Abonneer Log in

De Franstalige stembusgang: zelfde vlag, andere lading

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 19 tot 25

Als er op het eerste zicht iets opvalt aan de verkiezingsuitslag in het Franstalige landsdeel, dan is het wel dat er weinig opvalt. Het verdict van de Franstalige kiezer lijkt als twee druppels water op dat van de Vlaamse kiezer. Dat is opmerkelijk, want de stembusslag van 18 mei was in wezen confederaal. Het politieke landschap in België is goeddeels op taalbasis gescheiden. Vlamingen kunnen niet voor Walen stemmen en omgekeerd. Bovendien zijn de partijen die zich, aan weerszijden van de taalgrens, op dezelfde ideologische basis beroepen, in grote mate van elkaar vervreemd. Al brachten VLD en MR daar een week voor de verkiezingen een opvallende verandering in door zich te profileren als één politieke familie, een contract te ondertekenen met gezamenlijke uitgangspunten voor de volgende legislatuur en af te spreken niet zonder mekaar in een regering te stappen. Al is het evident dat de liberale as er kwam vanwege zuiver strategisch electorale motieven (wat overigens niet meer dan logisch is), was dit in theorie een opvallende trendbreuk in de Belgische politiek-communautaire relaties. Zo werd het blijkbaar ook in de Franstalige pers opgevat want daar was het onderwerp van commentaar en discussie tijdens de debatten. Niet zo in de Vlaamse pers, waar het enkel zonder veel duiding werd genoteerd. Samen met het feit dat het meer om een verkiezingsstunt ging dan om een doordachte politieke oriëntatie (zoals dat wel het geval is bij de jarenlange groene samenwerking) beperkte dit de effecten ervan in de praktijk. Al wisten opmerkzame kiezers wel dat een stem voor Verhofstadt er ook één voor Michel was en vice versa.

De verkiezingen bleven dus in wezen confederaal. Er werden de facto twee aparte verkiezingen gehouden waarvan men op de verkiezingsavond de resultaten samen heeft gelegd om er de toekomstige coalitie uit te kunnen distilleren. Dat vergde op 18 mei echter bijzonder weinig moeite omdat de stemevoluties opvallend gelijklopend waren.
Uiteraard dragen de machtsverhoudingen tussen de politieke partijen in Vlaanderen, Wallonië en Brussel nog steeds de sporen van de geschiedenis met zich mee, zodat de traditionele verschillen blijven bestaan: Groenen en socialisten zijn nog steeds populairder bij de Franstalige kiezers, christendemocraten en vooral extreemrechts staan nog steeds sterker in Vlaanderen. Deze machtsverhoudingen evolueerden echter frappant in dezelfde richting. Maar gelijkaardige verschuivingen in partijstemmen reflecteren vandaag niet noodzakelijk totaal gelijkaardige verschuivingen in inhoudelijke oriëntaties. Zowat alle politieke partijen in West-Europa hebben de laatste jaren verregaande veranderingen ondergaan zodat onder een socialistisch, christendemocratisch of liberaal label dikwijls een verrassende inhoud kan schuilgaan. Ook in België gingen de verschillende politieke families de laatste decennia hun eigen weg en vernieuwden ze zichzelf, al dan niet met de hulp van andere formaties. Dit levert onvermijdelijk ook verschillen op tussen de erfgenamen van de Belgische unitaire partijen.

Zo was de voorbije stembusslag voor christendemocraten aan weerszijden van de taalgrens een belangrijke test. Zowel de CD&V als de CDH leden in 1999 een historische nederlaag, al betekende dit bij de CD&V dat ze federaal nipt niet meer de grootste partij was (maar nog wel op het Vlaamse niveau) terwijl het voor de CDH neerkwam op een povere vierde (en dus de facto laatste) plaats in de Franstalige politieke ranglijst. Deze verkiezingen moesten duidelijk maken of het hier om een conjuncturele achteruitgang ging of om de eerste fase van een lang, sociologisch verklaarbaar, afkalvingsproces. Beide partijen zagen daarom de noodzaak in van een grootscheepse vernieuwingsoperatie. In tegenstelling tot de Vlaamse Christendemocraten liet de PSC de ‘C’ vallen, zich bekerend tot het humanisme. Nochtans is het opvallend dat rond een typisch ethisch thema als het homohuwelijk de partij mét de C een progressiever standpunt hanteert. Op socio-economisch vlak is er wel grotendeels overeenstemming.

