Abonneer Log in

De jacht op de perceptie

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 5 (mei), pagina 14 tot 18

It is as if everyone voted by chance, or monkeys voted… At this point it makes no difference at all what the parties in power are expressing historically and socially. It is necessary even that they represent nothing: the fascination of the game, the polls, the formal and statistical compulsion of the game is all the greater.
(Beaudrillard 1983c: 132)

De wereld is in een situatie terechtgekomen waarin niemand nog weet waar we mee bezig zijn. Er is geen taal die accuraat kan beschrijven wat er aan de hand is. Is er ook maar iemand die een goed idee heeft, laat staan een goede theorie van wat vandaag gebeurt? We hebben een paar snelle antwoorden - ‘informatiemaatschappij’, ‘postmoderne samenleving’, en zoverder. Maar ik zie een algehele perplexiteit. Wie heeft er vandaag een langetermijnvisie?
We zijn langzaam verzeild geraakt in de ‘postpolitiek’, het idee dat de grote ideologische gevechten achter de rug zijn. Hoe zien we vandaag de politiek? Ofwel als culturele twisten - abortus, ja of nee - ofwel als catastrofes: de derde wereld, het etnische geweld. Ik denk dat we nu de prijs betalen voor het opgeven van de echte politieke strijd. De link tussen politiek en geweld is overduidelijk. Veel mensen vragen zich af waarom het neoracisme of het neofundamentalisme voortkomt uit de lagere klassen. Volgens mij komt dat door het verdwijnen van een publieke ruimte voor debat. Tragisch genoeg wordt het protest van de arbeiders enkel nog in de gedaante van racistische uitspattingen geregistreerd. Het echte probleem is de neutralisering van de politiek, het idee dat we in een postideologisch tijdperk leven. In die zin ben ik voor een gewelddadige strijd - maar het geweld hoeft niet noodzakelijk fysiek te zijn. (Slavoj Zizek)

Zijn we terechtgekomen in een postideologisch tijdperk? Is de echte politieke strijd gestreden? Sloveense cultuurfilosoof, filmcriticus, psychoanalyticus en ex-presidentskandidaat Savoj Zizek denkt van wel. Ook in het boek Ik stel vast van Jan Blommaert vinden we deze redenering deels terug. ‘Welke goederen kan een hedendaagse regering nog verdelen? Welke verregaande economische maatregelen kan ze nog nemen? Welke kans heeft ze dat een volkomen vernieuwend maatschappijproject met succes gerealiseerd kan worden? Het antwoord op al deze vragen is ontluisterend: een hedendaagse regering in een staat zoals de onze heeft slechts een beperkte actieradius. Bij gebrek aan harde macht worden symbolische en discursieve strijd steeds belangrijker. Gedragsmatige details, imago, taalgebruik worden de inzet van verhitte debatten en bepalen beslissingen.’ (Blommaert, 2001: 10-12) Wint verpakking het op inhoud? Zijn de media - vooral de audiovisuele - de oorzaak voor een groeiend belang aan communicatie en verpakking? Verglijden we tot een dramademocratie? Kortom, wordt er een groter belang gehecht aan beeldvorming en perceptie?

Postideologisch tijdperk

De verzuiling lijkt voorbij te zijn, maar de vraag blijft of daarmee ook de ideologie tot het verleden behoort. Volgens VUB-professor Mark Elchardus zijn we terechtgekomen in wat hij noemt ‘een symbolische samenleving’. Daarin boeten vertrouwde, controlerende instellingen zoals geloof, sociale bewegingen (of zuilen) en gezin aan invloed in. Ze ruimen plaats voor het individualisme - het geloof dat we zelf vrij kiezen en daarin ook nog origineel zijn - dat inherent is aan ons hedendaags zelfbeeld. ‘Maar,’ gaat Elchardus verder, ‘de stelling dat individualisering de tanende invloed van ideologie, kerk, zuil en beweging verklaart, is niet alleen verkeerd, maar ook verhullend en verlammend. Het is ontegensprekelijk juist dat het gezag en de invloed van de traditionele controlerende instellingen is afgezwakt, maar het is ronduit verkeerd daaruit te besluiten dat individuele beslissingen in de plaats zijn gekomen. De vraag naar nieuwe controlerende instellingen, die de rol van de traditionele hebben overgenomen, wordt door de aanhangers van de individualiseringsthese niet gesteld.’ Met andere woorden, de burger is niet in staat om de veelheid aan informatie waaraan hij dagelijks wordt blootgesteld zelf binnen het juiste kader te plaatsen. Na de herwonnen ideologische vrijheid volgt dus een nieuwe zoektocht naar ethische leiding, naar normen en waarden. Het is balanceren op een slap koord: enerzijds wil de burger de greep op het eigen leven niet verliezen, maar anderzijds heeft hij guidance nodig om alles in het juiste perspectief te zien. Dan blijft de vraag: door wie laat de burger zich leiden?

Elchardus voerde in samenwerking met Wendy Smiths een onderzoek naar het vertrouwen van de Vlamingen in politiek, overheid en instellingen. Daaruit bleek dat mensen in onze samenleving weinig vertrouwen hebben in allerhande instellingen en vertegenwoordigers, en nagenoeg geen vertrouwen in politiek, politici en overheid. Het vertrouwen in de politiek is in België het laagst, op Italië na. Ook de politieke partijen genieten geen vertrouwen. Het aantal Vlamingen dat vertrouwen heeft in politieke partijen dook in 1997 onder de tien procent en bereikte in 1998 een ongekende diepte van 4%. Het wantrouwen wordt met andere woorden afgewenteld op de vertegenwoordigers. De analyse moet echter worden aangevuld met de conclusies uit de thesis van Michiel Nuytemans, student politieke wetenschappen aan de Universiteit Antwerpen. Daaruit blijkt dat het vertrouwen in de regering Verhofstadt groter is dan het vertrouwen in de regering Dehaene. Nuytemans vond hiervoor een economische verklaring, maar ook de communicatieverschillen tussen de beide premiers en hun regeringen spelen blijkbaar een belangrijke rol. In mindere mate speelde ook het beleid mee en het feit dat de regering Verhofstadt nieuw was. Het vertrouwen van de Belg in de regering Verhofstadt is groot, vergeleken met het vertrouwen in de vorige regeringen. Bovendien blijkt het communicatiebeleid van een regering geen verwaarloosbaar element, integendeel: het versterkt het vertrouwen in het beleid. Maar dat de Belg wantrouwig is, blijkt niet enkel uit het onderzoek van Elchardus. Andere tekenen aan de wand zijn het opduiken van termen als ‘verzuring’ of de mate waarin het veiligheidsthema naar voren geschoven wordt. Toch heeft zelfs een wantrouwige Belg nog steeds nood aan structuur, aan een kader om de werkelijkheid in te plaatsen zodat hij tussen de bomen het bos blijft zien. Verrekijker van dienst zijn de media.

