Abonneer Log in

'Leve de globalisering'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 52 tot 54

Leve de globalisering

Johan Norberg
Houtekiet, Antwerp/Adam, 2002

Plots valt een Zweedse historicus uit de lucht. Een interview in Knack leidt de uitgave in van een vertaling, dat hij vorig jaar in het Engels schreef. In de aanloop van een groot debat over globalisering in Gent komen er wat krantenartikels en op het debat zelf speelt hij een vooraanstaande rol. En men gaat denken dat hij wel belangrijk moet zijn. Of hoe de media iemand in de aandacht loodsen. Hij heeft een voordeel: hij is duidelijk. Hij is een zeer consequente liberaal, zoals men ze vandaag niet veel meer tegenkomt. Verhofstadt is zijn wilde haren kwijt en probeert de anderglobalisten zoveel mogelijk op te vrijen. Soms twijfelt men eraan of hij nu wel zo liberaal is, al herinnert de praktijk van zijn minister Annemie Neyts iedereen daar regelmatig aan. Hijzelf kleurt zijn liberalisme op internationaal vlak zo erg sociaal, dat die kleur toch wel heel nauw die van de socialisten benadert. En dan komt zo’n nieuwe jonge liberaal. Net geen dertig is hij. In zijn scholierentijd was hij anarchist. Vandaag begrijpt hij de waarde van de representatieve democratie, maar hij vertrekt nog altijd van dezelfde fundamentele drang naar vrijheid. Hij vindt globalisering prachtig. Deze heeft juist geen centrale controlerende instantie meer nodig: ‘Er zit niemand achter het stuur, omdat iedereen zijn eigen weg gaat.’ (12). Wat volgt is een vurig pleidooi voor een totaal vrije markt, een overdaad aan vrijheid zoals hij het uitdrukt. Hij illustreert met veel statistieken de voordelen van het kapitalisme. Ik ga op zijn cijfers niet in, maar waarschuw de lezer toch voor een zeer los gebruik van gemiddelden. Je weet wel: in een rivier van gemiddeld 1 meter diepte kun je makkelijk verdrinken! Ik wil mij concentreren op zijn uitgangspunten.

Niet rijkdom, maar armoede is het probleem
Het doet er volgens Norberg absoluut niet toe dat de rijken rijker zouden geworden zijn. Het kan geen probleem zijn dat iemand het beter heeft dan ikzelf, op voorwaarde dat ik het zelf goed heb. Niet rijkdom, maar armoede is een probleem. Zelfs als de kloof tussen rijken en armen groter geworden zou zijn is dat niet erg, op voorwaarde dat de armen toch wat minder arm werden. Ik wil nog proberen in deze redenering te komen, maar een arme die slechts een ietsepietsje minder arm wordt, kan daar toch geen boodschap aan hebben. Stel dat zijn inkomen verdubbelt, zeg maar van 1 naar 2 dollar, dan kan je daar toch geen echte vooruitgang in zien? Je zou dit nog kunnen vinden indien hij met zijn hoger inkomen alles zou kunnen kopen wat hij nodig heeft - en Norberg doet ook alsof dit veelal het geval zou zijn - maar iedereen die naar de reële koopkracht van de mensen in de Derde Wereld kijkt, weet dat dit zeker niet waar is. Rijkdom is wel degelijk een probleem als de positie van de rijke verhindert dat de arme echt vooruitgaat. Norberg ontkent dit. Hij vindt het helemaal niet juist dat de rijken de hulpbronnen van de armen opsouperen. Weliswaar gebruikt 20 procent van de wereldbevolking 80 procent van de hulpbronnen, maar die 20 procent produceert die ook. Ze zijn van hen! De 80 procent mensen die het met 20 twintig procent van de hulpgoederen moet doen, moet gewoon meer produceren. Nou zeg! Op zijn minst een deel van de welvaart van de 20 procent rijken is gebaseerd op goedkope grondstoffen en arbeidskrachten. Op zijn minst een deel van de productie schuift een belangrijk stuk van de factuur voor milieukosten door naar de Derde Wereld en naar toekomstige generaties! Norberg ontkent niet dat de rijke landen hun eigen markten met invoerrechten afschermen, dat zij in de feiten nog sterk protectionistisch zijn. Hij zou toch ook moeten aanvaarden dat de rijkdom daardoor wel minstens gedeeltelijk ten koste van de armen vergaard wordt.