Bovendien leverde de naamsverandering de CDH een nogal gevreesde dissidentie op van de CDF (Chrétiens Démocrates Francophones). Hoewel deze uiteindelijk geen potten heeft gebroken, moest de CDH toch nog eens 1 à 2 procent prijsgeven, net als de CD&V. Ook deze keer hadden deze gelijkaardige cijfers weer een andere betekenis voor beide partijen omdat ze allebei uitgingen van hun oorspronkelijke positie. Terwijl de CD&V opnieuw de grootste moest worden bij deze verkiezingen, was de inzet voor de CDH het behalen van de derde plaats in Franstalig België. Bovendien werd de CDH al maanden geplaagd met slechte peilingen en was de afsplitsing van de CDF ook niet meteen een hoopvol teken. Het is dan ook de slechte score van ECOLO, eerder dan de goede eigen score, die ervoor zorgt dat Joëlle Milquet misschien toch nog een kans krijgt terwijl de positie van Stefaan Declercq op 18 mei al onhoudbaar was. De treffend gelijkaardige uitslag voor Vlaamse en Franstalige christendemocraten bevestigt alleszins de sociologische analyse dat de ontkerkelijking de partijen parten gaat blijven spelen.

Beide liberale partijen slaagden daarentegen wel in hun opzet om hun positie te verstevigen, al kon de MR wel een mooier resultaat voorleggen (bijna 4% meer in de Franstalige kieskring voor de senaat). Hier waren de groeistrategieën die beide partijen de voorbije jaren hanteerden opvallend gelijkaardig. Het doel was hetzelfde: een grote volkspartij worden. De middelen verschilden soms, samen met het vijandsbeeld dat daarmee gepaard ging. Terwijl de VLD hiervoor de CD&V moest onttronen, was het voor de MR zaak de PS af te zetten. In het Franstalige politieke landschap kon dat dan ook door een centrumrechtse alliantie tussen MR en CDH, een plan waar in 1997 achter de schermen hard aan gewerkt werd. De toenmalige PSC was echter niet mee te krijgen, waardoor Louis Michel, die zijn partij kost wat kost uit de langdurige en verlammende oppositiekuur wou bevrijden, zich dan maar tot de socialisten heeft gericht met het bekende stembusakkoord tot gevolg.1
Een ander gevolg was dat de verruimingsstrategie die gehanteerd werd sterk gelijkt op deze die de VLD in Vlaanderen zou toepassen. Enkele jaren voor Johan Van Hecke de overstap zette naar de liberalen via het tussenstationnetje NCD, had Gérard Deprez hem dat al voorgedaan met de MCC. In hun beider zog volgden nog enkele andere christendemocraten. Van Deprez werd tijdens de voorbije stembusslag overigens evenveel vernomen als van Van Hecke. Uit het reservoir van de taalpartijen werd ook geput. Al is Karel de Gucht er niet in geslaagd om de verweesden van de Volksunie als homogene groep mee te trekken, in tegenstelling tot de Franstalige liberalen die het FDF al in 1993 zagen aansluiten. De liberale verruiming, die vooral met het FDF niet altijd even vlot verliep, kreeg tijdens de voorbije legislatuur zijn beslag met de vervanging van het ingewikkelde PRL-FDF-MCC door MR. Ook hier verdween de term ‘liberaal’. Niet zo aan Vlaamse kant, maar ook de VLD positioneert zich eerder als centrumpartij dan als rechtse partij. Een centrumpositie met evenwel andere klemtonen. Terwijl Karel De Gucht zijn partij vooral op ethisch vlak de progressieve richting uitstuurt, doet Louis Michel dat eerder op socio-economisch vlak.