De journalist als pastoor

Het ideologisch kader maakte het leven doorzichtig en makkelijk: je had zuilen, verenigingen en nevenorganisaties. Het behoren tot een groep stimuleerde meteen ook het groepsgevoel. Bovendien had elke zuil een uitgesproken mening over elk maatschappelijk probleem dat opdook in de samenleving. Vandaag beroept de burger zich op het middenveld voor de dienstverlening en minder voor de ideologie. Ouders sturen hun kinderen naar het katholiek onderwijs omwille van de kwaliteit die ze ervan verwachten. Het christelijke speelt geen doorslaggevende rol meer. Het middenveld is er dus nog, maar weegt veel minder op de opinies. Door de ontzuiling is het maatschappelijk kader weggevallen en zoekt de burger naar Ersatz bij al wie structuur en zin kan geven aan al wat er boven en rondom hem gebeurt. Vaak komt hij dan bij de media terecht, maar net zo goed kan de leider van een jeugdbeweging die rol vervullen, of krijg je goeroes en profeten die een enorme aanhang ontwikkelen. Daar de media de meeste middelen hebben om de publieke opinie te bespelen, hebben ze in zekere mate de rol van de kerk overgenomen. ‘De journalist als pastoor’: het zijn woorden van Luc van der Kelen, chef politiek van Het Laatste Nieuws. Als commentaarschrijver van de meest gelezen krant in Vlaanderen weet hij waarover hij spreekt wanneer hij zegt dat de impact van een opiniestuk te gek is voor woorden. Niet alleen burgers vormen zich een mening op basis van een commentaarstuk. Politici neigen zelfs opiniestukken om te zetten in beleid. Zo schreef Van der Kelen in een commentaarstuk dat 70km/u de aangewezen snelheid was op gewestwegen. Diezelfde middag belde Vlaams minister van Mobiliteit Steve Stevaert (sp.a) hem op om te zeggen dat hij zijn mening deelde en dat hij het voorstel gelanceerd had in het parlement. Van der Kelen omschrijft het als een beangstigend fenomeen dat hem ertoe brengt om soms bewust niet over bepaalde onderwerpen te schrijven: ‘Als ze niet weten wat mijn mening is over het onderwerp, dan kunnen ze er ook geen rekening mee houden.’ Ook Yves Desmet heeft het over de invloed van de commentaarschrijver in het boek van Annick Vansevenant De kracht van de macht. ‘Opiniestukken kunnen rechtstreeks beïnvloeden. Ik ontken dat niet. Als je een commentaar schrijft, dan is het niet vreemd om een telefoontje van een politieke partij te krijgen, of reacties van lezers. Onlangs schreef ik een essay waarin ik zei dat het tijd wordt dat progressief Vlaanderen het taboe rond veiligheid laat vallen en wil toegeven dat niet alle allochtonen lieverdjes zijn. Als de dag daarop een postzak vol commentaar toekomt dan weet je dat er een snaar geraakt is. Je hebt een ader aangeboord en die ader verleent je macht.’ De huidige maatschappij heeft behoefte aan meningen, dat blijkt ook uit het grote aanbod opiniestukken in kranten als De Morgen en De Standaard. Maar ook op radio en televisie komen meningen uitgebreid aan bod. Neem nu de controversiële uitspraak van een Gentse rechter na de dood van twee tieners in het verkeer. De rechter stelde dat niet alleen de bestuurder van de wagen schuld trof, maar dat ook de meisjes onvoorzichtig waren geweest. Het item werd uitgebreid belicht in de media. Op radiozender 4FM kwamen achtereenvolgens, onderzoeker Jan Pauwels van de KULeuven en de voorzitter van het centrum voor verongelukte kinderen aan het woord. Daarna werd de ether vrijgemaakt voor een reactie van journalisten Walter Pauli van De Morgen en Guy Tegenbos van De Standaard. Toegegeven, Pauli en Tegenbos zijn ervaren journalisten, maar wat is de meerwaarde van hun mening voor de luisteraar? Opnieuw citeer ik Desmet: ‘Hoe mensen een opinie lezen, die opinie gaan napraten en hoe die opinie daardoor aan invloed wint. Dat soort kopiërend gedrag komt vaak voor. Je voelt dat mensen elkaar napraten. Sommige meningen worden daardoor vanzelfsprekend terwijl ze uiteindelijk slechts een individuele mening zijn’ (Vansevenant, 2002, p187). Binnen onze complexe maatschappij hebben mensen blijkbaar behoefte aan een vrij klein, beperkt kader waarbinnen ze de zaken kunnen plaatsen. Niet alleen de geschreven pers voedt de burger met opinies, de beeldpers overstelpt de burger met nog krachtiger signalen: beelden. Een groeiend aantal mensen beroept zich enkel nog op de beeldbuis voor politieke en maatschappelijke informatie. Gemiddeld brengt een volwassen mens in Vlaanderen wekelijks tussen de 17 en de 20 uur voor de buis door. En ook programmamakers weten meningen naar waarde te schatten. In het VTM-programma Recht van Antwoord worden conflicten op tv beslecht. Telkens zijn er drie ‘wijzen’ uit het politieke, journalistieke en wetenschappelijke speelveld die met hun oordeel soelaas moeten brengen. Maar wat krijgt de kijker via zijn beeldbuis te zien: het leven zoals het is, of het leven zoals het gemaakt wordt door programmamakers? Zelfs het journaal is een afspiegeling van datgene wat de nieuwsdienst die dag selecteerde uit het rijke nieuwsaanbod. Bovendien zit alle nieuws gebald in items van anderhalve minuut. Toch is de impact van het bewegende beeld groot. Wat gelezen en gehoord werd, kan niet op tegen wat ‘met de eigen ogen’ gezien wordt. De kijker heeft de indruk dat hij in real time bij de voorstelling of het drama aanwezig was, waardoor hij het gebeuren makkelijk als ‘echt’ klasseert. Elchardus ziet hierin een verschuiving van de vertegenwoordigende democratie naar een dramademocratie. Waarin onze maatschappij zich via de media voorstelt, zich in de voorstelling herkent en zich daarenboven ook nog vormgeeft via de commentaren op die voorstelling.