In een vrije markt wint iedereen
In het kapitalisme is niemand onderworpen aan dwang van buitenaf. Om tot een akkoord te komen moet iedereen eraan winnen. Dat betekent gewoon dat de grootste inkomens de meeste inspanningen doen om anderen te geven wat ze willen. Bill Gates en Madonna hebben ongelooflijk veel geld, maar ze hebben het eerlijk verdiend. Eigenlijk zijn ze dienaars, dit wil zeggen dat ze aanbieden wat anderen nodig hebben en waarvoor ze willen betalen. ‘Het alternatief is een overheid die onze middelen in beslag neemt en beslist welk type gedrag ze zullen aanmoedigen’ (57). Overdreven belastingen en uitkeringen zijn slecht voor de motivatie. Over het geld dat je verdiend hebt, moet je zelf kunnen beslissen. Het moet mogelijk zijn met je middelen op de langere termijn te denken. Vandaar het belang van regels die de wettelijke eigendom bepalen. Ook het liberale kapitalisme heeft inderdaad regels nodig. Alleen zijn er ook regels die de vrijemarkteconomie buitenspel zetten, waardoor bedrijven een deel van hun tijd moeten besteden in het omzeilen ervan! Norberg schrijft het inderdaad zonder schaamte: regels die als hinderlijk ervaren worden moet je maar omzeilen. Het is tijdverlies, maar het kan niet anders. Eigenlijk vindt hij alleen eigendomregels aanvaardbaar, alle andere beknotten de vrijheid. Ik geloof niet dat veel bedrijfsleiders vandaag zo ver durven gaan. Ze zullen discussiëren over een aantal regels, maar ze zullen niet in vraag stellen dat de samenleving op zijn minst een aantal randvoorwaarden moet bepalen waarbinnen ze hun bedrijf mogen runnen. Voor hen is het belangrijkste dat de regels voor iedereen gelden en dat ze ook niet om de haverklap veranderen. De totale vrijheid waar Norberg van droomt zou ondernemen gewoon onmogelijk maken. En dan wil ik wel mijn zakdoek bovenhalen bij de passage over Gates en Madonna, maar het blijft goedkope sofistiek. Natuurlijk wint de werknemer in een vrijhandelszone ook iets. Hij verdient tenminste iets of zelfs iets meer dan in een plaatselijk bedrijfje. Maar als dat hem of haar niet toelaat om op een menswaardige wijze te leven, kan men hem of haar niet troosten met de gedachte dat zijn baas hem of haar per slot van rekening werk geeft en daarom zijn miljoenen zonder gewetenswroeging mag opstrijken. Misschien is in het kapitalisme iedereen vrij. Overigens had reeds Marx door dat dit een basisvoorwaarde was: de arbeider mag niets te verkopen hebben dan zijn arbeidskracht. Maar de vrijheid van de een is niet gelijk aan de vrijheid van de ander. Je kunt gewoon niet volhouden dat alle partijen even sterk zijn.

Gelijke kansen, ongelijke resultaten
Maar goed, Norberg is voor gelijkheid: ‘In een erg arme maatschappij is er weliswaar enige ongelijkheid nodig zodat tenminste iemand kan beginnen sparen en investeren, maar vele onderzoeken hebben al aangetoond dat maatschappijen met een grote mate van gelijkheid gemiddeld een grotere economische groei voortbrengen dan ongelijke maatschappijen …’ (74). Ongelijkheid leidt tot conflicten, of voedt de roep tot hogere belastingen met het oog op herverdeling. Wie dan denkt dat hij toch nog voor een sociaal beleid zal pleiten, vergist zich. Want gelijkheid betekent alleen maar gelijkheid van kansen, niet van resultaten. Iedereen moet in zijn visie een soort ‘basispakket’ krijgen (een stuk land, een opleiding), een minimum aantal kansen. Daarna heeft iedereen de vrijheid om daarmee te doen wat hij wil . Dat zou sociale doorstroming garanderen en leiden tot meer welvaart. Wie het met andere woorden niet haalt moet de verantwoordelijkheid alleen bij zichzelf leggen. Hij of zij heeft zijn kansen niet benut. Zo simpel is het in de ogen van Norberg. Zelfs in de welvarende landen is er echter op verre na nog geen gelijkheid van kansen, tenzij men dit inderdaad heel minimaal formuleert. Dat moet toch het simpele bewijs leveren dat de vrije markt er niet vanzelf voor zorgt! Ook op wereldniveau kan men de lat zo laag leggen dat het probleem erdoor lijkt te verdwijnen. Men richt zijn aandacht dan naar de allerarmsten en vermijdt iedere discussie over een herverdeling van de rijkdom. In haar boek Globalisering en armoede heeft Francine Mestrum heel overtuigend aangetoond dat achter het armoedediscours van internationale instellingen een strategie verborgen is: bestrijden van de armoede als legitimering van een mondiale economie, die in praktijk ongelijkheid veroorzaakt.

