Abonneer Log in

18 mei: uitdaging voor verstandige verklaringen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 4 tot 8

Zondag 18 mei zorgde toch nog voor een verrassing. Niemand had voorzien dat de kiezer na de saaie en makke campagne de politieke krachtverhoudingen zo drastisch zou herschikken. De vele peilingen hadden - ondanks hun interne tegenspraak - enkele duidelijke tendensen laten zien, zoals het verlies van Agalev en de winst van het Vlaams Blok en sp.a-Spirit. Ze ‘vergisten’ zich in de nek-aan-nekrace tussen CD&V en VLD, maar aangezien peilingen momentopnames zijn en geen voorspellingen, zijn ze nooit goed of fout, enkel goed of fout gemaakt. Dat neemt niet weg dat ze het uiteindelijke, reële verkiezingsresultaat mee beïnvloeden: ze voorspellen het niet, maar zijn er een van de ‘makers’ van.

Ook een langetermijnperspectief op de electorale ontwikkeling van de politieke partijen kon al heel wat doen vermoeden, zoals het verlies van CD&V en de winst van de VLD en het Vlaams Blok. De winst van de sp.a gaat tegen de neerwaartse tendens in. Regeringsdeelname van Groenen heeft in Europa niet overal en altijd dezelfde effecten op de electorale score van deze partijen laten zien. Hoe leerzaam deze langetermijnanalyses ook nog mogen zijn, de bruikbaarheid ervan neemt wat af.
Langetermijntendensen kunnen we immers niet zomaar lineair doortrekken. Zowel maatschappelijke veranderingen als de aanpassingscapaciteit van partijen staan dat in de weg. Een partij zoals CD&V is op grond van deze tendensen niet tot verdwijnen gedoemd maar kan zich - zij het met veel moeite en inspanning - herprofileren. Ook de SP is erin geslaagd een nieuw potentieel aan te boren. Tegen het electoraal ontwikkelingspatroon van Agalev is de schade van 18 mei ronduit een trendbreuk. Uiteraard kan het om een tijdelijke, eenmalige breuk gaan in een lang ontwikkelingspatroon, maar dergelijke breukmomenten zullen wellicht talrijker worden en bovendien reduceren ze sterk het normale, te voorzien electorale parcours.

Het niet determinerend karakter van historische ontwikkelingslijnen heeft veel te maken met de verminderde voorspelbaarheid en verankering van stemgedrag. Nog steeds zijn relatief makkelijk meetbare en vrij stabiele structurele kenmerken (zoals lidmaatschap van vakbonden, sociaaleconomische status of kerkelijkheid) de belangrijkste variabelen in de verklaring van stemgedrag, naast normen, waarden, attitudes en de evaluatie van het gevoerde beleid. Maar de impact ervan vermindert en wordt minder eenduidig. Verschillende processen (zoals ontzuiling, secularisering, tertialisering, individualisering of verhoogde scholingsgraad) amenderen de wijze waarop en de kracht waarmee een reeks kiezerskenmerken de partijvoorkeur beïnvloeden. De volatiele, laat beslissende kiezers vormen nog een minderheid, maar een die fors groeit en zeer belangrijk is: ze maken het verschil tussen winst en verlies en zijn daarom hét doelpubliek van de mediacampagnes.
Omdat deze kiezers vlotjes tussen enkele partijen huppelen zijn die campagnes ook zo braaf en voorzichtig. Ze mogen vooral niemand voor het hoofd stoten en dus blijven ze inhoudelijk op de vlakte. Veelal rest er dan vooral een vriendelijk, tof, optimistisch en gezellig imago als overtuigingsinstrument, uit te dragen door een sterke en herkenbare merkdrager. Bovendien lijken partijen ook veel meer op elkaar en vissen ze meer dan voorheen in dezelfde vijver. Deze overbevissing kan op termijn leiden tot het uitsterven van politieke verschillen, vandaag al een te koesteren soort. Politieke verschillen bestaan nog wel, maar zijn soms met moeite te vinden. Wellicht hebben ook allerlei onvoorspelbare en onvoorziene gebeurtenissen een grotere impact op het stemgedrag dan vroeger, toen de electorale voorkeur meer vastgeroest zat binnen sociale en familiale kringen. Kortom, oude ontwikkelingslijnen, tradities of reflexen verliezen een stuk verklarende en voorspellende waarde. Moeten we ons dan maar beroepen op goedkope, kortetermijnverklaringen? Neen, dat is onverstandig. Maar de vraag is ook of ze dat wel zijn.

