 zou ingaan en de strijd voor 2003 ondertussen al verloren was.
Ecolo was hier één van de meest fervente tegenstanders van, de VLD en zelfs bepaalde sp.a’ers stemden in met het voorstel van PS en MR, maar toch heette het bij menig Vlaams politicus dat dit dossier de zoveelste veruitwendiging was van een compleet tegengestelde visie in beide landsdelen die onvermijdelijk de voorbode vormt van een totale boedelscheiding. Niet dat men aan Franstalige kant zo waardig reageerde. Zo was er na de stemming, die uiteindelijk in het nadeel uitviel van de zelfverklaarde redders van de Waalse werkgelegenheid, bij bepaalde Franstalige politici te horen dat Vlaanderen Wallonië hiermee een slag wou toedienen.5 Ook op het vlak van stemmingmakerij is er niet bepaald sprake van een communautaire tegenstelling. PS en MR beschuldigen de Vlamingen er dan wel graag van het Belgische samenlevingsmodel te willen opblazen, met hun veralgemeningen dragen ze daar zelf meer dan hun steentje toe bij.

Media

Het dossier ‘Francorchamps’ werpt ook licht op hoe de media in dit plaatje passen. Toen bleek dat men vanuit de PS en de MR de wet op de tabaksreclame wou uitstellen en Ecolo overwoog om - onder zeer zware voorwaarden - daarin mee te gaan, leidde men daar in het editoriaal van verschillende Vlaamse kranten meteen uit af dat Ecolo Waalser dan groen was en dat dit duidde op een compleet verschillende mentaliteit in het Noorden en Zuiden van het land.6 Diezelfde dag werd echter bekend dat Ecolo niet zou instemmen met een uitstel van de wet. Op deze nieuwe ontwikkeling werd de volgende dag door geen enkele editorialist nog gereageerd. Verwacht men van editorialen nog dat zij een bepaalde kleuring aan het nieuws geven, op meer impliciete wijze vertaalt dit procédé zich ook in de dagelijkse berichtgeving waar men geregeld de neiging vertoont om zaken in een communautair frame te plaatsen. Soms is daar uiteraard aanleiding toe, maar zeker niet altijd. Toen de discussie over de spijtoptanten ontstond, blokletterde De Standaard ‘Voorstel anonieme getuigen splijtzwam tussen Nederlandstaligen en Franstaligen’. Hoewel het natuurlijk zo is dat het initiatief vooral van een Vlaamse partij kwam (VLD) en de tegenwind vooral van een Franstalige (PS), bleek - wanneer men het artikel dan las - dat ook Agalev deze regeling niet zag zitten.
Uiteraard maakt dit niet allemaal deel uit van één of ander Vlaams-nationaal complot. Hier zijn vooral mechanismen aan de gang die erop gericht zijn het nieuws bevattelijker te maken, een kop meer sprekend te maken. Uit talrijk mediaonderzoek blijkt dat het kaderen van nieuwsfeiten binnen een, meestal duaal, conflictscenario (zij het tussen personen, organisaties of bevolkingsgroepen) een courante journalistieke praktijk is.7 Onvermijdelijk gaat dit gepaard met een versimpeling van de informatie, die overigens niet beperkt blijft tot de communautaire problematiek.

Deze eerste veralgemening wordt echter nog verder doorgetrokken: al gauw wordt de mening van enkele politieke actoren beschouwd als de mening van alle actoren en dit wordt dan weer al te gemakkelijk herleid tot de houding van de gehele publieke opinie. Vooral aan Franstalige kant lijdt men, verblind door straffe uitspraken van bepaalde politieke tenoren en editorialisten, sterk aan het visioen van het Vlaamse eenheidsdenken. Het Vlaams Blok is dan nooit veraf. Zo krijgt men als lezer van Le Soir weleens de indruk dat alle Vlaamse partijen op het confederale en bijgevolg ook op het separatistische spoor zitten.