Extreemrechts stijgt ook beduidend in beide landsdelen, maar de reactie daarop verschilt grondig. Terwijl de algemene verontrusting hierover zowat hét gespreksonderwerp was op de sets van de Franstalige zenders op 18 mei, bestonden de weinige reacties in Vlaanderen in de zoveelste oproep om het cordon sanitaire te doorbreken. Er kan geen groter verschil bestaan tussen Vlaamse en Franstalige politici in hun houding tegenover extreemrechts. Beelden van Bracke en Crabbé die op de sofa zitten te keuvelen met Dewinter of Annemans over hun gezinsleven: het is voor elke politicus over de taalgrens onvoorstelbaar. Het is bovendien ook vrij uniek, want hoewel extreemrechts in vele andere landen wel aan het woord wordt gelaten zijn er weinig plaatsen waar het ook mee in de kolk van het infotainment wordt gezogen. Onlangs was er nog opschudding over het feit dat Jean-Marie Le Pen anderhalf uur spreektijd kreeg op de Franse televisie, maar het bleef wel een zuiver politiek gesprek. Enkele dagen voor het extreemrechts onderonsje op de VRT besloot MR-kopstuk Jacques Simonet de VTM-studio waar hij was uitgenodigd te verlaten toen Gerolf Annemans binnenwandelde. Het verschil is tekenend. Al kunnen er wel kanttekeningen bij geplaatst worden. Zo hanteerde Roger Nols, een vroegere partijgenoot van Simonet, als burgemeester van Schaarbeek een taalgebruik tegenover migranten dat de confrontatie met de campagnes van het Blok perfect kan doorstaan. Simonet zelf drukte zich in deze materies ook niet altijd even fijnzinnig uit. Maar tegenover extreemrechtse partijen is de houding heel consequent. Geen enkele vertegenwoordiger van het FN was op radio of tv te zien, ook niet na de verkiezingen. Wie wou weten hoe FN-kopstuk Daniel Féret er eigenlijk precies uitziet, moest op Ter Zake afstemmen. Of een uitgebreide mediacoverage in de media de score van het FN nog zou verhoogd hebben is moeilijk te zeggen, maar het is duidelijk dat bij de Franstaligen een normalisering van extreemrechts, zoals die zich in Vlaanderen weer duidelijker aftekende tijdens de campagne, nog niet voor morgen is.

De opvallendste gebeurtenis in zowel Vlaanderen, Wallonië als Brussel was echter de herschikking aan de linkerkant van het politieke spectrum: het forse verlies van de Groenen en de (daaraan gekoppelde) sterke winst van de socialisten. Deze viel vooral op in Vlaanderen, maar was toch ook zeer beduidend bij de Franstalige kiezers. Sinds de enorme piek van 1987 had de PS een derde van zijn kiezers verloren. De partij was tijdens de vorige legislatuur in de Kamer maar nipt groter dan de MR en in de Senaat zelfs kleiner. De verkiezingen van 18 mei gaven de PS opnieuw een grote voorsprong. In de senaat komt dit zelfs neer op een stijging van 40 % in vergelijking met het vorige resultaat. Ook de redenen voor de socialistische zege zijn in grote mate gelijklopend in beide landsdelen en daarmee dus ook de redenen voor de groene ondergang.