Het is gezond om het spectaculair karakter van 18 mei in een ruimer kader te nuanceren maar anderzijds kunnen we er niet om heen dat de herverdeling van zetels tijdens deze verkiezingen uitzonderlijk hoog was. In Wallonië is het door sommigen geprezen tweestromenland ontstaan: PS en MR halen er 49 zetels, de overige drie oppositiepartijen - CDH, FN en Ecolo - samen nog 13. Aan Vlaamse kant is het nog lang niet zover, maar het verdwijnen van Agalev, de net-niet-verdwijning van de N-VA en de forse zetelwinst van sp.a-Spirit staan voor vrij forse verschuivingen.
Bovendien lijkt de oppositie, zeker in Wallonië, alvast numeriek grotendeels uitgespeeld te zijn. Ook aan Vlaamse kant blijft enkel de CD&V als volwaardige oppositiepartij overeind. Het eeuwig geroep van het Vlaams Blok is die naam niet waardig en zelfs een Bourgeois kan in een eenmansfractie geen wonderen verrichten. Zal de CD&V, na haar recente pandoering, nog scherp kritiek leveren op de meerderheid? Ook de CD&V ziet dat een vrolijke, positieve en gezellige knuffelbenadering electoraal meer loont. Een zwakke oppositie is bijzonder schadelijk voor een politiek bestel, maar dit terzijde.

Kunnen we de electorale verschuivingen verstandig verklaren, ervan uitgaand dat nuttige, langetermijnbenaderingen wellicht aan geldingskracht verliezen, door te wijzen op een reeks ad hoc elementen zoals de kieshervorming, de media en personalisering?
Vandaag is het te vroeg om daarover grote inzichten te produceren en wellicht zullen we nooit voldoende bevredigende antwoorden vinden. Toch kunnen we enkele voor de hand liggende instantverklaringen en evaluaties falsifiëren. De kiesdrempel heeft, in verhouding met alle aandacht ervoor, minder directe invloed gehad dan aanvankelijk werd gedacht. Daarvoor is die wettelijke kiesdrempel te laag. Enkel in Antwerpen en Oost-Vlaanderen - waar die hoger is dan de effectieve kiesdrempel - had de wettelijke drempel effect. Volgens berekeningen van Leuvense politicologen1 verloor Agalev drie en de N-VA twee zetels en wonnen de VLD en het Vlaams Blok twee en de CD&V daardoor één zetel. De kiesdrempel heeft dus weinig direct effect op de globale politieke krachtverhoudingen. Bij Agalev en de N-VA gaat het uiteraard om symbolisch en financieel heel belangrijke zetels. De drempel heeft wel een grote invloed op het toekomstbeeld van deze partijen. En hij droeg een beetje bij tot de vermindering van de fragmentatie, waarvoor hij ook werd ingesteld. Het is evenwel de kiezer die voor een rationalisering van het partijlandschap heeft gezorgd en dat zou hij ook zonder kiesdrempel hebben gedaan. Wellicht heffen het underdog-effect - een stem opdat een partij de drempel zou halen - en het verloren-stemeffect - geen stem omdat een partij de drempel niet zal halen - elkaar op. Wat met andere hervormingen van de kieswet, zoals de vergroting van de kieskringen en de eenmalige dubbele kandidatuur voor Kamer en Senaat? De tweede hervorming werd officieel gemotiveerd met de nakende hervorming van de senaat, maar net zoals voor de eerste ligt de werkelijke reden elders: zoveel mogelijk kiezers toelaten op de bekende kopstukken te stemmen, en zo de machtsconcentratie rechtstreeks legitimeren. Deze nieuwigheid kan samen gezien worden met een andere, langetermijntendens van ons politiek bestel: de toenemende mediatisering. Deze vormt samen met de groeiende individualisering in de politiek en daarmee samenhangende vervaging van inhoudelijke grenzen tussen partijen één populaire verklaringscluster.