Media aan de macht

Niet enkel de burger, maar ook de politicus lijkt reddeloos rond te zwalpen op de maatschappelijke golven en grijpt elk stuk wrakhout aan om ideologie uit te putten. Blijkbaar hebben politici pas een mening nadat de commentaarschrijvers hun mening op papier hebben gezet. Luc van der Kelen vertelde in De Zevende Dag dat er geen plek was in zijn huis - het toilet inbegrepen - waar de premier hem nog niet gebeld had. Aanvankelijk telefoneerde de premier wel eens uit woede om een negatief commentaarstuk, maar later heeft hij zich eerder beperkt tot het vragen van een mening. Een negatief opiniestuk durft de sfeer op een ministerieel kabinet al eens te verzuren. Natuurlijk laat de ene politicus zich makkelijker meeslepen door negatief commentaar aan zijn/haar adres dan de andere, maar alles wijst erop dat de invloed van de media binnen de politiek fors gestegen is. Volgens ex-premier Jean-Luc Dehaene is de invloed merkbaar groter dan tijdens de vorige legislatuur. Doordat de media en vooral de kranten ontzuilden zijn ze grosso modo onafhankelijker dan vroeger. Politieke tussenkomst wordt niet meer geduld en de journalist bepaalt nu voor een groot stuk zelf zijn agenda. Politieke druk werd geruild voor commerciële druk en hierdoor werd ook de druk op de politicus opgevoerd. De tijdspanne waarin een politicus zijn ‘ei’ kwijt moet, wordt steeds korter. De uitspraken moeten steeds kernachtiger, het liefst met enkele leuke oneliners tussendoor. ‘Het probleem is hierbij dat het moeilijk is om in 16 seconden een genuanceerd standpunt naar voren te brengen,’ aldus CD&V-woordvoerder Luc Vanmaercke. N-VA voorzitter Geert Bourgeois sluit zich hier volledig bij aan. ‘Breng je je boodschap te genuanceerd, dan zenden ze het gewoon niet uit. Ze dwingen je bijna om het scherper en korter te formuleren.’ Bovendien worden politici vaker voor de camera gedwongen om een pasklaar antwoord te formuleren. Vanmaercke omschrijft het als een druk, een eis vanuit de media om op elk moment, van om het even wie een standpunt te krijgen over een willekeurig onderwerp. ‘De stelling van hier moeten we nog even over nadenken, kom morgen eens terug, wordt niet meer aanvaard. Als je uitspraak niet straf genoeg is dan, dan gaan ze wel bij je buurman aankloppen om te horen of die geen straffere uitspraak heeft.’ Een gevaarlijke evolutie volgens Vanmaercke, bovendien zijn niet alle journalisten blij met deze aanpak. ‘Als je off-the-record met journalisten gaat praten, blijkt dat ook zij hun hart vasthouden. Dit loopt fout, het gaat te ver.’ De drang tot scoren is groot, maar de journalist is louter een speelbal op het commerciële speelveld.

Maar wat zijn nu eigenlijk de oorzaken van de stijgende impact van de media op de politiek?

Pointillismepolitiek

Eerst en vooral zorgde de ontzuiling niet alleen voor een meer individualistische samenleving, ook de politieke ploeggeest verzwakte. Iedere politicus moet het steeds meer individueel waarmaken binnen de eigen partij. Door de kieshervorming krijgt de lijststem minder waarde en wegen de voorkeurstemmen zwaarder door. Vanaf de derde plaats wordt het ‘ieder voor zich in de politiek’, want dan maakt iemand op de twintigste plaats evenveel kans om verkozen te worden als de derde op de lijst. De rechtstreekse invloed van de kiezer groeit en dus moet de politicus zelf populairder worden. Concreet kan hij elke kiezer in zijn kiesdistrict - dat nu een hele provincie beslaat - een hand gaan geven of hij kan de media bespelen. Deze doorgedreven individualisering leidt volgens Luc van der Kelen tot een soort pointillistische politiek. Net zoals in de schilderkunst staat elk puntje apart, samen vormen ze wel een geheel, maar je blijft de puntjes zien. De pointillismepolitiek is heel fragmentarisch. Een evolutie waar niet iedereen gelukkig mee is. Inge Vervotte (CD&V) zei hierover in De Standaard: ‘Het lijkt alsof er buiten de kopstukken geen partij meer bestaat.’ Geert Bourgeois (N-VA) omschrijft het als een gevaar voor de democratie wanneer een partij niet langer van onderen uit - met een intern middenveld - opgebouwd wordt. ‘Partijen waar je enkel nog populaire figuren hebt die op congressen hun ding komen doen zijn geen partijen, maar kiesverenigingen waarin degene die het best praat zijn slag thuishaalt. Bijkomend probleem is dat je niet weet in hoeverre zo’n populaire voorstellen gedragen worden door de hele partij.’ Ook Mark Elchardus en oud-premier Jean-Luc Dehaene hekelen het nieuwe kiessysteem, omdat het een politicus dwingt tot het gebruik van de massamedia. De VUB-socioloog verwijt de hedendaagse media dat ze heel snel een bepaalde definitie van de werkelijkheid verspreiden, mensen monddood maken en anderen tot held en orakel promoveren. Daarom acht de socioloog het nodig om de mediadruk op de politici te verminderen en politiek en democratie te beschermen tegen de impact van de media. Goed beleid staat los van mediageniek beleid, waarbij politici het rolletje vervullen dat hen door de media werd aangereikt. Yves Desmet vertelt hierover: ‘De macht van de media wordt vooral hoog ingeschat door zij die er niet in werken. De media kunnen ideeën oppikken en versterken, maar ze kunnen het niet op gang brengen. Ze kunnen niet initiëren’(Vansevenant 2002, p184). Hoe deze verwevenheid tussen politiek en media het best kan bestreden worden staat open voor discussie. Moet er een soort zelfbeheersing komen binnen de tv-zenders dat bijvoorbeeld komaf maakt met het opvoeren van politici in spelletjesprogramma’s? Of moeten de controlemechanismen binnen de politiek worden vergroot? Of is een combinatie van beide de oplossing: de media trekken duidelijke grenzen en ook de politicus legt zichzelf een grotere zelfreglementering op.

Politieke noodzaak

Naast de maatschappelijk gedragen individualisering moet de tweede belangrijke oorzaak binnen politieke boezem worden gezocht. Een politicus tracht vandaag bewust de beeldvorming te domineren omdat hij/zij zonder naambekendheid niet verkozen wordt. Steeds vaker dienen politici zich spontaan aan bij televisiezenders. In Knack (05/02/03) zei Pol van den Driessche, hoofdredacteur van Polspoel &Desmet en Recht van Antwoord, hierover het volgende: ‘Er zijn er die open en bloot zeggen dat ze willen komen, zo lomp zijn ze wel. Maar daar ga ik niet op in. Het is zoals met de verkiezing van de nieuwe paus, wie solliciteert, maakt geen kans.’ Programmamaker Luk Alloo ging in Knack nog een stapje verder: ‘Politici zijn echt tot alles bereid om op tv te komen. Ik denk dat ze het leuk vinden om als groot politicus eens af te dwalen in de mensenwereld.’ Deze tendens werd natuurlijk deels door de progammamakers gevoed, maar volgens Alloo moeten politci leren ‘neen’ zeggen. Ook CD&V- woordvoerder Vanmaercke is van mening dat het al dan niet meedoen aan spelprogramma’s een zelfreglementering vereist van de politicus. ‘Je kan het programmamakers niet verwijten dat ze politici uitnodigen. Politici moeten zelf het verstand hebben om het niet te doen.’ Makkelijk is het natuurlijk niet om ‘neen’ te zeggen tegen een tv-optreden dat je mogelijk meer kiezers oplevert. De CD&V woordvoerder erkent het probleem. ‘Wie in De Laatste Show zit heeft 99% kans om er als ‘sympathiek’ buiten te wandelen. Via deze kanalen bereikt een politicus mensen die niet naar De Zevende Dag of Ter Zake kijken. De uitdaging is om naar zo’n programma te gaan en toch een stukje het inhoudelijk beleid te verdedigen.’ Probleem is dat het strikte onderscheid tussen informatieve en amusementsprogramma’s niet meer bestaat. Is een talkshow amusement of informatief? Nieuws- en actualiteitenprogramma’s richten zich op feitelijke gebeurtenissen, terwijl talkshows ingaan op de meningen en gevoelens van mensen over die gebeurtenissen. De opmars van de infotainmentprogramma’s onderschrijft het groeiend belang van meningen en maakt het nieuws ondergeschikt aan de opinie. Tussen puur informatieve programma’s en spelletjesprogramma’s bestaat een resem mengvormen wat de keuze van een politicus om al dan niet deel te nemen aan een tv-programma niet makkelijker maakt.