Dit gebrek aan nuancering kwam onlangs nog tot uiting naar aanleiding van de debatten over het Koningshuis. De Franstalige zenders nodigden Jean-Marie Dedecker en Vincent Van Quickenborne uit om over de kwestie te debatteren als vertegenwoordigers van het Vlaamse standpunt. Door de keuze tot dit duo te beperken scheppen ze mee het beeld van een republikeins/separatistisch Vlaanderen.8 Tegelijkertijd creëerde de VRT net de omgekeerde beeldvorming van de Franstaligen. In de berichtgeving over het RTBF-debat beweerde men dat het VLD-standpunt er de aanleiding voor was, terwijl precies het gelijkaardige standpunt van Ecolo centraal stond. Verder stelde men het voor alsof Dedecker het moest opnemen tegen alle Franstaligen in de studio. Nog steeds zonder een woord aan het Ecolo-standpunt vuil te maken. Resultaat: in Vlaanderen ziet men in alle Franstaligen vurige monarchisten terwijl de Franstaligen alle Vlamingen in het republikeinse kamp onderbrengen.
Dit is wederom geen bewuste desinformatie, noch de verantwoordelijkheid van individuele journalisten, maar een gevolg van een schrijnend gebrek aan investering in kennis over het andere landsdeel. De nog steeds zeer minimale berichtgeving over de andere gemeenschap, waaraan vooral de Vlaamse media lijden, is hiervan tegelijk oorzaak en gevolg en verhindert bovendien dat er een tegengewicht kan worden gegeven aan bovenvermelde cliché’s, veralgemeningen en het misbruik dat sommigen daarvan maken. Ondanks een lichte verbetering de voorbije jaren, onder meer door de inspanning van programma’s als Ter Zake, blijft de informatie die de Vlaamse kijker over Franstalig België krijgt, immers bedroevend laag.9 Het feit dat de VRT nooit de scores van de Franstalige partijen vermeldt wanneer over de peilingen van Le Soir bericht wordt, terwijl die scores uiteindelijk even relevant zijn voor de vorming van de volgende federale regering dan die van de Vlaamse partijen, symboliseert perfect hoe men in Vlaanderen dikwijls aankijkt tegen de huidige staatsstructuur. Op de RTBF worden de prognoses voor de Vlaamse partijen steevast vermeld.

Conservatisme

Niet alleen is er de neiging van pers en politiek om - al dan niet op de realiteit gebaseerde - tegenstellingen in de verf te zetten. Dikwijls wordt daar, impliciet, een waardeoordeel aan gekoppeld. Bij genoeg herhaling groeien ook daar weer hardnekkige clichés uit voort. Zo zitten de Franstaligen volgens de Vlamingen uiteraard fout met hun afwijkende keuze. Het wordt voorgesteld alsof de vooruitstrevende Vlaamse beleidsleiders in hun progressief elan geblokkeerd worden door conservatieve reflexen vanuit het zuiden van het land. De gebruikte terminologie roept al meteen vragen op (is bijvoorbeeld een regeling voor spijtoptanten per definitie een progressieve maatregel?). Men lijkt hier de definitie te hanteren dat elke maatregel die gericht is op verandering ‘progressief’ zou zijn. In die visie is de privatisering van de sociale zekerheid een progressieve maatregel. Het Vlaams Blok zou zonder twijfel de meest progressieve partij van Vlaanderen zijn.

Maar zelfs als we uitgaan van deze definitie zijn de rollen dikwijls ook omgedraaid. Toen het migrantenstemrecht moest gestemd worden (een in alle betekenissen ‘progressieve’ maatregel), bleek bij de meerderheid immers enkel de grootste Vlaamse partner tegen. Dit voorbeeld toont bovendien aan dat veto’s niet het prerogatief van de Franstalige socialisten zijn, nog een steeds weerkerend cliché. Niemand kan ontkennen dat de PS zich hier de laatste jaren in bekwaamd heeft, maar in de Vlaamse liberalen vindt de partij een geduchte concurrent wanneer het op het beoefenen van deze discipline aankomt. De verklaring is eerder te zoeken bij de machtspositie dan bij het taalgebruik.

