Abonneer Log in

De rustige zekerheden van 18 mei 2003

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 3

Zodra een verkiezingsuitslag bekend maar nog niet helemaal bezonken is, beginnen de interpretaties en verklaringen vlot te circuleren. Die komen van journalisten die een paar uur na de uitslag al een krant of een journaal moeten vullen, en van sociologen, politicologen en communicatiedeskundigen die in die eerste uren niet tijdig konden wegduiken voor naar gezagvolle duiding hengelende perslui. Het effect daarvan is evident en gekend: de toon van de analyses wordt gezet door de verrassingen in de uitslag.

Verschuivingen worden opgeblazen tot ‘winnen’ en ‘verliezen’, met het onuitroeibare gevolg dat er vaak diverse winnaars en diverse verliezers zijn, en zulks niet alleen omdat Belgische verkiezingen nu eenmaal in twee verschillende kiezerskorpsen uitgevochten worden. Voor je het weet zijn er ook nieuwe ‘trends’ ontstaan, waarvan we voorlopig eigenlijk alleen maar het beginpunt kennen, zodat de ‘nieuwe trend’ net zo goed een afwijking op een bestaande trend kan zijn. En omdat de uitslag moet geduid worden na afloop van weken van intense politieke zichtbaarheid, worden de verklaringen gretig en gemakkelijk gezocht in wat zich in die voorbije weken heeft afgespeeld.
Er is ook een andere manier om naar verkiezingsuitslagen te kijken, en die bestaat er in essentie in - het is echt geen kunst - om een klein beetje afstand te nemen van die ene uitslag, en eerder achterom dan vooruit te kijken. Dat levert meteen het inzicht op dat de meeste verkiezingsuitslagen nogal wat fundamentele zekerheden bevatten. Dat is voor 18 mei 2003 zeker ook het geval. Het is allicht goed eraan te herinneren dat ook de verkiezingen van 1999 vol zekerheden zaten. Er volgde weliswaar een nieuwe en onuitgegeven coalitie op de stembusslag, maar die bevatte geen enkele ontwikkeling die niet al minstens een decennium aan de gang was.
De eerste fundamentele trend die in 2003 nog maar eens bevestigd wordt, is de gestage maar zeer langzame groei van de VLD: sinds 1987 haalt die in het Vlaamse Gewest achtereenvolgens 18,5%, 19,1%, 21,1%, 22,6% en tenslotte 24,6%. Dat is nooit spectaculair, maar wel overduidelijk. Nochtans deed en doet de VLD wel vrij ingrijpende dingen: een nieuwe naam en nieuwe statuten in 1992 en nadien vooral het systematisch verleiden van politici met naam en faam uit andere partijen: Gabriëls, Chevalier, Vankrunkelsven, Gatz, Van Hecke, Pinxten, Staes, Moreels, Van Quickenborne, Borgignon. Er zitten vandaag bij de VLD drie voormalige VU-voorzitters en een voormalige CVP-voorzitter, en dat heeft samen sinds de creatie van de VLD een goede 5% van de stemmen opgebracht. Geen enkele van die operaties sorteert dus duidelijk een groot effect (en hier en daar zijn er misschien negatieve effecten), maar de slotsom is toch een gestage en vooral zich telkens bevestigende groei.

Maar alle euforie ten spijt, blijft de 24,6% van 2003 ook een merkwaardig lage score. In geen enkel ander land van de Europese Unie is de grootste partij zo klein als in België (15,4%). Zelfs als we het Vlaamse gewest als een volwaardig land beschouwen, komt de VLD met zijn 24,6% nog steeds op de allerlaatste plaats, al komt dan de Finse centrumpartij Suomen Kekusta met 24,7% dicht in de buurt. In 11 van de 15 lidstaten haalt de grootste partij meer dan 30% en in 5 landen is dat meer dan 40%. Zij en zij alleen mogen zich terecht tooien met de titel van volkspartij.

