Abonneer Log in

De verwevenheid tussen media en politiek: een moeilijke evenwichtsoefening

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 4 tot 9

Deze tekst werd geschreven voor de uitreiking van de radio- en tv-prijzen op zaterdag 1 februari 2003. Norbert De Batselier maakte van de gelegenheid gebruik om zijn visie op het thema ‘media en politiek’ te verwoorden.

Als er iets is waar politici veel en met meestal veel vuur en betrokkenheid over praten, dan is het wel over de media. Misschien kan ik mezelf onmiddellijk als voorbeeld nemen: als politicus heb ik in de media een imago en ik laat in het midden of het volledig met de werkelijkheid strookt. Ik zou een voorbeeld van een dossiervreter zijn, een ideoloog, een theoreticus. Sommigen zien in mij misschien zelfs een saai iemand, die de noodzaak aan dramatisering en het showgehalte van de politiek onderschat. Van mij wordt dus waarschijnlijk ook verwacht dat ik in de stilaan bekende grieventrommel van politici over de media zal gaan graaien. Na de Nederlandse verkiezingen zou dit zelfs haast zo horen. Dat ben ik echter niet van plan! Ook al kan ik mijn kritische houding tegenover de evolutie van de media niet helemaal verbergen, toch wil ik vooral naar het politieke bedrijf zelf kijken en proberen aan te geven, waar wij, de politici, zelf kunnen bijdragen tot een betere profilering van het politieke bedrijf in de media. Die profilering moet leiden tot een betere verhouding tussen de media en de politiek, en vooral tot een herbronning van onze democratische waarden in een samenleving die volop aan het veranderen is.
Laat ons van twee vaststellingen uitgaan waarover iedereen het waarschijnlijk eens is. Ten eerste voelen we allemaal aan dat er wat misloopt in de verhouding tussen de media en de politiek en dat dat de democratie geen goed doet. Maar we kunnen anderzijds niet ontkennen dat de media in al hun verscheidenheid onze blik op de wereld verruimen en dus potentieel een enorme democratiserende invloed kunnen hebben. Bij die twee vaststellingen mogen we het begrip ‘media’ overigens niet verengen tot de televisie. Het gaat ook om de geschreven pers, om radio, om film en, niet te vergeten, het internet. Laat me er ook onmiddellijk bij vertellen dat het politieke bedrijf niet zonder de media kan. In een democratisch stelsel moet politiek zichtbaar en transparant zijn. De burgers moeten keuzes kunnen maken. Dat kunnen zij alleen als de politieke boodschap hen bereikt. Er moeten dan ook dragers zijn van die boodschap. Hoe meer dragers, hoe meer media en hoe groter de kansen dat die boodschap de burgers bereikt. De democratie heeft de media nodig. De opkomst van de massademocratie is verbonden met de opkomst van de massamedia. Het ene is niet denkbaar zonder het andere. De verwevenheid tussen beide heeft steeds bestaan. Maar die verwevenheid is altijd problematisch geweest. Daar moeten we geen illusies over hebben. Citizen Kane van Orson Welles, die nog altijd als de beste speelfilm aller tijden wordt beschouwd, dateert van 1941 en gaat over die verwevenheid. Of eigenlijk vooral over de enorme politieke macht die een media-imperium kan verwerven. Opvallend daarbij is de actualiteitswaarde die een film van meer dan zestig jaar oud nog altijd heeft, ook al gaat hij over een tijd waarin er nog geen sprake was van televisie.