Andere gevoeligheden

Hoewel uit al het bovenstaande blijkt dat het verhaal van de steeds weerkerende communautaire scheidslijn aan relativering toe is, kan men niet ontkennen dat er in bepaalde dossiers wel minstens sprake is van andere gevoeligheden in beide landsdelen. Zo werd er naar aanleiding van het Francorchamps-dossier in Vlaanderen wel met enig onbegrip gekeken naar het fanatisme dat bepaalde Franstalige partijen aan de dag legden om hun Grand Prix te redden. Het getuigt echter van weinig intellectuele eerlijkheid te beweren dat het omgekeerde niet waar zou zijn wanneer de F1-wedstrijd in Vlaanderen zou doorgaan. En vooral, wanneer Vlaanderen in een soortgelijke, diepgaande economische crisis verzeild zou raken als die waarin Wallonië nu verkeert. Het dossier van de nachtvluchten bewijst dat aan die laatste voorwaarde zelfs niet voldaan hoeft te worden. Hier toonde de sp.a zich even gevoelig voor het tewerkstellingsargument als haar Franstalige zusterpartij. Geen sprake van afschaffing als dat repercussies heeft op de tewerkstelling bij DHL en in de luchthaven van Zaventem, waar het merendeel van het personeel tot de Vlaamse gemeenschap behoort. In dit soort dossiers is er dus sprake van uiteenlopende gevoeligheden die niet zozeer culturele achtergronden hebben, maar wel verbonden zijn met objectief aanwijsbare verschillen. Het is tekenend dat men wel focust op subjectieve tegenstellingen, door steeds bepaalde zaken vanuit de volksaard te willen verklaren (Walen hechten meer belang aan economie dan aan ethiek), maar blijkbaar de objectieve tegenstellingen die daar achterliggen niet in rekening brengt (Francorchamps ligt in Wallonië, dus de gevolgen voor de tewerkstelling zullen zich daar manifesteren).

Uiteraard is het zo dat deze verschillende gevoeligheden, vanwege het geïnstitutionaliseerde bipolaire karakter van het Belgisch federalisme, zich gemakkelijk laten vertalen in communautaire spanningen en dus een eerder negatief effect kunnen hebben op de bestuurskracht. Een ander uniek trekje van de Belgische federalismevariant, het gebrek aan een normenhiërarchie, zorgt er eveneens voor dat verschillende voorkeuren tot blokkeringen tussen de beleidsniveaus kunnen leiden. Ideaal is dat zeker niet. Het is echter een overwogen keuze uit een niet zo ver verleden, mede bepleit door diegenen die nu de onwerkbaarheid ervan aanklagen. Bovendien verraadt de retoriek die erop gericht is alle mogelijke tegenstellingen te zien als een hinderpaal de hang naar een bestuursstijl die meer met privaat management dan met politiek bestuur te maken heeft. De implicaties ervan overstijgen het zuivere communautair debat. Daarnaast is het in de context van toenemende Europeanisering en globalisering een illusie te denken dat Vlaanderen en Wallonië, wanneer ze van mekaar verlost zijn, een volledig onafhankelijk beleid kunnen voeren. De toenemende interferentie van beleidsniveaus betekent dat er steeds meer met andere actoren rekening zal moeten gehouden worden bij de uitstippeling van het beleid. Met het stijgend belang van het Europees niveau is de toekomst aan multi level governance10: de vervlechting van en interactie tussen verschillende bestuurslagen.

Een echte democratie leeft bovendien van de tegenstellingen. Dat argument mag misschien op het eerste zicht een hoge wolligheidsgraad vertonen, maar in de praktijk kunnen de uit mekaar lopende gevoeligheden eerder een meerwaarde voor de democratie betekenen dan een struikelblok. Zo bijvoorbeeld wat betreft de populariteit van extreemrechts. Terwijl de politieke partijen in Vlaanderen - bewust of onbewust - geneigd zullen zijn beïnvloed te worden door het succes van het Vlaams Blok in hun beleidskeuzes, kan men het misschien als een waarborg beschouwen dat er ook nog rekening moet gehouden worden met partners waarbij die logica niet geldt. Of omgekeerd: als men werkelijk zo begaan is met de wereldvrede en er niet mee kan leven dat er Belgische wapens naar oorlogsgebied gestuurd worden, is de Belgische constructie juist de beste voorwaarde om de druk blijvend op de ketel te houden. Dat leidde recentelijk nog tot een gevoelige verstrenging van de wapenwet. De optie om de zaak dan maar te splitsen en de Walen hun eigen wapens te laten uitvoeren komt neer op een federalisering van het geweten: er zullen nog steeds evenveel doden vallen maar wij kunnen alvast onze handen in onschuld wassen.

