Log in

Kieswetgeving en Media

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 10 tot 13

De laatste tijd blijft in sommige kringen de kritiek op de hervorming van de kieswetgeving aanhouden. Het zou een hervorming op maat van populaire politici en media zijn ten koste van de hardwerkende dossiervretende backbenchers. De kritiek omvat hoofdzakelijk twee onderling verweven componenten: het ondemocratisch karakter van de hervorming van de kieswet en de té grote invloed van de massamedia en het daarmee gepaard gaande verschijnsel dat alléén populaire politici het mooie weer kunnen maken. De vaak eenzijdige kritiek verdient minstens een aantal nuanceringen.

5% Kiesdrempel

Het invoeren van een provinciale kiesdrempel van 5% is een vrij marginale ingreep binnen de Belgische verkiezingscontext. In de provincies Limburg en West-Vlaanderen bedroeg de effectieve kiesdrempel (dit is het percentage aan stemmen dat een partij moet behalen om 1 zetel te verwerven) voor de verkiezingen van 1995 en 1999 gemiddeld respectievelijk 7,46 en 5%.1 Dit betekent dat de wettelijke kiesdrempel van 5% geen effect heeft in deze twee provincies. In Antwerpen en Oost-Vlaanderen, met een respectievelijke effectieve kiesdrempel voor de verkiezingen van 1995 en 1999 van 3,53 en 4 % kan de kiesdrempel wel een effect hebben. Nieuwe en/of kleine partijen konden in deze twee provincies met een percentage tussen de 3 à 5% een zetel binnenhalen. Het is bovendien geen toeval dat nieuwe partijen, zoals het Vlaams Blok, eerst doorbraken in Antwerpen. Voor de periode 1981-1991 bedroeg de effectieve kiesdrempel in Antwerpen 2,69% van de stemmen.2 De wettelijke kiesdrempel zal er voor zorgen dat nieuwe en/of kleine partijen nu een draagvlak nodig hebben van tenminste 5% van de stemmen.
Met de invoering van de wettelijke kiesdrempel van 5% worden de verschillen in effectieve kiesdrempels tussen provincies rechtgetrokken. In die zin is het toegangsetiket voor nieuwe en/of kleine partijen in elke provincie hetzelfde met uitzondering van de provincie Limburg waar de wettelijke kiesdrempel geen vat krijgt op de effectieve kiesdrempel. Met de indeling in provinciale kieskringen wordt de berekeningswijze van het aantal te verdelen zetels ook enigszins aangepast waardoor Limburg in plaats van elf, twaalf zetels krijgt toegewezen. Dit betekent dat de effectieve kiesdrempel waarschijnlijk ook in Limburg wat zal zakken, maar het niveau van 5% niet zal bereiken.
Bovendien is een 5% kiesdrempel een redelijke grens die ook in andere democratische landen veelvuldig wordt toegepast. In een systeem van proportionele vertegenwoordiging is het de bedoeling dat verschillende groepen uit de samenleving vertegenwoordigd worden. Maar aan perfecte evenredige vertegenwoordiging moeten grenzen gesteld worden. Té veel partijen in het parlement komt de bestuurbaarheid niet ten goede. Het ontwerpen van een kieswetgeving is in die zin altijd een afweging tussen principes van vertegenwoordiging en principes van bestuurbaarheid.

Populaire media en andere aspecten van kieswetgeving

Voor de verdeling van zetels tussen partijen zal het verdwijnen van de kieskringen binnen de provincies weinig effect hebben.3 Het grootste gevolg van provinciale kieskringen is dat elke lijst nu in heel de provincie dezelfde kandidaten bevat.
Een vaak geuite commentaar op de provinciale kieskringen is dat zij de kloof tussen mandataris en burger zou vergroten en dat politici afhankelijker worden van de massamedia. Nog een stapje verder zijn diegene die menen dat alleen nog maar populaire en bekende politici verkozen zullen geraken. De op de achtergrond hardwerkende dossierkenner zou geen schijn van kans meer maken. Dezelfde kritiek wordt geformuleerd ten aanzien van de halvering van de lijststem.
Het logisch gevolg van de halvering van de lijststem is dat een deel van de macht van partijen verschuift naar de kiezer. Voorkeurstemmen worden belangrijker. Of anders uitgedrukt: iemand die niet bovenaan de lijst staat, kan, zij het weliswaar niet zonder moeite, verkozen geraken. Natuurlijk zal deze hervorming effect hebben op het communicatief handelen van politici en zal de invloed van de massamedia groter worden. De intrapartijconcurrentie zal niet beperkt blijven tot een strijd om een goede plaats op de lijst, maar zal een vervolg kennen in de campagne. Toch moet de vaak eenzijdige kritiek minstens genuanceerd worden.