Zowel Agalev als Ecolo verloren ongeveer 60% van de kiezers die ze hadden in 1999. Ook de Franstalige Groenen kregen het tijdens de campagne hard te verduren van hun collega’s, zij het dan vooral van de liberalen (en niet het minst van Louis Michel) die hen onder meer een ‘doctrinaire’ houding verweet. Hoewel dergelijke verwijten al eerder te horen waren, gaf vooral Francorchamps een vrijgeleide aan de MR om die kritiek te versterken. Hun houding duidde op fanatisme en fundamentalisme volgens Luikenaar Didier Reynders, die vond dat de stembrieven de vermelding ‘de ecologisten schaden de economische gezondheid’ moesten bevatten. Ook de liberale antigroene strategie was dus ook opvallend gelijklopend in beide landsdelen. ‘Een economische plaag, agressief tegen elke economische activiteit, Waalse talibans’: de Franstalige liberalen waren zelfs nog minder genuanceerd dan de Vlaamse. Belangrijk verschilpunt is wel dat de Franstalige Groenen zich bijna niet tegen de PS hebben geprofileerd, maar eerder tegen die liberalen. De socialisten aanvallen zou ook nogal moeilijk geweest zijn omdat men daarmee een akkoord had gesloten over een aantal inhoudelijke prioriteiten die beide linkse partijen gemeenschappelijk hebben, de zogenaamde convergences à gauche. Een samenwerking die minder ver gaat dan die met Agalev, maar desondanks onvertoond was in het Franstalige politieke landschap. Het bindmiddel kwam echter al snel onder druk te staan door splijtzwammen als Nepal en Francorchamps. Niettemin waren de socialisten in de campagne over het algemeen ook mild tegenover de Groenen, al lieten dwarsliggers als de gebroeders Happart het niet na daarop een uitzondering te maken. De beruchtste van het tweetal lag als Waals minister van landbouw al heel de afgelopen legislatuur overhoop met de Groenen. Dit doet alleszins vermoeden dat het niet de aanvallen op sp.a zijn die Agalev fataal zijn geworden, zoals wel eens snel geconcludeerd wordt. De Vlaamse Groenen hadden integendeel waarschijnlijk beter door dan hun Franstalige geestesgenoten dat ze vooral aan de socialisten pluimen zouden laten. Ecolo verwachtte eerder te verliezen aan de CDH, vanwaar ze in 1999 veel van haar stemmen haalde. Het ziet er echter naar uit dat rood en groen ook voor de Franstalige kiezers steeds meer communicerende vaten zijn geworden.

De reden daarvoor is dan weer te zoeken bij de interne veranderingen bij de socialisten. Vooral het imago van beider partijen speelt daarbij een grote rol: de oude SP van Tobback werd op vier jaar tijd omgetoverd tot de jonge sp.a van Stevaert en zijn teletubbies. Het is in Vlaanderen nog niet echt doorgedrongen, maar die metamorfose vertoont, alleszins op uiterlijk vlak, verschillende gelijkenissen met die van de PS. In 1999 komt de PS zeer belabberd uit een grootschalig onderzoek over de perceptie van de Franstalige politieke partijen door hun kiezers. De partij is ouderwets, onaantrekkelijk, vermolmd en verstard. Dat is het beeld dat nu in Vlaanderen nog steeds leeft, met nog de schandalen en de veto’s erbovenop. Ook Di Rupo heeft echter niet stil gezeten de afgelopen vier jaar. Net als Janssens en Stevaert startte hij met een ingrijpende vernieuwingsoperatie, begeleid door een moderne en frisse communicatie. De lijsten verjongen en vervrouwelijken. Symbool van deze trend is de jonge Marie Arena, die in het voorjaar 2000 als volslagen onbekende tot Waals minister van arbeid gebombardeerd wordt.

Niet dat plots alle Vlaamse percepties fout zijn natuurlijk. Uiteraard is en blijft de PS een machtspartij. Hoe kan het ook anders met een historisch zo sterke positie in Wallonië die nu enkel nog maar verstevigd wordt. Daar horen uiteraard ook heel wat minder fraaie kantjes bij, zoals politieke benoemingen en dienstbetoon. Soms zou men echter de indruk krijgen dat een dergelijk machtsbastion in Vlaanderen niet bestaat. Misschien is dat te wijten aan de wissel van de wacht die Vlaanderen de laatste jaren kent. Bovendien heeft Di Rupo het openlijk opgenomen tegen de baronieën in zijn partij. Zolang zijn indrukwekkende populariteit blijft stijgen heeft hij daar de legitimiteit toe. Al lukt het (nog) niet overal even goed, met de Luikse PS-afdeling als meest sprekende voorbeeld. Aan de andere kant heeft de indrukwekkende nederlaag van de ‘oude SP’ in 1999 tot gevolg dat de vernieuwing op personeelsvlak nog veel sterker kon doorgevoerd worden. Maar recent viel sommige commentatoren toch op dat in bepaalde Vlaamse rode bolwerken de wind nog niet helemaal gedraaid is.