Kiessysteem

Men kan het desgewenst afkeuren, maar politici die het behoud van werkgelegenheid in een streek niet boven ethische overwegingen stellen, zijn - vooral in verkiezingstijd - dun gezaaid. De kern van de zaak is echter dat er voor Vlaamse politici nu eenmaal geen stemmen te rapen vallen in de regio’s rond Herstal en Francorchamps. Communautaire tegenstellingen en confrontatie zitten dan ook in het huidige, op tweeledigheid gestoelde, politiek systeem ingebouwd. Regionale tegenstellingen zullen er steeds zijn. Het huidige kiessysteem werkt echter in de hand dat deze ook gemakkelijk uitgebuit kunnen worden. Politicologen constateerden immers al vaak dat het electoraal systeem het gedrag van partijen beïnvloedt. Verkozen leiders in een federaal systeem moeten altijd beslissen welke interests en welke constituents (regionaal of federaal) ze zullen bedienen. Regionale strategieën (het zich enkel richten op regionale interests of constituents) worden dus beloond door het Belgisch kiessysteem en leiden, vooral bij verkiezingen, steeds weer tot communautaire spanningen.11

Het staat politici immers vrij om de verantwoordelijkheid voor alles wat misgaat af te schuiven op het andere landsdeel zonder dat ze daar electoraal voor gestraft kunnen worden. Dit geldt zowel voor het federale als voor het regionale beleid. Het is een tactiek die uiteraard in verkiezingstijd alleen maar aan aanlokkelijkheid wint. Hoe verleidelijk is het niet te stellen dat het gebrekkig beleid het gevolg is van een gebrek aan bevoegdheden of van een tegenstribbelende partner? Vooral wanneer die laatste niet kan repliceren omdat hij toch geen deel uitmaakt van het debat.
Naast het feit dat het de communautaire koorts de hoogte in stuwt, vertoont het huidige kiessysteem ook een ernstig democratisch deficit. Politici moeten zich op geen enkel moment verantwoorden voor hun federale beleidsdaden tegenover de andere taalgemeenschap. Franstaligen kunnen zich al decennia niet uitspreken over de eerste minister die hun land regeert en een Vlaming kan zijn stem niet laten horen over het beleid van een politiek zwaargewicht als Louis Michel. Nochtans mag de populariteit van de minister van buitenlandse zaken in Vlaanderen niet onderschat worden. Dat bleek onlangs nog uit een rondvraag onder de 1e kan-studenten politieke en sociale wetenschappen aan de Universiteit Gent. Hoewel de vraag luidde wie ze de beste ‘Vlaamse’ politicus vonden, slaagde Louis Michel erin op de zevende plaats te eindigen. Zijn recente prominente rol op het internationale toneel zal daar wellicht niet vreemd aan zijn. Toch scoorde Michel bij de Vlamingen, volgens de politieke barometer van La Libre Belgique12, ook vóór de Irak-crisis al hoger dan Vlaamse politici als Patrick Janssens en Karel De Gucht. Guy Verhofstadt prijkt dan weer steevast in de top 5 bij de Franstaligen.
Op zich is het niet zo uitzonderlijk dat niet elke inwoner van een bepaald land een stem kan uitbrengen op nationale beleidsverantwoordelijken. De legitimatie van deze verantwoordelijken verloopt dan echter via hun partij. Een stem voor een bepaalde partij kan dan ook beschouwd worden als een uitspraak over de beleidsdaden die gesteld werden door de politici die de desbetreffende partij gekozen heeft om haar programma uit te voeren. Maar ook dit is in België onmogelijk. België is immers het enige federale land zonder federale partijen. Met als gevolg dat de eerste minister en de minister van buitenlandse zaken maar gelegitimeerd worden door respectievelijk iets meer of iets minder dan de helft van de kiezers.