Ik wil hiermee maar aantonen dat het bekritiseren van de verregaande mediatisering van het politieke bedrijf geen fenomeen van de laatste jaren is. Maar vandaag is de impact van de media op de samenleving groter. Vandaar dat de discussie, die al zeer oud is, wordt geïntensifieerd. Het mediadebat wordt wat al te veel vanuit de optiek van de evoluties in het televisielandschap gevoerd. Het valt me daarbij op dat televisie al vanaf haar ontstaan om allerlei redenen door een veelal intellectuele toplaag in de samenleving is verketterd. Televisie atomiseert de samenleving en vernietigt het sociale weefsel, leidt tot ‘ontlezing’ en nieuwe ongeletterdheid, is uitermate oppervlakkig door het primaat van het beeld boven het woord, het negatieve is makkelijker in beeld te brengen, het positieve niet, enzovoort. Dat soort kritiek komt steeds in een of andere vorm terug. Maar we kunnen in elk geval niet meer om de realiteit heen dat de televisie als massamedium een wezenlijk onderdeel van ons dagelijks leven is geworden en dat iedereen op een of andere manier dat medium in zijn dagelijks leven heeft geïntegreerd. Door de kracht van het beeld is televisie een bijzonder machtig medium dat de beeldvorming van mensen over de samenleving zeer sterk beïnvloedt. Vandaar dat we waarschijnlijk zoveel op televisie focussen als we het over de media hebben. Leo De Bock, hoofdredacteur van de VRT televisienieuwsdienst, zegt in een recent interview in Humo: ‘Televisie heeft onmiskenbaar de grootste impact, maar het is niet het meest geschikte middel om informatie over te dragen.’ Ik denk dat die woorden de problematiek goed samenvatten. Als televisie voor veel mensen nog de enige bron van informatie is, dan zitten we als samenleving met een probleem. Mark Elchardus heeft in een onderzoek vastgesteld dat mensen die enkel nog via de televisie een venster op de wereld hebben, een zeer vertekend en bovendien onrustwekkend en negatief beeld van die wereld voorgeschoteld krijgen. Volgens Echardus ligt daar een belangrijke oorzaak van fenomenen zoals ‘het onveiligheidsgevoel’. Dat brengt mij bij een eerste belangrijke vaststelling: televisie mag niet het enige kanaal van informatie zijn. Het beeld speelt zijn rol. Het beeld kan emanciperend zijn, in de mate dat één pakkend beeld veel meer zegt dan duizend woorden. Maar beeld zonder duiding zegt niet genoeg en kan overigens erg manipulatief en vervalsend werken.

Een tweede vaststelling is het feit dat de media in toenemende mate afhankelijk zijn van de wetten van de markt. Daaraan verbonden is er een kwalijke tendens tot monopolievorming, waarbij diverse media in handen komen van een beperkt aantal economische groepen. Die tendensen zorgen voor het ontstaan van nieuwe machtsconcentraties, die niet louter economisch zijn, maar ook op politiek vlak een rol kunnen gaan spelen. Daarmee geef ik dan ook onmiddellijk aan dat de kracht van de media ook voor politieke macht kan zorgen. Men kan een politicus maken of breken. De recepten zijn gekend: het brengen van eenvoudige boodschappen maar met een sterke beeldtaal, het herhalen van boodschappen, het gebruiken van een mix van media, die elkaar aanvullen. Andere middelen zijn: steeds dezelfde spot uitzenden bij het begin van een tv- of radio-uitzending, steeds dezelfde personen uitnodigen, vermelden, citeren of interviewen. Dat is geen gezonde situatie. Het is duidelijk waar het centrale probleem zit: vanaf het moment dat de media geen onafhankelijke positie hebben, ondergraven ze de democratie. Dat was al de boodschap van Citizen Kane, een boodschap die dringender en actueler is dan ooit. Maar wat is onafhankelijkheid? Spelen daarbij enkel economische overwegingen? In welke mate tellen daarnaast ook persoonlijke relaties? Onafhankelijkheid wordt dus een steeds moeilijker begrip. De loutere economische omschrijving verklaart niet alles meer.