Onderling verschillen politici nogal van mening over het al dan niet meedraaien in de mediamolen. In het tv-programma Recht van Antwoord stonden Eric Van Rompuy (CD&V) en Kris Van Dijck (N-VA) tegenover Vincent van Quickenborne (VLD) en Jean-Marie Dedecker (VLD). Deze laatsten lijken niet van het scherm te branden maar eigenlijk willen ze - om het met de woorden van senator Van Quickenborne te zeggen - gewoon tonen dat ze naast hun politiek werk ook nog nen toffen pee zijn. Een kritiek van de overkant - die grotendeels onbeantwoord bleef - was dat ze met hun mediaoptredens het imago van het politieke ambt beschadigen. Yves Desmet, die als ‘wijze’ raad moest geven, maakte de nuance dat een tv-optreden niet altijd als positief gepercipieerd wordt. Het kan ook stemmen kosten. Bovendien stelde Desmet in het boek van Vansevenant dat sommige politici op zoek zijn naar het Clinton-fenomeen: het verwerven van een machtspositie door over de media naar het volk te springen in aanwezigheid van de media. Bijvoorbeeld: toen de zogenaamde Teletubbies - sp.a’ers Janssens, Stevaert, Vande Lanotte en Vandenbroucke - met de trein verschillende Vlaamse steden aandeden, was ook de pers aanwezig. Het opzet was oorspronkelijk naar de burgers van enkele Vlaamse steden gericht, maar doordat de media er aandacht aan besteedden kreeg de actie een groter draagvlak. De Amerikaanse president Clinton organiseerde ook volksvergaderingen waarbij journalisten aanwezig waren, het bezorgde hem het dankbare imago van ‘de man die luistert naar zijn volk’, over het media-establishment heen. Wil de kiezer überhaupt wel dat politici zich niet langer beperken tot politieke programma’s maar ook spelletjes- en amusementsprogramma’s bevolken? De vraag was aanleiding voor een poll op http://www.politics.com. Van de 167 uitgebrachte stemmen kozen er 83 voor de antwoordoptie ‘absoluut niet’. Als je de 34 ‘neen, tenzij af en toe’-stemmen erbij telt zit je al aan 117. Natuurlijk is dit cijfer niet representatief voor de doorsnee Vlaming en kan je er geen conclusies uit trekken. Maar als je ervan uitgaat dat politieke sites meestal worden bezocht door politiek geïnteresseerden, dan betekent dat dat 70% van deze respondenten vindt dat politici zich beter met andere zaken bezighouden.

Niet enkel het tv-scherm halen is een politieke bekommernis, om de perceptie te kunnen beïnvloeden is vooral een juiste ‘timing’ doorslaggevend. Oud-premier Dehaene geeft toe dat ook hij oog had voor timing. Maar de huidige paars-groene regering - de premier op kop - lijkt doordrongen van de impact van de media. De voorbeelden zijn legio: Verhofstadt die net voor het middagjournaal ontslagen wordt uit het ziekenhuis na zijn elleboogbreuk, Verhofstadt die net voor het zevenuurjournaal een velletje met criminaliteitscijfers tevoorschijn tovert, de premier die om 13.05u vervroegde verkiezingen aankondigt, een boodschap die zowel in het VRT- als het VTM-middagjournaal live te volgen was. Geen enkel ex-premier doet beter. Bij de geschreven pers durft er al eens wrevel op te duiken over Guy’s voorliefde voor de camera. In een bijgedachte in De Morgen hekelde Geert Sciot het karige commentaar van de premier nadat de camera’s verdwenen waren. Blijkbaar was met de beeldpers ook de bereidwilligheid van Verhofstadt verdwenen om meer uitleg te verstrekken rond het luchthavenakkoord. Ook in zijn persrelaties hecht de premier belang aan ‘timing’, de wekelijkse perconferentie staat sinds zijn intrede in de Wetstraat stipt om 15u geprogrammeerd. Journalisten hebben daarna zo nog alle tijd om hun stuk te schrijven of te monteren. Het statement ‘geen commentaar’ is bij Verhofstadt taboe, maar toch blijft er na een persconferentie meestal weinig tijd over voor de vele vragen van de pers. Oorzaak hiervan is het feit dat de premier alle persmededelingen integraal in het Nederlands en in het Frans doet. Voor de beeldpers is dit een zegen, het bekt nu eenmaal makkelijker als de mededeling van de premier in de eigen taal gebracht kan worden. Bovendien ontloopt Verhofstadt vaak de lastige vragen van journalisten, omdat er geen tijd meer is. Verhofstadt speelt bewust in op de perceptie, ook als oppositieleider bespeelde hij de media. Volgens Luc van der Kelen heeft de dioxinecrisis het besef van de impact van een goed communicatiebeleid bij Verhofstadt nog versterkt. ‘Op het moment dat Dehaene een probleem had, had hij geen stem meer. Hij had geen media om op terug te vallen, want hij heeft ze altijd van zich afgestoten. Als hij iets wou zeggen dan belde hij naar een journalist van De Standaard, die mocht dan langskomen en een artikel maken. Dat was het communicatiebeleid van Dehaene.’ De politiek commentaarschrijver stelt dat Verhofstadt heeft ingezien dat het allemaal draait om de perceptie en dat het positief of negatief beeld van een regering gemaakt wordt door een aantal artikels of programma’s.