Federale partijen zouden dus zonder meer wenselijk zijn, zowel voor het beter als het democratischer functioneren van het Belgisch federalisme. Echter, dat zo goed als alle partijen op taalbasis gesplitst zijn,13 is het natuurlijk gevolg geweest van de bipolaire structuur waarop de achtereenvolgende staatshervormingen van de jaren 70 en 80 geënt zijn. Deze vallen dan ook niet zomaar eventjes opnieuw op te richten.
Toch zal men op termijn moeten nadenken over manieren om het kiessysteem aan te passen aan het unieke karakter van het Belgisch federalisme, en aldus de democratische lacune op te vullen. Een eventuele denkpiste is het instellen van een nationale kieskring voor de senaatsverkiezingen (en in de toekomst, wanneer de senatoren niet meer rechtstreeks zullen worden verkozen, voor de 40 van de 190 kamerleden die volgens de nu voor de senaat geldende Vlaamse en Waalse kieskring zullen worden verkozen). Een dergelijk voorstel werd reeds uitgewerkt door de bekende UCL-professor Philippe Van Parijs (‘Power-sharing versus border-crossing in ethnically divided societies’). Monsterscores voor Franstalige partijen in Vlaanderen en Vlaamse partijen in Wallonië zal dit waarschijnlijk niet opleveren, maar aan de formele democratische vereisten zal alleszins voldaan zijn. Het zou de partijen er ook toe verplichten meer rekening te houden met de andere taalgemeenschap. Het is zeker niet onwaarschijnlijk dat het Nederlands van Franstalige politici er zienderogen op vooruit zou gaan en dat men in Vlaanderen de Waalse economische crisis met meer begrip zou bejegenen. Dit soort constructies zijn uiteraard niet evident, alleen al omdat het een herziening betekent van het broos evenwicht tussen Nederlandstaligen en Franstaligen. Nochtans moet het mogelijk zijn de huidige mechanismen van pariteit en gegarandeerde vertegenwoordiging, weliswaar in iets aangepaste vorm, te laten coëxisteren met de mogelijkheid om een democratischer kiessysteem in te richten, over de taalgrens heen.

Bovendien is het niet geheel ondenkbaar dat een dergelijk kiessysteem bij sommige formaties zou kunnen leiden tot kiesallianties op federaal niveau, over de taalgrens heen. Het uitzicht op een electorale bonus als gevolg van het inzetten van meer populaire boegbeelden uit de federale regering zou hiervoor een incentive kunnen zijn. Tweetalige lijsten en samenwerkingen passen wellicht beter in de huidige vorm van Belgisch federalisme dan federale partijen. De communautaire verschillen die zullen blijven bestaan tussen Vlaamse en Franstalige partijen van eenzelfde ideologische strekking hoeven gezamenlijke lijstvorming niet te verhinderen. Sp.a en Spirit staan hier ook niet geheel op dezelfde lijn en binnen de VLD lopen de standpunten daarover ook verregaand uit mekaar. Hetzelfde geldt eveneens voor andere inhoudelijke verschillen. Het zou de partijen die een alliantie aangaan ertoe verplichten om over een aantal punten overeenstemming te vinden vóór de verkiezingen, wat de coalitievorming achteraf vergemakkelijkt. Gezien de traditie van symmetrische regeringen, moet dat vergelijk met de ideologische tegenhanger van over de taalgrens achteraf toch gevonden worden.
Maar goed, dit klinkt vrij utopisch en voor morgen zal het waarschijnlijk niet zijn. Nochtans, als men werkelijk bekommerd is om een goed werkend federalisme, is het een piste die verkend zou moeten worden. Bovendien geeft het toch te denken dat er in de Europese context al wel regelmatig gesproken wordt van de oprichting van Europese partijen, dat er in de verklaring van Laken gewag werd gemaakt van denkpistes in de richting van een Europese kiesomschrijving en dat binnen het Europese parlement partijen als CD&V en CDH blijkbaar wel een fractie kunnen vormen met talrijke andere volkspartijen, waaronder zelfs die van Silvio Berlusconi.
De onlangs door het Arbitragehof teruggefloten wijzigingen aan de kieswet in Brabant hadden in dit verband echter nog een stap teruggezet. De plannen van de regering hielden een scheiding van de Franstalige en Nederlandstalige lijsten in voor het kiesdistrict Brussel-Halle-Vilvoorde, wat het onmogelijk maakte om er nog tweetalige Kamerlijsten in te dienen. Dit was een gevolg van de beslissing om een unieke Nederlandstalige lijst te creëren voor zowel Leuven als Brussel-Halle-Vilvoorde, wat dan weer deel uitmaakte van een compromis tussen de Franstalige eis om de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde niet te splitsen en de Vlaamse eis om de kiesdistricten in Vlaams-Brabant samen te voegen. Ook voor de Kamerverkiezingen wou men Brusselaars dus verplichten te kiezen tussen de Franstalige en Nederlandstalige kieslijsten, zoals het geval is voor de Europese en de senaatsverkiezingen. Vooral het FDF was zeer opgezet met deze beslissing, want zo zouden Franstalige stemmen niet meer bijdragen tot de verkiezing van Vlaamse kandidaten.