Derde vaststelling: het politieke gebeuren past zich aan de twee evoluties aan, die ik hierboven heb geschetst. Televisie wordt ook voor de politiek het belangrijkste medium om de boodschap over te brengen. Dit wil zeggen: wij weten als politici maar al te goed hoe groot de impact is van een tv-optreden en van een radio-interview. Maar we ondervinden daarbij ook maar al te goed dat voor zo’n geslaagd optreden andere zaken nodig zijn dan alleen een inhoudelijke boodschap. De kwaliteit van een politicus zal dus ook meer en meer worden beoordeeld op zijn of haar vaardigheid om met de specifieke wetten (of zijn het fictieve wetten?) van het televisiemedium om te gaan. De campagne voor de parlementsverkiezingen in Nederland heeft dat nogmaals ten overvloede aangetoond. Bovendien kwam daar nog een nieuw element bij, namelijk het bijna dagelijks peilen van de kiesintenties. Stilaan gaan we ook die weg op. Daardoor werd in Nederland de indruk gegeven dat een goede of een minder goede prestatie in een van de veelvuldige televisiedebatten, een onmiddellijke weerslag had op de verkiezingsscore. Zo plant men bijna de verkiezingsuitslag. Peilingen kregen een infotainment-allure en dat is voor velen belangrijker dan een echt informatieprogramma. Uit een artikel van De Morgen van 1 februari 2003 getiteld ‘Peilingen zijn sexy’ wordt duidelijk dat niemand iets goeds te zeggen heeft over opiniepeilingen. Ze hebben geen enkele voorspellende waarde, geven hooguit een momentopname. Ze maken politici euforisch of gek en ze hebben een kwalijke invloed op de kiezer. Maar wat zou verkiezingskoorts zonder de thermometer van de polls zijn? Personifiëring, dramatisering en entertainment zijn dus dé sleutelwoorden geworden. Els Witte omschrijft dit zeer treffend in haar boek Media en Politiek. Het brengen van een ingewikkelde boodschap hoort blijkbaar in het huidige medialandschap niet echt thuis.
Het politieke bedrijf wordt, overeenkomstig de wetenschappelijk niet vastgestelde maar alom verspreide wetmatigheden, meer en meer gepersonaliseerd en gedramatiseerd. Mark Elchardus heeft dat in zijn recente behartenswaardige essay De Dramademocratie voldoende omschreven, en ook Els Witte legt in haar boek Media en Politiek de vinger op de wonde. Die manier van focussen is niet alleen te constateren bij het radio- en televisiemedium. Ook de andere media zullen zich op de persoon en de dramatische aspecten van het handelen van die persoon concentreren. Ook in kranten en tijdschriften verliest de berichtgeving over beleidsaspecten terrein en moet het afleggen tegen de verslaggeving over human-interestverhalen van parlementsleden of ministers.

Wat kunnen de antwoorden op deze ontwikkelingen vanuit politieke en democratische hoek zijn?

Allereerst is er de mediaconcentratie en commercialisering. Ik vind dat we er op dat vlak in Vlaanderen eigenlijk niet zo slecht voorstaan. Het duale medialandschap dat we hier in Vlaanderen kennen, althans wat radio en televisie betreft, werkt in feite nog zo slecht niet. Niemand pleit nog voor een louter door de staat beheerd radio-en televisielandschap. Een openbare omroep heeft specifieke taken voor de Vlaamse gemeenschap en heeft daarom opdrachten die een commerciële zender niet zomaar moet, maar wel kan vervullen. Die opdrachten liggen in een gediversifieerd aanbod van informatie en van populaire en minder populaire cultuur. Maar die openbare omroep moet dan ook de middelen hebben om zich staande te houden binnen een steeds meer gecommercialiseerd landschap. Dat betekent ook en vooral dat de omroep autonoom, los van politieke bevoogding kan werken. Al moeten we dan ook de zekerheid hebben dat deze onafhankelijk werkt, in de meest ruime betekenis en dus eigen vooroordelen tegen of voor personen, instellingen, situaties niet opdringt. De politici moeten daar in het parlement zo weinig mogelijk interpellaties doen rond objectief media-gedrag en moeten zowel de nodige levensvoorwaarden creëren voor zowel de openbare als de commerciële sector. Het systeem dat we in Vlaanderen daarvoor hanteren, zit in principe goed in mekaar. De openbare omroep heeft een grote graad van autonomie, maar wel binnen de krijtlijnen van een beheersovereenkomst met de politieke overheid. Die beheersovereenkomst geeft aan het Vlaams parlement de mogelijkheid tot democratische beleidscontrole op onze openbare omroep. Tegelijk kan de omroep dus autonoom bepalen hoe hij zijn opdrachten het best kan uitvoeren. Dat dit lukt, blijkt uit de marktpositie die de VRT heeft kunnen verwerven. De commerciële zenders bieden nu kwaliteit aan, tegen al onze vroegere (voor)oordelen in. Ook de echte informatieprogramma’s van de commerciële omroep komen op een benijdenswaardig hoog niveau te staan. Commerciële omroepers zijn dus tot heden positief voor de evolutie van de openbare omroep. Een sterke openbare omroep is ook in het belang van de commerciële sector. Het zal die sector alert houden als het gaat om kwaliteit. Kwaliteit drijft immers altijd boven. Ik zie dat de openbare omroep en de commerciële zenders naar mekaar toegroeien op een aantal gebieden. Op die manier wordt een nieuw evenwicht gecreëerd in het mediagebeuren, dat informatie en entertainment verzoent, elk vanuit zijn eigen invalshoek. Een volledig gecommercialiseerd landschap leidt onherroepelijk tot wat in een song van Bruce Springsteen wordt omschreven als ‘fifty seven channels and nothing on’.
Bovendien heeft de politiek, naar mijn aanvoelen, een wijze beslissing genomen door in het mediadecreet ook aan de commerciële sector bepaalde kwaliteitseisen op te leggen die moeten worden vervuld om een licentie te bekomen. Het belangrijkste daarbij is de vereiste om een kwalitatief nieuwsaanbod te hebben.