Permanent Campaining

Derde verklaring voor de groeiende media-impact moeten we zoeken in de trend naar ‘permanent campaining’. De groei van het fenomeen wordt gevoed vanuit het besef dat een positief beeld kiezers beïnvloedt. Nu de groep vlottende kiezers toeneemt is het bespelen van de perceptie hiertoe het uitgelezen middel. Om het beeld te domineren wordt de professionaliteit van een reclamebureau binnengehaald, of volgt de politicus een mediatraining. Vormgeving heeft een vaste plek veroverd binnen elke politieke partij. Vanmaerke omschrijft de professionalisering van de communicatie enerzijds als een gedwongen keuze, anderzijds als een maatschappelijke noodzaak: ‘Je moet als partij zorgen dat je binnen de commerciële logica van de media voldoende aan bod komt. De vluchtige indruk van het massamedium is belangrijker geworden dan de beeldvorming via het verenigingsleven.’ Zelfs bij de CD&V mag het hemd nu wat losser om de nek. Imago als politieke troef? Droeg kersvers minister van Volksgezondheid Jef Tavernier (Agalev) een das bij de eedaflegging of niet? Deze futiele details werden gretig opgevoerd in de media. Verpakking haalt het op inhoud. Terwijl het eigenlijk een ‘en/en’ situatie zou moeten zijn. Waar het vroeger volstond om zich te fixeren op de inhoud, is de verpakking nu evenzeer van belang. Van Wyk & Friends, een Belgisch bureau gespecialiseerd in mediatrainingen, stelt vast dat de vraag naar professionele ondersteuning bij de overheid en de politiek de laatste tijd sterk toeneemt. De verklaring hiervoor is volgens het bureau dat enerzijds de bevolking meer dan ooit van politiek en overheid verwacht dat zij op een professionele wijze uitleg verschaffen en verantwoordelijkheid afleggen over het gevoerde beleid. Anderzijds is er bij deze sectoren een sterk toenemend besef dat een professioneel communicatiebeleid één van de belangrijkste manieren is om de kloof met de burger te overbruggen. Politici lijken er dus meer dan ooit van overtuigd dat het vakkundig omgaan met de media en het beheersen van goede debattechnieken cruciale succesfactoren kunnen zijn. Mediafenomenen zoals de Nederlander Pim Fortuyn en zijn komeetpartij LPF zijn hier niet vreemd aan. Fortuyn verstond als geen ander de kunst om via free publicity zijn standpunt te verkondigen. Ook de reclamebureaus verbonden aan een politieke partij weten de gratis mediaruimte naar waarde te schatten. Marc Michels van het reclamebureau Quattro die de CD&V-campagne voert, zei hierover in het Radio 1-programma De Nieuwe Wereld dat het wettelijk toegestane campagnebudget belachelijk laag is, maar dat alle gratis media-aandacht veel goed maakt. Het gevaar schuilt erin dat verbaal sterke politici een beter imago krijgen dan andere. Dat een tv-optreden eerder een test wordt in verbale kracht dan in politieke deskundigheid. Hoe meer oneliners hoe beter. Desmet ziet het niet zo somber in. ‘Iemand die puur op communicatie gericht is, overleeft niet’. Het ultieme bewijs hiervan is de reusachtige verkiezingsoverwinning van Balkenende (CDA) in Nederland, terwijl er volgens Desmet nooit een minder communicatievaardig figuur geweest is. Ook CD&V-woordvoerder Vanmaercke onderschrijft het belang van het mediatiek overkomen. ‘Het is duidelijk dat iemand als Inge Vervotte die mediatiek zeer sterk is, een voorsprong heeft op anderen. Omgekeerd denk ik niet dat je er binnen de CD&V kan geraken al je inhoudelijk niets voorstelt, maar het enkel goed kan uitleggen.’ Luc van der Kelen stelt dat jonge politici er slechts op twee manieren kunnen geraken: als populist of als slippendrager van de macht.

Peilingen

Het laatste en misschien wel het krachtigste wapen van de media zijn de peilingen. Niet elke partij kent humeurschommelingen naargelang de resultaten van een opiniepeiling, maar dat het een invloed heeft op de kiezer laat geen twijfel. Bij de verkiezingen in Nederland werd het pleit op televisie beslecht en - om het met de woorden van Yves Desmet te schrijven (DM 24/01/03) - er is geen reden om aan te nemen dat het in Vlaanderen anders zou zijn. Ook in ons land zullen vele vlottende kiezers zich laten leiden door de indrukken die ze krijgen bij het bekijken van de tv-formats waarin politici trachten campagne te voeren. Naast inhoud, ideologie en beleid gaat het voor de kiezer ook om uitstraling en imago. Professor Christ’l Delandtsheer van de Universiteit Antwerpen deed onderzoek naar politiek impressiemanagment in Vlaanderen. Met andere woorden welke kenmerken maken een persoon politiek geschikt? Mannen moeten in de eerste plaats leiderschap uitstralen, bovendien moeten ze intelligent zijn en er aantrekkelijk uitzien. Sympathiek en betrouwbaar zijn twee bijkomende troeven, maar ze zijn niet noodzakelijk om politiek geschikt te worden bevonden. Volgens professor Delandtsheer voldeed Wouter Bos (PvdA) aan al deze eisen waardoor hij zijn partij in Nederland kon doen heropleven. Ook in België liggen de perceptiemeters klaar om genadeloos op en neer te zwiepen tijdens de televisiedebatten. Dergelijke instrumenten spelen in op het bandwagoneffect, het feit dat onbeslisten stemmen voor de winnaar van het debat of juist voor de verliezer met de bedoeling een bepaald effect te creëren. In Nederland keek 3,2 miljoen mensen - dat is de helft van wie die dag de televisie opstaan had - naar het lijsttrekkersdebat op de NOS. Carl Devos, professor politieke wetenschappen aan de Universiteit Gent, vond het schitterend nieuws. ‘Politiek leeft in het Nederland zonder opkomstplicht’, schreef hij in de Financieel Economische Tijd. Maar dat politici hierbij af te rekenen hebben met een oneindige stroom opgeblazen ‘debatjes’, met de ridicule vraag om in 45 seconden een standpunt over een ingewikkelde zaak te verkopen en met een lawine van nerveuze peilingen, noemde hij dan weer slecht nieuws. In zijn analyse raakt hij eveneens het kiesgedrag aan. Zo zou het beoordelen van politiek voor de kiezer vooral een kwestie zijn van voelen en ruiken. Bovendien is het overgrote deel kiezers niet erg geïnteresseerd in politiek en weten ze er weinig vanaf. Het komt er voor een politieke partij dus op aan om in te spelen op ‘het buikgevoel’ van de burger. Maar wie of wat gaat bepalen wat het finale gevoel is bij de mensen? Politici, maar vooral ook de media eisen die rol op. ‘De media overschatten zichzelf hierin,’ stelt Luc Vanmaercke. ‘Als de media erin slagen om de emotionele drijfveren op te pikken en te vertalen zullen ze zwaar op de kiesstrijd kunnen wegen. Missen ze de onderstroom en gaan ze surfen op - voor hen - modieuze thema’ s dan zouden het wel eens verrassende verkiezingen kunnen worden.’ Communicatiespecialist Noël Slangen pretendeert dat hij via marktonderzoek aanvoelt wat er leeft in de maatschappij. In zijn boek Het gevecht om de taart staan enkele tips voor politici. Uit marktonderzoek bleek volgens Slangen dat kiezers het niet zomaar eens zijn met alle partijstandpunten, maar dat er blijkbaar voldoende standpunten of andere redenen zijn waarom ze voor de partij stemmen. Belangrijk hierbij is er niet vanuit te gaan dat de mening van de gemiddelde militant niet de mening is van de doorsnee kiezer. Een tweede conclusie is dat, als toch niet ieder standpunt zo sterk doorweegt, je als politicus in staat bent om mensen van mening te doen veranderen.