Nochtans duiden evoluties in de hoofdstad er steeds sterker op dat het tweeledigheidsdenken, dat vanuit de Belgische logica van de confrontatie tussen de twee grote taalgemeenschappen op Brussel werd toegepast, alsmaar minder voldoet aan de noden van de Brusselaars. Dat heeft te maken met de stijging van de niet-Belgische bevolking en de nieuwe Belgen in Brussel, die absoluut geen boodschap hebben aan de communautaire problematiek, maar ook met de tweetaligheid van veel van de Belgische inwoners. Er is steeds meer sprake van een Brusselse gemeenschap, wat zich volgens onderzoek - naast de vraag naar tweetalig onderwijs - onder meer uit in ‘een vraag naar tweetalige of meer representatieve politieke partijen of lijsten die de samenstelling van de Brusselse diversiteit weerspiegelen.’14 Het weerspiegelt ook de politieke evolutie. Terwijl voor de Brusselse gewestraadverkiezingen tweetalige lijsten niet zijn toegestaan, is dit in de gemeenten immers wel het geval en wordt deze formule bij elke gemeenteraadsverkiezing populairder onder de Vlaamse politici. Terwijl in 1976, op het hoogtepunt van de taalproblematiek, de Vlaamse partijen nog in 18 van de 19 gemeenten een eenheidslijst voorlegden, kwamen ze bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 in twee van de drie gevallen op tweetalige lijsten op. Hoewel een deel van de verklaring ligt bij het gegeven dat de kans voor Vlaamse politici om verkozen te worden groter is op tweetalige lijsten, bewijst dit ook dat de pacificatiepolitiek op Brussels niveau alvast zijn vruchten begint af te werpen.

Institutioneel kluwen

Binnen de huidige politieke constellatie vergt het - vooral in Vlaanderen - echter enige moed om in de aangegeven richting te denken. Er lijkt een soort taboe op dit soort voorstellen te rusten. Meteen worden ze in verband gebracht met een hang naar ouderwets unitarisme. Terwijl het juist een middel is om te komen tot een écht democratisch federalisme en de struikelblokken die de goede werking van dit systeem verhinderen, te verwijderen. Nog maar enkele tientallen jaren geleden was je een radicale flamingant als je voor federalisme streed. Nu ben je plots een naar mottenballen ruikende belgicist.