Ik denk dus dat het voor de politiek in de eerste plaats een belangrijke opdracht is dit duale medialandschap, waarbij een openbare en een commerciële sector elkaar in evenwicht houden, in stand te houden en bovendien nog verder te verfijnen. Het subsidiëren en stimuleren van eigen media is daarbij opnieuw aan de orde. Economisch is dit zo, maar evenzeer vanuit opinievorming geldt dit. Dalende verkoop is niet alleen economisch een probleem bij kranten. Algemeen beschouwd kan de geschreven pers eveneens steun vanuit de overheid blijven gebruiken. Dit in combinatie met het aanwakkeren van een leescultuur is een ideale mix. Zo zouden bijvoorbeeld de laatstejaarsstudenten in het secundair onderwijs per school een aantal abonnementen van kranten en/of tijdschriften gratis moeten kunnen krijgen. Wat de nieuwe media betreft, verdient het evenzeer aanbeveling dat vanuit de overheid de zogenaamde ‘open standaarden’ worden aangemoedigd, tegen de voor de gebruiker bijzonder nefaste, want dure monopolieposities.

Dit zijn allemaal maatregelen die de diversiteit en de kwaliteit van de media verhogen, en waarbij de politiek dus een prominente rol te spelen heeft. Daarmee creëert de politiek de randvoorwaarden om ook het inhoudelijke aspect te kunnen aanpakken. We moeten dus media hebben die oog en oor hebben voor de inhoud van de politieke boodschap. Als die randvoorwaarde vervuld is, dan is het aan de politiek om die ruimte in te vullen. Dat betekent zeer concreet dat de politiek, en daarmee bedoel ik zowel de politieke partijen als de individuele politici, opnieuw oog hebben voor hun boodschap, in plaats van enkel voor de verpakking. Ik denk dat ook de journalistiek zelf vragende partij is voor het verspreiden van een inhoudelijke boodschap. Alleen moet daar van onze kant voldoende aanbod voor zijn. Wij politici moeten wel opnieuw leren politieke standpunten en maatschappelijke waarden op een verstaanbare manier naar buiten te brengen. Ik zeg daar onmiddellijk bij: op een zodanige manier naar buiten brengen dat ze optimaal gebruik maken van de eisen van het medium, zonder op de buik te gaan voor entertainment. Dat betekent kernachtig op televisie, maar evengoed onderbouwd en goed geformuleerd in de geschreven pers. En bovendien interactief, met een mogelijkheid tot directe dialoog via de nieuwe media, die daar kanalen voor hebben gecreëerd. We moeten dus afstappen van ons televisiefetisjisme en inzien dat het er niet alleen op aankomt goed in beeld te komen, maar ook om - via alle andere kanalen die ons ter beschikking staan - goed en juist te communiceren.

In de Nederlandse verkiezingscampagne is gebleken dat politiek aantrekkelijk kan zijn en best een spannende aangelegenheid. De verschillende partijen wisten zich toch te profileren op inhoudelijke standpunten, al was de manier van presenteren zeker even belangrijk in het dingen naar de gunst van de kiezer. Als er echter boodschap is, waarom focust men dan toch zo makkelijk op de verpakking? Zoeken én partijen én individuen niet te makkelijk de weg van de oppervlakkigheid? Is dat aan beide zijden niet een bewijs van armoede of onkunde?

Ik wil besluiten met een derde punt, waar de politiek een verantwoordelijkheid heeft. De politiek moet over zichzelf de juiste informatie geven. In een uiteenzetting over het thema ‘parlement en media’ op de conferentie van Europese regionale parlementen, die vorig jaar in oktober in het Vlaams Parlement werd georganiseerd, verwoordde David Steel, de voorzitter van het Schotse parlement, het als volgt:’Wij moeten de boodschap laten doordringen dat politiek niet over politici gaat, maar over het dagelijkse leven van alle burgers.’ Dat is voor Steel de belangrijkste functie van de communicatie die het parlement naar de media moet opzetten: niet de profileringsdrang van politici, maar het feit dat hetgeen in het parlement wordt besproken en beslist, iedereen aangaat.
Opvallend is dat ook Mark Elchardus dat als één van de remedies ziet om de politiek terug tot haar essentie te brengen. Elchardus zegt:’De politieke berichtgeving zou dan minder betrekking hebben op de persoonlijke en emotionele parafernalia van de politiek, meer op de mate waarin de collectief gestelde doelstellingen worden verwezenlijkt.’ Elchardus ziet dit in het kader van een parlement dat goed geïnformeerd is en op basis daarvan werkt rond het realiseren van duidelijke doelstellingen. Het betekent een parlement dat met duidelijke visies over beleid debatteert. De berichtgeving gaat dan over die visies op het bereiken van de doelstellingen die de politiek zich stelt en niet langer louter over incidenten, gekrakeel en bijkomstigheden en anekdotes.