Neutralisering van de politiek

De citaten van de Sloveense cultuurfilosoof, Savoj Zizek, leiden niet toevallig deze bijdrage in. De Sloveen behoort immers tot één van de intellectuele inspiratiebronnen van Guy Verhofstadt. Over Zizek zei de premier het volgende: ‘Een schitterende schrijver, wat radicaal misschien. Maar wat is er mis met radicaal zijn?’ De gekozen citaten vertolken een bezorgdheid over de huidige manier van samenleven en politiek voeren. Zizek waarschuwt voor de gevaarlijke neutralisering van de politiek. Het verdwijnen van de zuilen luidde voor de politieke partijen inderdaad een zoektocht in naar waarden en normen. De oude ideologische standpunten moesten bijgesteld. Onder deze noemer vormde de CVP zich om tot CD&V, de SP tot sp.a, de Volksunie viel uiteen in de N-VA en Spirit dat op zijn beurt een kartel aanging met de sp.a. De VLD had al een naamsverandering achter de rug, waardoor de partij dan maar de verruiming inzette. Leden van de NCD, de splintergroep van de CVP, en misnoegde Spiritisten vonden er hun nieuwe thuis. Bovendien wil de partij uitgroeien tot een volkspartij en draagt ze de vernieuwing hoog in het vaandel. De vroegere baseline van de partij - partij van de burger - werd vervangen door de woorden ‘durven vernieuwen’. Een koerswijziging die intern voor strubbelingen zorgde. Ward Beysen vertrok en hoopt met zijn Liberaal Appel de teleurgestelde VLD’er voor zich te winnen. Ook oud-penningmeester Leo Goovaerts keerde de partij de rug toe en komt op 18 mei alleen op. Wallonië deed ook gretig mee aan het rondje naamsverandering. De PRL werd omgevormd tot MR en de PSC gaat voortaan door het leven als CDH. Blijkbaar hoopt elke partij dat de burger vernieuwing associeert met verbetering, waardoor het kiespotentieel kan worden aangedikt. Al deze vernieuwing leidt voor een groot stuk tot ‘meer van hetzelfde’. Links en rechts komen naar elkaar toe en het wordt drummen in het centrum. Uit het boek van Slangen leren we dat de natuurlijke omvang van een partij toeneemt naarmate ze zich dichter bij het centrum bevindt. Om zoveel mogelijk kiezers te kunnen bekoren, verhuizen steeds meer partijen naar het centrum in plaats van zich in de periferie op te houden. Nu de grote ideologische tegenstellingen verdwenen zijn, scharen partijen zich blijkbaar steeds meer rond dezelfde visvijver.

Dat brengt ons bij de vraag waartoe een partij eigenlijk dient?

Moet ze een ideologie bedenken en daarvoor steun vragen aan de kiezer, of moet ze zich beperken tot het vertolken van de wensen en verzuchtingen van de burger? De tweede verklaring wint duidelijk terrein en getuigt andermaal van een jacht op de perceptie. Blijkbaar gelooft de politicus dat het inwilligen van de roep van het volk hem populair zal maken. Het gevaar schuilt erin dat politiek handelen niet langer wordt bepaald door enige ideologie, maar door opiniepeilingen en commentaarstukken. De rechts-linkstegenstelling wordt afgedaan als achterhaald en wie het niet gelooft moet volgens premier Verhofstadt dringend de Berlijnse Muur in het eigen hoofd afbreken. De wensen van de burger tot beleid maken lijkt de ultieme oplossing voor het dichten van de kloof tussen burger en politiek. Knack bedacht er de term ‘jukebox-democratie’ voor: de neiging van partijen om zich tot politieke verzoeknummers te beperken, om de kiezer niet langer een ideologisch doordacht aanbod voor te leggen, maar om alleen nog geïsoleerde, populair geachte voorstelletjes te formuleren. Als voorbeeld hiervan haalt Knack-journalist Marc Reynebeau het wetsvoorstel van Jean-Marie Dedecker aan, waarbij het de VLD’er wel fun leek om s’nachts aan hoge snelheid over de haast verlaten snelwegen te razen. U vraagt wij draaien lijkt een populair fenomeen bij de Vlaamse liberalen. U wil snel rijden, stem Jean-Marie! U wil minder verkeersslachtoffers, stem Luc Beaucourt! Politiek op maat, het heeft iets van een self-servicerestaurant. Communicatieadviseur Slangen waarschuwt voor de verslanging van de politiek. ‘Een van de problemen van het oprukkende marketingdenken in de politiek is dat de politici enkel nog vertellen wat de mensen willen horen. Dat is totaal verkeerd. Ze moeten eerst iets vertellen en pas dan moeten ze zorgen dat de mensen daar ook naar willen luisteren’. Professor Devos heeft het over een toeschouwersdemocratie waarin partijen kiesverenigingen zijn met nogal wat politici die wel aandacht, maar geen inhoudelijk profiel zoeken. ‘Ze wanen zich als het ware democraten’. De verzuchtingen van de kiezer boven de eigen partij-ideologie plaatsen, uit zich volgens Devos bovendien in een politieke kortetermijnstrategie. ‘In België waagt men zich zelden aan prognoses op lange of middellange termijn’, een vaststelling die Geert Bourgeois afdoet als een nationaal verschijnsel. ‘In Nederland wordt onderzocht hoe het land er in 2005 zal uitzien. In België ontbreekt elke wetenschappelijke onderbouw bij het formuleren van wetsvoorstellen’. Het oppositielid ergert zich mateloos aan het gebrek aan dergelijk ‘natte-vinger-werk’. De voorbeelden zijn volgens Bourgeois legio: het aflossen van de overheidsschuld, het terugdringen van het aantal verkeersdoden en ook het Zilverfonds is een schoolvoorbeeld van dagjespolitiek. ‘De oprichting van een dergelijk fonds was niet opgenomen in het regeerakkoord, maar op een koele morgen lanceert Johan Vande Lanotte dat idee en plots moet dat er komen. Of dat de beste oplossing biedt tegen de vergrijzing, werd niet onderzocht.’