In theorie wordt er altijd geschermd met de eerbiediging van de federale staatsstructuur. Toen vorig jaar werd geopperd dat het misschien beter zou zijn om de federale en regionale verkiezingen te laten samenvallen, om niet in een permanente verkiezingsstrijd te vervallen, gingen er meteen stemmen op dat dit in zou gaan tegen de federale logica van ons land die bepaalt dat de verschillende regeringen hun eigen leven moeten leiden. Zuiver theoretisch is dit een principieel en lovenswaardig standpunt. De geest van dit argument wordt echter door dezelfde mensen met de voeten getreden door de constante stoelendans tussen de beleidsniveaus. Dit gegoochel met de instellingen kende recent nog een absurd hoogtepunt in de vorm van de carrièreplanning van Patrick Dewael. Net als al zijn collega’s uit de Vlaamse regering stelt de huidige Vlaamse minister-president zich kandidaat voor de federale Kamer. Net als al zijn collega’s heeft hij evenwel aangekondigd zijn mandaat in Vlaanderen na de federale verkiezingen gewoonweg verder te willen zetten. Niettemin wil hij toch effectief de eed afleggen in de Kamer, om daar alsnog terecht te kunnen moesten de regionale verkiezingen van 2004, waarvoor hij vanzelfsprekend ook zal kandideren, een voor hem minder gunstige ontknoping kennen. Met als gevolg dat hij even zal moeten aftreden als minister-president om de eed af te leggen in de Kamer, om meteen daarna opnieuw de eed als Vlaams minister-president bij de Koning te gaan afleggen.
Deze volledige vermenging van de verschillende bestuursniveaus vindt haar natuurlijk verlengde in de campagne. Zo lanceerde CD&V’er Luc Martens de gemeenschapsmaterie onderwijs als één van de thema’s voor de federale verkiezingen. Of konden we Steve Stevaert in Ter Zake horen zeggen dat de inzet van de komende verkiezingen onder meer het verderzetten van Bert Anciaux’s cultuurbeleid is. Stevaert kondigde ook aan voor de verkiezingen een progressief project voor Vlaanderen te lanceren. Terwijl elk politiek project dat op 18 mei aan de kiezer zal voorgelegd worden er per definitie één voor België is. Zelfs dat van de N-VA en het Vlaams Blok, die voor België een afschaffing weggelegd zien.

Dat de federale staatsstructuur, die nu al nauwelijks leeft in de hoofden van de mensen, meer dan ooit tot een kluwen zonder enige transparantie herleidt wordt, neemt men er blijkbaar graag bij. Ook hier zouden een federale kiesomschrijving en/of kiesallianties op basis van zuivere federale thema’s het kluwen kunnen helpen ontwarren. Zo zou het, in tegenstelling tot een onwenselijke terugkeer naar een unitair verleden, juist een verduidelijking en een bekrachtiging van het Vlaams zelfbestuur kunnen worden.
Het zou een halt toeroepen aan de verbelgisching van de Vlaamse verkiezingen maar ook aan de vervlaamsing van de federale verkiezingen. De uitspraak van Steve Stevaert verraadt immers ook hoe de federale verkiezingen in Vlaanderen steeds meer worden gepercipieerd: als Vlaamse verkiezingen. Zoals ook al bleek uit het als irrelevant beschouwen van de scores van Franstalige partijen op de VRT, lijkt het feit dat er achteraf ook nog een coalitie moet gesloten worden met Franstalige partijen soms hoogstens als een vervelende bijzaak beschouwd te worden.

Besluit

Zoeken naar pistes om tot een beter bestuur te komen is zeker geen nutteloos tijdsverdrijf. Dat wijzigingen aanbrengen aan de staatsstructuur en de bevoegdheidsverdeling tussen de beleidsniveaus daar een onderdeel van kunnen zijn, kan evenmin tegengesproken worden. Staatshervorming moet dan ook bespreekbaar zijn, in onderling overleg. Vanuit dit oogpunt is het koppige njet van de Franstaligen al even nefast als de Vlaamse neiging om staatshervormingen per definitie en bij voorbaat te zien als een verdere stap naar een volledig onafhankelijk Vlaanderen en het verbreken van de solidariteit met Wallonië. Deze eenzijdige inkleuring van het begrip doet vermoeden dat goed bestuur slechts een retorisch rookscherm is om aloude motieven te verbloemen.
Wanneer zal er eindelijk eens, in alle volwassenheid en objectiviteit en op basis van grondige studies, kunnen onderzocht worden hoe de staatsstructuur kan verbeterd worden voor eenieder? In België is het alvast niet de gangbare praktijk, wat ook weer bij de laatste staatshervorming mocht blijken. Van de ene dag op de andere werd beslist ontwikkelingssamenwerking te defederaliseren. Het departement diende louter als pasmunt om de Lambermont-akkoorden af te ronden. Achteraf liet de hele sector weten, en toonden diverse nationale en internationale studies aan, dat een splitsing allesbehalve wenselijk is.