Vrije handel is eerlijke handel
‘Maar vrije handel is van nature eerlijk, omdat hij gebaseerd is op vrijwillige samenwerking en uitwisseling’ (103). Invoerrechten en quota’s beperken de vrijheid. Vrije handel zorgt ervoor dat goederen en diensten gemaakt en geleverd worden door wie er het best in is. Vrije handel laat toe dat die goederen en diensten verkocht worden aan wie ervoor wil betalen. Als je van dit principe uitgaat win je bij het handeldrijven altijd, ook als je dingen van mindere kwaliteit levert. Je moet alleen maar de beste zijn in verhouding tot iemand anders. Men noemt dit het comparatief voordeel. Het betekent dat het absoluut niet nodig is dat landen zelfvoorzienend zijn. Ze moeten alleen dat produceren waarin ze het beste zijn (bijvoorbeeld omdat ze laagste lonen hebben). Met de opbrengst kunnen ze producten invoeren waarin ze minder goed zijn. Goedkopere goederen importeren komt neer op een besparing die weer kan geïnvesteerd worden in nieuwe industrieën en arbeidsplaatsen. Daarom moet de handel vrij zijn en moet bijvoorbeeld de Europese Unie zo vlug mogelijk het belasting- en quotasyteem ontmantelen, ook als andere landen dat niet doen. Ook maatregelen tegen dumping zijn schadelijk. Antidumpingmaatregelen zijn in werkelijkheid verborgen protectionistische regels! Hier vinden we de kern van het liberalisme van Norberg. Hier toont hij hoe hij in de negentiende eeuw is blijven steken. Vrije handel is gebaseerd op vrijwillige samenwerking en het komt erop aan te doen waar je goed in bent. In elk geval is het in een mondiale economie in praktijk moeilijk om van een ander comparatief voordeel te spreken dan de lonen. En als dat het voordeel is, wordt het voor een land dodelijk als de lonen stijgen. De theorie van het comparatief voordeel impliceert met andere woorden dat een land juist zijn welvaart niet kan laten groeien. De theorie klopt niet met de stelling dat vrije handel automatisch tot meer welvaart leidt. En we zien dan ook delokalisatiebewegingen tussen de zogenaamde lage loonlanden, op ogenblikken dat lonen effectief beginnen te stijgen. Maar eigenlijk is dat niet de essentie: het gaat erom dat er van weinig vrijwilligheid en eerlijkheid sprake kan zijn in het geval van de boeren die koffie telen of op bananenplantages werken. Toch is het dit wat Norberg denkt: ‘Ook al moet je een baan aannemen om te overleven, dan nog heeft je werkgever je daar niet toe gedwongen, en hij heeft je situatie ook niet erger gemaakt’ (196). Vandaar dat hij er geen graten in ziet om zaken te doen met bedrijven die het niet zo nauw nemen met de arbeidsomstandigheden. Sociale clausules en labels verhinderen volgens hem dat een concurrentieel voordeel uitgespeeld wordt en verdoezelen dat de lonen automatisch stijgen als de arbeid in waarde stijgt.

Ik heb Johan Norberg een consequente liberaal genoemd. Hij is ervan overtuigd dat het volstaat de markt zo vrij mogelijk te organiseren opdat op termijn iedereen er wel zal bij varen. Hij blijft blind geloven in de onzichtbare hand van Adam Smith. Hoewel hij historicus is beseft hij niet hoe het kapitalisme in de loop van zijn geschiedenis aan regels onderworpen werd en hoe die regels bepalend geweest zijn voor de uitbouw van de welvaartsstaat. Norberg citeert met instemming Jospin die geen markteconomie, maar een marktsamenleving wilde. Hij denkt echter dat die automatisch zal ontstaan, terwijl Jospin overtuigd was dat de politiek een rol te spelen heeft in het bepalen van de voorwaarden voor die marktsamenleving. De centrale idee van Norberg is: in het kapitalisme is er geen centrale sturing nodig. Geen weldenkend mens pleit vandaag nog voor een centralistische planning. Maar wie wil dat de economie in dienst van de mensen ontwikkeld wordt, kan zich niet aan de economie overgeven. Een mondiale economie veronderstelt een mondiale politiek. Deze moet op een mondiaal niveau regels opleggen. Norberg is kwaad op de andersglobalisten, die over de vrije markt alleen maar nonsens vertellen. Deze zullen in hem in elk geval een makkelijker vijand vinden dan in de zogenaamde sociale liberalen. Deze bezorgen hen het schuim op de lippen door zich gewoon van hun eigen jargon te bedienen. Zijn de sociale liberalen in hun diepste gedachten vrijheidsstrijders van de markt? Ik hoorde Verhofstadt tegen Norberg zeggen: zo heb ik ook gedacht, maar ondertussen heb ik geleerd dat er ook nog een realiteit is. Laten we het hopen. Als dit waar is, zal ook Norberg wel ouder en wijzer worden. Maar het zou hem helpen als de media hem met zijn voeten op de grond laten.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 3 (maart), pagina 52 tot 54