Aan ideeën en voorstellen geen gebrek binnen de huidige coalitie, het aantal agendapunten ligt beduidend hoger onder de regering Verhofstadt dan onder Dehaene. Journalisten en oppositie raken dan ook al snel ondergesneeuwd, waardoor efficiënte controle een helse opgave wordt. Volgens Van der Kelen maakt deze techniek bewust deel uit van het communicatiebeleid van de regering en heeft deze andermaal tot doel de perceptie te beïnvloeden. Dat politici de media proberen te bespelen is geen uniek paars-groen fenomeen. Ook onder vorige regeringen werden journalisten gebeld, verleid tot etentjes of gepaaid met primeurs. Nieuw waren echter de scheldpartijen aan het adres van journalisten die negatief hadden bericht over paars-groene ministers. Premier Verhofstadt belt journalisten regelmatig op om ze uit te foeteren of te sturen. Doen ze niet wat hij wil, dan dreigt uitsluiting. Volgens Rik van Cauwelaert van het weekblad Knack is de druk om inschikkelijk te zijn onder deze regering enorm. Niet alleen telefonisch, maar ook onderhuids leeft er voelbaar een politieke druk. Het verdwijnen van de column van Derk-Jan Eppink in De Standaard en deze van Jurgen Verstrepen op zijn webstek (http://www.politicsinfo.net), zijn hiervan de stille getuigen. Officieel heette het dat Eppink niet meer mocht publiceren omdat het niet verenigbaar was met zijn functie bij eurocommissaris Frits Bolkestein. Maar eigelijk verdween de column na het beklag van Verhofstadt dat de column de relaties tussen België en de Europese Commissie schaadde. Daarna werd Eppink - naar eigen zeggen - door zijn werkgever voor het blok gezet: of schrijven, of voor de Commissie werken. Ook Verstrepen staakte zijn schrijfwerk na druk uit kringen rondom de premier. Als Verstrepen met die ‘kloterij in die columns’ door zou gaan, werd hem links en rechts verzekerd, ‘zou de premier ervoor zorgen dat er geen enkele gezagsdrager meer in zijn tv-programma verschijnt.’ Olivier Mouton, redacteur bij La Libre Belgique en tevens co-auteur van Verhofstadts autobiografie Numero Uno, verklaarde in het NRC Handelsblad dat Verhofstadt overgevoelig is voor de media. ‘Als één van de eerste politici begreep hij dat je de pers actief moet gebruiken om je boodschap bij de publieke opinie te krijgen. De media, het imago dat zij van hem uitdragen, zijn vreselijk belangrijk voor hem. Maar dat maakt hem kwetsbaar voor kritiek. Als het goede nieuws in zijn ogen verkeerd wordt uitgedragen, is de wereld te klein.’ Desmet omschreef het als een persoonlijk deficit van de persoonlijkheid Verhofstadt. ‘Hij hoeft zich niets aan te trekken van een negatief krantencommentaar. Dat zal op geen enkele wijze invloed hebben op zijn score bij de volgende verkiezingen. Zelfs een batterij negatieve commentaren zal daarop geen invloed hebben. Maar bij Verhofstadt speelt de magie zodanig dat hij naar de telefoon grijpt als hij een negatief adjectief leest’(Vansevenant 2002, p193). Als premier van een regering die er een open debatcultuur op nahoudt is het natuurlijk moeilijk om enigszins greep te houden op wat er uiteindelijk gepubliceerd en uitgezonden wordt. Maar deze vorm van actieve interventie had al lang tot het verleden behoord, indien zou gebleken zijn dat ze geen effect had. Caroline de Gruyter illustreerde deze politiek-journalistieke osmose rijkelijk in een artikel over ‘de moeizame verhouding tussen Belgische politici en media’. Toen vice-premier Johan Vande Lanotte (sp.a) zich liet ontvallen dat hij de uitbreiding van de Europese Unie niet zo’n goed idee vond, liet de premier zijn woordvoerder allerlei redacties bellen met het verzoek er geen aandacht aan te besteden. Belga stuurde het bericht toch de wereld in en ook Luc van der Kelen schreef er een column over waarin hij tevens het telefoontje vermeldde. Maar in andere kranten duurde het volgens de Gruyter dagen vooraleer er iets over verscheen. Conclusie: de angst voor uitsluiting van informatie is de achilleshiel van de Belgische pers. En daar spelen politici actief op in. Nederlander en Communicatiespecialist Evert Van Wijk omschrijft het als een uniek Belgisch fenomeen. ‘Ministers worden benaderd door een journalist. Die gaan daarop in en lichten pas achteraf hun woordvoerder in. De restaurants rond de Wetstraat leven van de diners tussen politici en journalisten. In de Nederlandse politieke cultuur zou dat onmogelijk zijn.’

De cirkel is rond

Angst is nooit een goeie raadgever. De dood van de Marokkaanse Belg in Antwerpen en de daaropvolgende rellen illustreerden dit pijnlijk. Voor verschillende Belgische politici waren de gebeurtenissen het startschot van een opbod in grootsprakerigheid. Maar ook de media gooiden zich in de discussie en bestormden de burger met commentaar en achtergrond. Het gevolg was chaos en opnieuw richtten de internationale media hun camera’s op België. Zowel de Duitse zender ZDF als het Nederlandse programma Netwerk besteedden er uitgebreid aandacht aan. Ook CNN draaide de Duitse reportage. Maar het ergste is dat de domme uitspraken ongetwijfeld zullen blijven nazinderen in de integratiedebatten ten gronde. Ergens vallen de uitspraken van Antoine Duquesne (MR), Marc van Peel (CD&V) en Guy Verhofstadt te verklaren vanuit de stijgende druk op politici om op elke gebeurtenis een pasklaar antwoord te hebben. Het is nu eenmaal een wet binnen de permanent campaining politics dat de politicus moet blijven communiceren. Maar het gevaar is, zoals Zizek aanhaalde, dat niemand nog een langetermijnvisie heeft. Agalev-voorman Jos Geysels ijverde er in een kranteninterview voor om het begrip ‘tijd’ opnieuw een plaats te geven in de politieke programma’s. Een politicus moet volgens Geysels ook voorstellen doen die op lange termijn gericht zijn, zelfs wanneer dat niet direct sexy debatten of pasklare antwoorden oplevert. De uitspraak legt de vinger op de wonde. Media en politiek zijn op elkaar aangewezen, maar de media moeten politici niet tegen wil en dank in het mediagenieke keurslijf duwen en omgekeerd beperken ook politici zich beter tot hun eigen speelveld. Misschien moeten er op het journalistiek-politieke speelveld inderdaad strakkere lijnen worden getrokken. Want momenteel lijken pers en politiek rondjes te lopen in een circusarena. De politici hollen de pers achterna in de hoop de perceptie van de burger te domineren. Anderzijds zit de pers de politicus op de hielen in een zoektocht naar een gebalde en krachtige quote. Resultaat: de politicus heeft kritiek op de druk die de pers uitoefent en de pers hekelt de politieke druk. De fascinatie voor het schouwspel zou er wel eens voor kunnen zorgen dat beiden vergeten waar het echt om draait en dat is de burger. Desmet vergeleek de cohabitatie van het politieke establishment en het media-establishment in het boek van Vansevenant met een ingenieus afvalsysteem. ‘De macht in België is een vierkante kilometer groot. Dat begint aan de Koningsstraat, de Wetstraat, de 16, parlement en senaat.Verderop de Europese wijk, de ministeries. De andere as wordt gevormd door de partijen, de vakbonden, noem maar op. Daartussen hollen een paar honderd journalisten heen en weer. Ze verzamelen afval. Ergens geeft iemand een rookpluimpje en hop, de journalisten gaan eropaf. De volgende dag zijn er duizenden die dat lezen. Waarop de één dit zegt en de ander dat. Er ontstaat een spel van checks en balances en aan het einde van de week, twintig artikelen verder, is het voorstel verworpen. Een hele bende heeft zich daar een week mee zoet gehouden. Maar de rest van het land staat daar niet bij stil’ (Vansevenant 2002, p 199-200).