Bij dit alles mag het duidelijk zijn dat het Vlaams Parlement zelf een veel actievere communicatiepolitiek moet voeren. De manier waarop we dat moeten doen, wordt op dit ogenblik in ons huis onderzocht. Twee zaken kan ik al onmiddellijk aangeven. Ten eerste moeten wij actief naar buiten brengen waar het parlement mee bezig is. Een website is niet genoeg. Nog te veel zaken, die erg belangrijk zijn voor de burgers, komen niet of nauwelijks in de media aan bod. We denken dat we zelf een push-beleid moeten voeren en die informatie op een bredere en ook meer aan de media aangepaste manier moeten verspreiden. In tweede instantie heeft het Vlaams Parlement een belangrijke rol te spelen in het overbrengen van de waarden van onze democratische instellingen. In dat kader heeft het Parlement, op mijn voorstel, enige tijd geleden beslist een zeer goed project over te nemen. Het gaat over het project ‘De kracht van je stem’, dat zich richt tot de schoolgaande jeugd van 12 tot 18 jaar en tot het volwassenenonderwijs. Met ‘De Kracht van je stem’ willen we in de eerste plaats vaardigheden aanreiken in verband met democratisch functioneren op school en in de maatschappij. In tweede instantie wil het project inzicht verschaffen in de wijze waarop de instellingen functioneren. Maar het mag niet bij dat ene project blijven. Wij willen dat jongeren vandaag kritisch en mondig zijn. Dat impliceert dat ze grondig geïnformeerd worden over de instellingen en de werking van de democratie. Jongeren moeten op een veel prominentere manier leren omgaan met de geschiedenis, met de maatschappij, met de politiek. Hier is een belangrijke taak weggelegd voor het onderwijs maar ook voor de politiek zelf. Immers, met het oog op een moderne en goed geïnformeerde samenleving, moet er interesse worden gewekt voor wat een op democratische leest geschoeid beleid nu precies inhoudt. Zo zouden reeds vanaf het lager onderwijs systematisch de grondbeginselen van de democratie en basiskennis van de werking van de overheid en het politieke bestel moeten worden bijgebracht. Die kennis zou kunnen bijdragen tot het ombuigen van de vaak negatieve houding van jongeren ten aanzien van minderheden. Zo’n houding duidt op een fundamenteel gebrek aan respect. Respect is een fundamentele pijler van onze samenleving. Het gaat daarbij om het waarderen van elk individu, het erkennen en respecteren van de vrijheid en van de rechten van anderen. Politiek zowel als media spelen daarin een erg belangrijke rol.

Ik wil besluiten en samenvatten wat de politiek tegenover de media in te brengen heeft. Ten eerste moeten we onze rol spelen in het scheppen van randvoorwaarden voor het bestaan van een gediversifieerd medialandschap. Ten tweede moet de politiek opnieuw leren een inhoudsvolle en tevens klare en attractieve boodschap te verspreiden, in het belang van een goede werking van de democratie. Ten derde moet het parlement als scharnier van de democratie zelf een zeer actieve rol spelen in het overbrengen van informatie over zijn eigen werking en tegelijk de ruimte geven aan educatieve projecten in het onderwijs die de werking van de democratie duidelijk maken. Dit zijn belangrijke en niet vanzelfsprekende opdrachten. Het is ook niet zeker of een voluntaristische aanpak van die opdrachten de evolutie van het medialandschap definitief ten goede kan keren. Maar in elk geval, als ons engagement verbonden wordt aan een engagement van de vertegenwoordigers van de media in Vlaanderen, om dit inhoudelijke project mee vorm te geven, dan is die trendbreuk realiseerbaar.

Norbert De Batselier
Voorzitter Vlaams Parlement

media - verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 4 tot 9