Dit betekent geenszins dat er geen enkele bevoegdheid meer naar de gewesten en gemeenschappen mag overgeheveld worden. Tenminste, zolang men niet raakt aan de interpersoonlijke solidariteitsmechanismen die het fundament vormen van de federale staat. Maar het impliceert eveneens dat men tegelijkertijd moet openstaan voor eventuele hervormingen in de andere richting. De voorbije zomer deed zelfs Patrick Dewael nog de moedige verklaring dat er misschien in het verleden ook bepaalde bevoegdheden ten onrechte naar de deelstaten zijn overgebracht.15 In het huidige pre-electoraal klimaat is zo’n uitspraak blijkbaar ondenkbaar geworden.

Dave Sinardet
Departement Politieke en Sociale Wetenschappen Universiteit Antwerpen

Noten
1/ Meest recente voorbeeld hiervan is de ‘Politieke barometer Vlaanderen’, uitgevoerd door Taylor Nelson Sofres in opdracht van de Standaard, VRT en UIA.
2/ Meersseman, Billiet & Depickere. ‘De communautaire items. De opinie van de Vlamingen in 1999 over de staatsstructuur en hun (etno)territoriale identiteit.’ ISPO (Instituut voor Sociaal en Politiek Opinieonderzoek)-bulletin 2002/49, KUL.
3/ ‘Rondje staatshervorming’, De Standaard, 05/10/2002.
4/ Het volstaat te verwijzen naar de argumentatie van de N-VA, zoals die onder meer tot uiting komt in diverse publicaties en opiniestukken.
5/ ‘La pub tabac restera hors-circuit’ in Le Soir, 11 december 2002
6/ Voor Yves Desmet bewees dit zelfs dat er twee compleet verschillende volkeren leven in België.
7/ Voor een interessant overzicht van deze en andere vormen van framing, zie onder meer Semetko, H.A. en Valkenburg, P.M. (2000). ‘Framing European politics: a content analysis of press and television news.’ Journal of Communications 50(2), 93-109.
8/ Hieruit bleek ook nog eens dat standpunten over het koningshuis en de inrichting van de Belgische staat gemakkelijk als onderling verwisselbaar worden voorgesteld.
9/ Zie eigen onderzoek, onder meer: Sinardet, Dave, ‘Televisie zonder grenzen. De beeldbuis tussen regionalisme en globalisering’ in Samenleving en politiek, 2 (2001).
10/ Zie onder meer Hooghe & Marks, ‘Multi-level governance and European integration’ (2001).
11/ Brzinski, Joanna Bay, ‘Changing Forms of Federalism and Party Electoral Strategies: Belgium and the European Union’ in Publius: The Journal of Federalism 29:1 (Winter 1999).
12/ Een volledig overzicht is te vinden op www.lalibre.be
13/ De PVDA/PTB en Vivant zijn op dit moment de enige politieke partijen van enige betekenis die unitair gestructureerd zijn. Bij de grotere partijen vormen enkel Agalev en Ecolo een gezamenlijke fractie in Kamer en Senaat.
14/ Rudi Janssens, Taalgebruik in Brussel: taalverhoudingen, taalverschuivingen en taalidentiteit in een meertalige stad, VUB-Press, 2001.
15/ ‘Er is hier geen oppositie, dat is het drama’ in De Standaard, 6 juli 2002.

verkiezingen - communautaire verschillen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 14 tot 24