Groot verschil met de hervormingen bij de sp.a is echter dat de vormelijke vernieuwing bij de PS gepaard gaat met een duidelijke verlinksing van het discours. De links-rechtsas, die in Vlaanderen steeds meer als achterhaald beschouwd wordt, vormde voor de PS van Di Rupo dé inzet van de verkiezingen. Hij nam het dan vooral op tegen de liberalen. Die mochten dan weliswaar door een sociale liberaal en humanist als Louis Michel geleid worden, ‘Big Loulou’ was voor Di Rupo enkel de sociale boom die het rechts-liberale bos verstopte. Di Rupo had zich tot taak gesteld de liberalen te ontmaskeren en de PS een onbetwistbaar linkse koers te laten varen. Nochtans had hij zich als vice-premier van Jean-Luc Dehaene tijdens de tweede helft van de jaren 90 eerder als gematigde sociaaldemocraat geprofileerd. Het bleef bovendien niet bij de zogenaamde oud-linkse eisen. Het nieuwe PS-programma liet tegelijkertijd ook veel ruimte voor meer nieuw-linkse accenten, zoals gelijke sociale behandeling voor zelfstandigen of het einde van de oorlog tussen de schoolnetten. Er werd ook in toenemende mate de nadruk gelegd op postmateriële waarden. Di Rupo maakte persoonlijk een punt van de gelijkberechtiging van holebi’s maar ook op het vlak van softdrugs neemt de PS een veel radicaler libertaire positie in dan zijn Vlaamse tegenhanger.

Het inhoudelijke luik van de vernieuwing kreeg vooral vorm in de Ateliers du progrès, talrijke debatavonden in Wallonië en Brussel die openstonden voor iedereen die wou nadenken over de inhoudelijke koers van de partij. De deuren werden geopend voor de christelijke arbeidersbeweging, ngo’s, andersglobalisten en andere vertegenwoordigers van het ruime progressieve middenveld. Di Rupo, die deelnam aan het Wereld Sociaal Forum in Porto Alegre, maakt van de strijd voor een andere globalisering een volwaardig hoofdstuk in het partijprogramma en op congressen. Jonge progressieven, die zich enkele jaren tevoren niet konden terugvinden in de oude PS, raken stilaan sterk gecharmeerd.
Een goede vernieuwingsoperatie moet eveneens veruitwendigd worden in de lijstvorming, wat leidde tot personeelsvernieuwing. Van de 25-koppige kamerfractie zijn er 9 kersverse kamerleden verkozen. Er stonden een aantal verruimingskandidaten op de lijsten die het belang van het middenveld moesten illustreren zoals Pierre Galand, de oud-voorzitter van de CNCD (de Franstalige ngo-koepel); Christiane Vienne, federaal secretaris van de MOC (de Christelijke arbeidersbeweging) of Jean Cornil, de ondervoorzitter van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding. Het is deze inhoudelijke terugkeer naar de oude vaste waarden, gekoppeld aan een aansluiting bij de jonge, nieuwe links-progressieve krachten die Di Rupo, onder de noemer van een bocht naar links, heeft uitgespeeld.

Het verhaal gaat niet gelijk op voor de sp.a. Er werd niet ingezet op het voeren van inhoudelijke discussies op een soortgelijke grote schaal. Toch kwam er inhoudelijke vernieuwing, en nog geen beetje. Maar deze kreeg eerder diffuus vorm via beleidsdaden en stellingnames van Steve Stevaert en (in mindere mate) van andere boegbeelden. Maar vooral duwde die vernieuwing de sp.a op verschillende vlakken in een tegengestelde richting uit dan de PS, namelijk eerder in het centrum.