Ten eerste wordt er nogal makkelijk vanuit gegaan dat die politici die nooit in de media verschijnen hardwerkende dossiervreters zijn. En het omgekeerde wordt dan impliciet gesuggereerd, namelijk, dat de bekende, vaak in de massamedia verschijnende politici gekenmerkt worden door oppervlakkigheden. Beide veronderstellingen kunnen sterk in twijfel worden getrokken. Het valt inderdaad te betwijfelen of alle op de achtergrond werkende vertegenwoordigers van partijen inderdaad zo’n belangrijke dossierkenners zijn. Het volstaat om te vragen aan diegene die dagdagelijks met politiek bezig zijn een opsomming te geven van alle parlementsleden. Of iets makkelijker: een opsomming te laten geven van alle parlementsleden van zijn of haar partijvoorkeur met de respectievelijke dossiers waarmee zij bezig zijn. Is het argument van de hardwerkende backbencher in sommige gevallen geen alibi? Stel dat deze suggestieve vraag uitgaat van een foute veronderstelling, dan bestaat er nog het systeem van opvolgers. Met dit systeem kunnen partijen mensen binnenbrengen die in het parlement in alle stilte op de achtergrond belangrijk wetgevend werk verrichten. Het systeem van opvolgers biedt partijen bovendien de kans om jong, onbekend politiek talent te laten zetelen. Kortweg: wat critici vrezen, namelijk dat de invloed op de keuze van kandidaten verschuift van partijen naar de massamedia wordt enigszins gecompenseerd door het systeem van opvolgers. Misschien dient het systeem van opvolging en kandidaatstelling wat ingeperkt te worden. Deze discussie zal ongetwijfeld gevoerd worden bij de op stapel staande hervorming van Kamer en Senaat.
Daarmee is niet gezegd dat alle bekende politici bekwame politici zijn. Maar ze zijn wel in zekere zin kwetsbaarder. De bekende politicus die zijn dossiers niét kent, inhoudelijk niets voorstelt, valt vroeg of laat door de mand. Niet zozeer omdat hij afgaat in deze populaire media, maar omdat hij aandacht trekt voor zijn standpunten en als gevolg daarvan ook door meer burgers wordt beoordeeld en in andere meer kritische media en fora zijn standpunten verder zal moeten uiteenzetten.

Ten tweede heeft de omvorming naar provinciale kieskringen als belangrijk voordeel dat kandidaten met een groter potentieel van kiezers rekening moeten houden.We kunnen veronderstellen dat het belang van bepaalde particulier geografisch geconcentreerde problemen minder zullen doorwegen in de nationale politiek. Vertegenwoordigers in het federaal parlement moeten niet deze particuliere belangen (tenzij ze symbool staan voor een algemeen probleem) behartigen, maar het algemeen belang. De uitbreiding naar provinciale kieskringen impliceert dat elke mandataris op z’n minst provinciale belangen in overweging moet nemen. Dit betekent niet dat lokale politiek niet meer relevant zou zijn. Integendeel, de lokale inzet strekt zich nu uit over heel de provincie. Bovendien zorgt een lokale verankering voor een zekere stabiliteit in de partij- en voorkeurstemmen.

Ten derde kan men zich niet van de indruk ontdoen dat de kritiek op populaire politici en de populaire media in essentie een discussie is over de intrapartijmachtsverhoudingen. Namelijk wie is het populairst (uitgedrukt in stemmen) onder de politici van dezelfde partij. Voor de toppolitici zal het aantal opgeleverde voorkeurstemmen het machtsevenwicht bepalen. Voor de anderen is het belangrijk om verkozen te geraken en eventueel door te breken. Zoals gezegd, met de halvering van de lijststem worden voorkeurstemmen belangrijker en deze hangen samen met persoonlijke bekendheid, die men het gemakkelijkste verwerft via de massamedia. Dit betekent dat individuele politici door hun bekendheid en voorkeurstemmen soms de volgorde van de partij kunnen doorbreken. In wezen komt dit er op neer dat buiten de selectie en de plaats van de kandidaat, de partij iets minder invloed krijgt op wie effectief een mandaat voor de partij zal uitoefenen. Met andere woorden, de interne concurrentie wordt nu niet meer beslecht binnen de partij met een finalisering van de plaats op de lijst, maar kent ook een externe component, namelijk via de campagne, media en uiteindelijk de kiezer. De minder populaire goden én hun entourage hebben hier uiteraard het meest te verliezen. Hun argumenten zijn echter vaak gebaseerd op afgunst en zelfbehoud. Wie bekend en eventueel populair is lijkt voor hen per definitie een populist en minder capabel. Subjectieve persoonlijke voorkeuren en invloedssferen van de entourage lijken deze discussie soms te versterken. De indruk wordt gewekt dat sommige een speciaal ontworpen IQ-test voor politici willen invoeren en op basis daarvan het parlement willen samenstellen.