Het is bon ton om deze cluster aan te halen. Mediatisering is de moderne deus ex machina: als er geen andere verklaring meer over blijft moeten het wel die stoute, almachtige media zijn. Die hebben enkel oog voor funky individuen-met-X-factor en niet meer voor inhoudelijke verschillen, wegens te moeilijk. De populariteit en alomtegenwoordigheid van deze verklaringscluster roept een natuurlijke tegenzin op hem te gebruiken. Vandaar dat er, zeer terecht, kritische tegenargumenten worden opgesteld. De mediatisering van de politiek is niet nieuw: ooit hielden partijbonzen de pen van journalisten vast en hadden editorialisten een te vrezen politieke invloed. Of was dat eerder politisering van de media? Vedettisme en nietszeggende slogans zijn evenmin nieuw: ‘met deze man wordt het anders’ en Tindemans haalde een monsterscore. Dus zijn mediatisering van en personalisering in de politiek geen nieuwigheden. Ook de ideologische en vormelijke convergentie van massapartijen zou al decennialang gestaag aan de gang zijn. Er is inderdaad dus niets nieuws onder de zon.
Betekent de vaststelling dat bepaalde ontwikkelingen al een tijd aan de gang zijn dat ze geen geldige verklaringskracht hebben? Neen, wel dat we ze niet kunnen inroepen om plotse verschuivingen te verklaren. Tenzij uiteraard de intensiteit en impact van die ontwikkelingen veranderen. Het is niet omdat iets zich al 40 jaar voordoet, dat het daarom altijd om hetzelfde verschijnsel met dezelfde impact gaat. Zoals Norbert De Batselier eerder in dit tijdschrift aangaf: ‘Vandaag is de impact van de media op de samenleving groter.’2 Ook voor De Batselier richten andere media dan televisie zich op de persoon en de dramatische aspecten van het handelen van die persoon.
We mankeren voldoende degelijk comparatief en longitudinaal wetenschappelijk onderzoek en dus regeren indrukken en percepties. Die vertellen doorgaans dat er iets aan de hand is met de reeds lang bestaande mediatisering van de politiek. Over de impact en de positieve dan wel negatieve effecten is het debat nog volop aan de gang. Men verwacht best niet dat empirisch onderzoek dit debat ooit ultiem zal kunnen beslechten, onderzoeksresultaten zijn niet altijd eenduidig (te interpreteren). De opinies van academici zoals Mark Elchardus in De Dramademocratie of Els Witte in Media en Politiek daarover zijn bekend, maar ook journalisten worstelen met dit vraagstuk. Blijkbaar groeit zelfs op de VRT nu het besef dat de gezelligheidsfactor tijdens de verkiezingsprogramma’s wel zeer hoog was. Daarom moeten de VRT-journalisten in de toekomst ‘een gepaste afstandelijkheid bewaren tegenover de politici’. Journalisten en politici moeten hun eigen rol spelen, journalisten moeten politici niet over de bol aaien zegt radiohoofdredacteur Jos Bouveroux.3 Deze wijze woorden zetten de repliek van Siegfried Bracke over de kritische opmerkingen op zijn zoete - wegens drempelverlagende - stijl wat in de wind. Politici in a-typische, verrassende omstandigheden brengen is al net zo’n flexibel argument als de aankondiging van politici dat ze a-typische, verrassende standpunten zullen innemen.