Die verschillende inhoudelijke invulling is ook niet zonder gevolgen voor een eventuele progressieve frontvorming, die vooral in Vlaanderen opnieuw brandend actueel is. Op inhoudelijk vlak heeft de vernieuwing bij de PS de partij dichter bij Ecolo gebracht, wat leidde tot de convergences à gauche. Deze zijn minder actueel geworden omdat ze vooral opgevat waren als gezamenlijk te realiseren punten bij een volgende regeringsdeelname van groenen en socialisten. Het lijkt er echter op dat dit soort inhoudelijke samenwerking in Vlaanderen bemoeilijkt wordt door de nieuwe socialistische profilering op bepaalde vlakken. Het is immers de vraag of Agalev en sp.a overeenstemming zouden kunnen bereiken over welke dossiers zij prioritair naar voren schuiven, zoals het invoeren van een vermogingsbelasting, het substantieel optrekken van sociale uitkeringen en laagste lonen of het invoeren van een CO2-taks, die in de gezamenlijke stellingname van PS en Ecolo waren terug te vinden. Tijdens de afgelopen legislatuur vormde er zich op bepaalde terreinen, met als voorbeeld bij uitstek de asielproblematiek, meermaals een progressief front PS-Ecolo-Agalev in het federale parlement. De sp.a nam daarbij meestal een tussenpositie in of zat eerder op de liberale lijn. Het is dan ook geen toeval dat de Vlaamse Groenen vooral de nadruk leggen op inhoudelijke samenwerking rond concrete punten, terwijl men bij de sp.a meer in de richting van een kartelvorming denkt waarbij de verschillende partners hun identiteit en afwijkende standpunten kunnen behouden.

Het bovenstaande toont aan dat gelijkaardige vlaggen wel eens andere ladingen kunnen dekken. Dit betekent allerminst dat de gehele Franstalige politieke klasse anders zou denken dan de Vlaamse, zoals wel eens beweerd wordt. Dit is enkel het geval voor de communautaire problematiek en zelfs daarover zijn er niet onbelangrijke verschillen tussen Vlaamse en Franstalige partijen onderling en vooral ook binnen die partijen. Wel zijn er binnen de politieke families op sommige vlakken verschillende inhoudelijke ideologische oriëntaties. Dat is niet onlogisch. Het product past zich ten dele aan de markt aan. In Wallonië is de economische crisis immers nog steeds van die aard dat een traditioneel links discours er op veel bijval kan rekenen. En hoewel in het Vlaanderen van vandaag alles zeker niet zo rooskleurig is als sommigen het willen voorstellen, is men daar toch makkelijker onder de indruk van een goedkopere autoverzekering. Dat zorgt voor wisselende coalities tijdens de formatiegesprekken. Zeer veralgemenend zou je kunnen stellen dat de links-rechtsas er op socio-economisch vlak als volgt uitziet: PS-sp.a-MR-VLD. Op de levensbeschouwelijke breuklijn en meer algemeen op socio-cultureel vlak varieert de opstelling naargelang de thema’s. Op alles wat met veiligheid, asielbeleid of migranten te maken heeft, zorgt de hete adem van het Vlaams Blok ervoor dat de Vlaamse partijen geneigd zijn repressievere standpunten in te nemen. Dat leidt ertoe dat MR en sp.a hier wel eens op dezelfde lijn staan, met PS en VLD aan weerskanten. Of dat de VLD geïsoleerd is, zoals over het migrantenstemrecht. Over een thema als adoptie voor holebikoppels zijn het dan weer de Franstalige liberalen die alleen staan. Maar dat kan over 10 jaar weeral heel anders zijn. Bovendien is lichtblauw nog steeds blauw en donkerrood nog steeds rood. Maar vooral het electoraal-strategisch element mag niet vergeten worden. Dat brengt sommige partijen ertoe standpunten in te nemen waarvan men weet dat ze nog voor de onderhandelingstafel zullen sneuvelen. Dat is soms de voornaamste reden waarom ze worden ingenomen.

Dave Sinardet
Departement Politieke en Sociale Wetenschappen - Universiteit Antwerpen

Noot
1/ In tegenstelling tot de in Vlaanderen gangbare overtuiging gold dat akkoord enkel voor de regionale assemblées. Op federaal vlak werd ook wel een voorkeur tot samenwerking uitgesproken, maar men ging ervan uit dat de CVP wel in de regering zou blijven.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 19 tot 25