Ten vierde bestaan er verschillende soorten massamedia en als we ons beperken tot televisie, dan bestaat er een grote variatie aan programma’s. De grootste kritiek krijgt het optreden van politici in de zogenaamde infotainmentprogramma’s. De luchtige sfeer overheerst in deze programma’s, maar het neemt niet weg dat er informatie/standpunten, zij het weliswaar zeer bondig, kunnen overgebracht worden. En hierin ligt ook de sterkte van deze programma’s. Minachting hebben voor optredens van politici in deze programma’s getuigt van elitaire navelstaarderij. Wie professioneel met politiek bezig is, of wie een sterke interesse heeft voor politiek zal natuurlijk deze programma’s niet echt bevredigend vinden. Geen nood, er zijn nog andere informatiekanalen beschikbaar. Maar voor wie niet de tijd of interesse heeft om na een dag werken zich ‘correct’ politiek te informeren, zijn deze zogenaamde infotainmentprogramma’s vaak de enige band met de politieke wereld.

Ten vijfde is communicatie een essentieel onderdeel van het politiek bedrijf. Het behoort tot één van de vaardigheden die essentieel zijn voor een goed politicus. Communicatie is essentieel in het verwerven van een draagvlak voor een partijprogramma en beleidsmaatregelen. Deze communicatie verloopt via allerlei kanalen zoals partijvergaderingen, partijbladen, toespraken, overleg met verenigingen, belangengroeperingen en experts, kranten, tv-journaals en ja, ook via verschillende populaire tv-programma’s. Er is niets fout met het verwoorden van de essentie van een beleid, een programma, een visie in een oneliner of in zeer korte bewoordingen. Belangrijk hierbij is dat wat gezegd wordt, ook overeenstemt met de (perceptie van de) werkelijkheid. Die werkelijkheid wordt onder andere gecreëerd door een meer uitgebreid partijprogramma, het beleid dat men heeft gerealiseerd of wil realiseren, de diepgaandere analyse in krantenartikels en duidingsprogramma’s, etc… Het voor de zogenaamde populaire media opnemen sluit niet uit dat men tegelijkertijd kan pleiten voor een versterking van meer kritische informatiebronnen. Zo moeten journalisten bij kranten voldoende tijd krijgen om de werkelijkheid bloot te leggen, om met andere woorden zich op een onafhankelijke manier in dossiers en beleidsmaatregelen te verdiepen.
De grootste vergissing die gemaakt kan worden is te stellen dat een beleidsmaatregel/visie niet in een slagzin kan of mag gevat worden. Het essentiële van het bijkomstige onderscheiden en het essentiële duidelijk meedelen, is fundamenteel in het verwerven van een draagvlak voor politiek handelen. In warrige visies en maatregelen valt vaak ook de essentie niet te bespeuren omdat ze dikwijls ook niet aanwezig is. Maar ook voor de zogenaamde gemakkelijke communicatie is overeenstemming met de werkelijkheid fundamenteel. Of anders uitgedrukt: ook de populaire communicatie moet, hoe ‘eenvoudig’ ook, overeenkomen met het werkelijke programma, de feitelijke beleidsmaatregel, de ontwikkelde visie. Anders gaat men vroeg of laat op zijn bek.

Patrick Vander Weyden
Assistent Politieke Wetenschappen K.U.Brussel en ISPO - K.U.Leuven

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ De verklaring voor deze verschillen in effectieve kiesdrempel ligt in de verschillende bevolkingsaantallen per provincie en het daarmee samenhangende aantal te verdelen zetels per provincie.
2/ Vander Weyden, P., ‘Disproportionaliteit van het Belgische Kiessysteem’. Brussel. IPSoM-Bulletin 2001/6.
3/ Vander Weyden, P., ‘Het Belgische Kiessysteem: de klassieke en alternatieve methode D’Hondt’. In: Res Publica. 2001. XLIII (4), p. 595-617.

media - media en politiek - kieswetgeving

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 10 tot 13