Ook binnen de journalistieke monde is de zelfbevraging dus gaande. Zowel Karel Verhoeven4 als Marc Holthof5 komen in hun kranten tot de correcte vaststelling dat televisieprogramma’s niet doorslaggevend zijn in de verkiezingsuitslag. Maar de bescheiden kijkcijfers mogen ons niet blind maken voor de invloed van de media, waarvan de verkiezingsprogramma’s maar het topje van de ijsberg zijn, schrijft Holthof. Media zijn vandaag almachtig, hebben zich de publieke ruimte toegeëigend en zijn het enige forum waar politiek nog bedreven wordt. Politiek wordt gemaakt op televisie, de geschreven pers wordt meer een aanhangsel van de televisie. Emotie en identificatie nemen de overhand op rede en afstandelijkheid, vervolgt Holthof. Politici worden een product als een ander, ze moeten aangeprezen en verkocht worden en de greep van de marketing wordt steeds groter. En dan komt de relevantie voor de verklaring van het stemgedrag naar voor: ‘De fatale gevolgen van de verkiezingen voor Agalev, Stefaan Declercq en de NVA zijn, daar is iedereen het over eens, te wijten aan het gebrek aan media-fähigheid. Niet de inhoud, maar de presentatie faalde. (…) In de media wint de vorm het immers op de inhoud, de bekendheid op de dossierkennis, de jeugd op de ervaring, de radde tong op het feit dat men iets te zeggen heeft.’ Voor Holstof is het dus een uitgemaakte zaak: scoren politici zoals Stevaert, Anciaux en Verhofstadt omdat ze bekwame politici zijn of omdat ze sympathiek en energiek overkomen?‘ Dat laatste dus. Ook al sluit dat, voorlopig, het eerste nog niet uit.’
Is dit het ultieme verklaringsmodel voor 18 mei? Uiteraard niet. Teveel andere factoren vallen er buiten, waardoor deze eenzijdige - media zijn veel gevarieerder - en pessimistische visie door de bocht gaat. Dus neen, niet iedereen is het er over eens: heel wat actoren en commentatoren halen begrijpelijkerwijze hun neus op voor soortgelijke verklaringen. Ook vanuit wetenschappelijk oogpunt valt er heel wat tegenin te brengen. Toch leeft deze visie sterk bij een aantal analisten, zoals Derk Jan Eppink, voor wie de eenzijdige aandacht voor kopstukken van de politiek een soort show maakt, over de beste slogans of leukigheidjes.6 Hoe komt deze collectieve zinsbegoocheling tot stand? Zit er dan helemaal geen verklaringskracht in deze argumentatie, kan je met deze beschouwingen dan niets zinnigs zeggen over 18 mei? Toch wel. Door het afgenomen belang van andere informatie- en socialisatiekanalen neemt de invloed van de voorstellingen door de media en de performance in de media op het beeld dat kiezers hebben van de integriteit, dossierkennis, inzet van politici toe. Dus is het een noodzakelijk, maar onvoldoende verklaringselement voor verkiezingsresultaten. Politiek verklaren zal meer dan ooit een zeer all-round job worden, de politicologie staat voor de uitdaging dat zij bijzonder multidisciplinair of irrelevant zal zijn. Yves Desmet heeft terecht opgemerkt dat de beste politieke analyse na de verkiezingen niet door een politicoloog, commentator of socioloog werd opgemaakt, maar door een reclamejongen, Guillaume Van der Stichelen, die de implosie van Agalev verklaarde met de merken Becel en Bertolli.7 Als marketingtermen het halen van het voetbaljargon of dat van de wielrennerij, dan moet er toch wel iets aan de hand zijn?

Carl Devos
Vakgroep Politieke Wetenschappen - Universiteit Gent

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ ‘Kiesdrempel laat sporen na’. In: De Standaard, 20 mei 2003.
2/ Norbert De Batselier - ‘De verwevenheid tussen media en politiek: een moeilijke evenwichtsoefening’. In: Samenleving en politiek, 10, 2003, 3, p.5.
3/ ‘VRT-journalisten worden ‘afstandelijker’’. In: De Morgen, 31 mei 2003.
4/ ‘Televisie heeft de verkiezingen verloren’. In: De Standaard, 17-18 mei 2003.
5/ ‘Politiek is een vorm van lifestyle geworden’. In: De Financieel-Economische Tijd, 30 mei 2003.
6/ ‘Kieswet maakt democratie tot verliezer’. In: De Standaard, 3 juni 2003.
7/ ‘Hoezo, Vlaanderen heeft rechts gestemd’. In: De Morgen, 31 mei 2003.

verkiezingen - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 4 tot 8