Zelfs een regering met een open debatcultuur en openstaande keukendeuren weet zich moeilijk los te rukken uit de beslotenheid van de macht. Politici en journalisten stellen hun werkwereld gelijk aan de leefwereld. Kranten, radio en televisie, brengen hun versie van dé realiteit, de feiten waarvan ze denken dat ze u lezer, kijker, luisteraar boeien. Maar of dat overeenstemt met de leefwereld van de burger, blijft een vraagteken. Hoe vormt de Belg zich vandaag een mening? Dagelijks worden we overladen met informatie: duizenden posters, beelden, stemmen schreeuwen om aandacht. Een visie, een mening komt tot stand door het aantrekken en afstoten van informatiekanalen. Opnieuw is het een systeem van checks en balances, waarvan het gewicht van de verschillende beïnvloedingsfactoren haast onmogelijk te achterhalen is. Immers na een week van informatie-impulsen kan de oorspronkelijke perceptie al volledig omgegooid zijn. De verkiezingen in het post-Fortuyn-land bewezen hoe moeilijk het is de drijfveren van mensen bloot te leggen. Laat staat dat je ze zou kunnen voorspellen door een peiling. Pers en politiek zouden deze onstandvastigheid en dat continue beïnvloedingsproces indachtig moeten zijn als ze nog eens vanuit hun toren verkondigen dat ze inspelen op ‘wat er leeft onder de bevolking’. Want na de ontzuiling heeft de burger meer dan ooit het recht in eigen handen genomen. Ook al laat hij zich inderdaad door pers, politiek en peilingen bedwelmen, hij wil het niet gezegd hebben. Maar in godsnaam, laat een mens de illusie.

Vicky Willems
Studente - Voortgezette opleiding ‘Internationale Communicatie’ aan de Plantijnhogeschool in Antwerpen 1

Noot
1/ Vicky Willems won de Zola-wedstrijd 2002 voor het beste politieke essay, die Samenleving en politiek om de twee jaar organiseert.

Bronnen
Boeken
- Beaudrillard, J., In the Shadow of the Silent Majorities. ‘Consumer Society’, ‘Simulcra and Simulations’, and ‘The Masses’. 1983
- Blommaert, J., Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing, uitgeverij EPO vzw, 2001.
- Bourgeois, G., De puinhoop van paars-groen, Antwerpen: Houtekiet, 2002, 172p.
- De Landtsheer, C., De politieke taal in de Vlaamse media, Antwerpen: Kluwer, 1987, 121p.
- Elchardus, M., De Dramademocratie, Tielt: Lannoo, 2002, 208p.
- Slangen, N., Het gevecht om de taart, Antwerpen: Houtekiet, 2001.
- Van Der Plaetsen, M., De influisteraars, Leuven: Van Halewijck, 2002, 246p.
- Vanpeteghem, B., Paars met groen. De vorming van Verhofstadt I, Tielt: Lannoo, 2001, 204p.
- Vansevenant, A., De kracht van macht, Tielt: Lannoo, 2002, 284p.
- Verhofstadt, G., De vierde golf, Antwerpen: Houtekiet, 2002, 69p.
- Zizek, S., Pleidooi voor intolerantie, Amsterdam: Boom, 1998, 108p.

Eindwerken
- Nuytemans, M., Het vertrouwen in de regering. Verklaringen voor het verschil in vertrouwen tussen de regeringen Dehaene I en Verhofstadt I, Universiteit Antwerpen, Augustus 2002, 98p. Online op: http://www.ethesis.net/regering/regering\_besluit.htm
- Willems, V., Perceptie. Het communicatiebeleid van de regering Verhofstadt doorgelicht, Arteveldehogeschool (EGON) Gent, Juni 2002, Journalistiek eindwerk: 38p. Bijlagen: 80p. Online op: http://home.planetinternet.be/ ~ld907264/verhofstadt/verhofstadt\_inhoud.htm

Belangrijkste krantenartikels
- Brinckman, B., Dobbelaere, B., ‘Wij bieden alleen onze diensten aan’ Het oestrogeengehalte van Freya Vanden Bossche en Inge Vervotte, In: De Standaard, (08 feb ’03), p.37-38.
- Camps, H., ‘Herkauwers’, In: Dag Allemaal, (jan 03), p.134.
- De Ceulaer, J.; Piryns, P., ‘Altijd tegen de stroom in’, In: Knack, (9 jan. 02), p.12-16.
- De Ceulaer, J., ‘De kiezer zapt, de kijker stemt’, In: Knack, (05 feb.03), p. 18-26.
- De Gruyter, C., ‘De moeizame verhoudingen tussen Belgische politici en de media’, In: NRC Handelsblad, (16-17 nov. 02).
- Danneels, M., ‘Televisie machtiger dan Kerk ooit geweest is’, In: Het Nieuwsblad, 13 jan. 03.
- Desmet, Y., ‘Als je aan tafel discussie voert, krijg je geen oorlogen op straat’.Yves Desmet praat met Noël Slangen, In: De Morgen, (23 sept. ’00), p.59-61.
- Desmet ,Y., ‘Dromend van Holland’, In: De Morgen, (24 jan. 03), p.2.
- Devos, C., ‘Wie heeft in België het kontje van Bos?’, In: De Financieel Economische Tijd, (24 jan. 03).
- Devos, C., ‘Het complot van de vervroegde verkiezingen’, In: De Standaard, (09 jan. 03).
-Goossens, R., ‘In tijden van schaarste moet je creatief zijn’, In: De Morgen, (10 okt. 01), p.8.
- Goossens, R.; Desmet,Y., Interview met Noël Slangen. ‘De verslanging van de politiek gaat me te ver’, In: De Morgen, (11 jan. 03), p 53-55.
- Jacobs, F., ‘Politici beter pak aanmeten’, In: Het Belang van Limburg, (09 jan. 03).
- Kempen, L., ‘De slag om het nieuws: Klaus van Isacker en Leo Hellemans kruisen de degens’, In: Humo, (16 okt. 01), p. 40-45.
- Leijten, P., Moerland, R., ‘Zwevende kiezer wil harde praat in lijsttrekkersdebat’, In: NRC Handelsblad.
- Reynebeau, M., ‘De politiek is woord geworden’, In: Knack, (21 feb. 01), p.13.
- Reynebeau, M., ‘Stuurman aan wal’, In: Knack, (6 mrt.’02), p.10.
- Sturtewagen, B., ‘Verkiezingen met losgekomen ankers’, In: De Standaard, (11 jan. 03), p.42.
- Tegenbos, G., ‘Burger kan nauwelijks inzet verkiezingen bepalen’, In: De Standaard, (13 jan. 03), p.13.

Interviews
- Bourgeois Geert, voorzitter van Nieuwe-Vlaamse Alliantie (N-VA), geïnterviewd te Brussel, 18/01/02 en 26/12/02.
- Delandtsheer Christ’l, professor politieke communicatie (UFSIA), geïnterviewd te Antwerpen, 06/02/03.
- Van Der Kelen Luc, chef politiek bij Het Laatste Nieuws, geïnterviewd te Gent, 12/11/01 en 11/12/02 in Brussel.
- Vanmaercke Luc, woordvoerder CD&V, geïnterviewd te Brussel, 23/12/02.
- Van Wijk Evert, communicatieadviseur-mediatrainer en directeur van Van Wijk & Friends, geïnterviewd te Aardenburg, 12/02/02 en 30/10/02.

politieke vernieuwing - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 5 (mei), pagina 14 tot 18