Een tweede force tranquille in de verkiezingsuitslag is het Vlaams Blok. De stijging van het Vlaams Blok is een ietsje kleiner dan de vorige keer (17% meer kiezers tegen 21% meer kiezers in 1999), maar dat verschil is miniem. De curve behoudt haar zelfde stijgingspercentage. Het is ongetwijfeld mogelijk om de vooruitgang van het Vlaams Blok deze keer toe te schrijven aan de Antwerpse crisis, aan de wijze waarop het Blok bij de VRT aan bod kon komen, aan de discrete charme van Anke Vandermeersch, aan de campagne voor een Veilig Vlaanderen of aan andere kortetermijngebeurtenissen, maar aangezien de opgang al ruim veertien jaar met hetzelfde ritme aan de gang is, lijkt het ons zinvoller om daar niet te lang te blijven bij stilstaan en eerder nog eens te lezen wat de sociale wetenschappen het voorbije decennium over het succes van rechts populisme geproduceerd hebben. Het is ook goed te beseffen hoe professioneel en efficiënt de permanente propagandamachine van het Vlaams Blok draait. Het helpt ook om te zien hoe op de electorale markt - welke ook de concrete inzet moge zijn - het Blok een ijzersterk product is geworden en daarom de evidente keuze is voor wie op een of andere manier meent dat er dingen fout lopen en dat oplossingen niet geleverd worden door die ene pot nat van de klassieke partijen die zichzelf nog wat klassieker maken door het Blok als een paria te beschouwen.

Er zijn ook twee dalende trends die door de verkiezingen van 18 mei nog maar eens bevestigd worden. De eerste is de achteruitgang van de CD&V. Dat is de meest duurzame trend uit de Vlaamse politieke geschiedenis van de voorbije halve eeuw. Sinds de jaren vijftig, toen de Christendemocraten nog meer dan de helft van de Vlaamse stemmen behaalden, is de CD&V meer dan gehalveerd. Alleen in de loop van de jaren zeventig is er enige heropleving te zien, maar sindsdien gaat het weer verder naar beneden. Ontkerkelijking en het schijnbare onvermogen van de christendemocratie om te rekruteren buiten een kerks kiespubliek verklaren die trend en maken meteen ook het strategisch antwoord erop bijzonder moeilijk. Ook hier zou kunnen gewezen worden op een zwakke campagne of een zogenaamd slecht communicerende voorzitter, maar ook tussen het begin en het einde van het tijdperk Dehaene zit er een achteruitgang van 4,4% of één zesde van het kiezerskorps. Dat jonge en frisse kandidaten de wissel op de toekomst zouden zijn, maakt ook deel uit van daags na de verkiezingen gevormde instantillusies: indien de West-Vlaamse lijst van Stefaan Declercq even goed gescoord had als de Antwerpse lijst van Inge Vervotte, had de CD&V in West-Vlaanderen 27,5% in de plaats van 26,7% gehaald. Dat lijkt mij niet meteen een doorslaggevend argument om voortaan in naam van de heilige vernieuwing alleen maar nieuwlichters op de lijsten te zetten.

De tweede dalende trend is die van het Vlaams Nationalisme, op voorwaarde natuurlijk dat we daar het Vlaams Blok niet bij rekenen. De geschiedenis die hier moet worden gevolgd is die van de Volksunie in haar opeenvolgende verschijningen. In 1971 behaalde die nog haast 19% van de Vlaamse stemmen, en ze was daarmee groter dan de toenmalige PVV. Maar sindsdien is het steeds bergaf gegaan, met alleen maar een kleine opflakkering in 1981. De vraag waar het met deze politieke beweging naartoe moet, beroert de militanten al vele jaren, en heeft mede aanleiding gegeven tot het uit elkaar spatten van de Volksunie. Op het eerste gezicht kan het vreemd lijken dat er in Vlaanderen geen ruimte zou zijn voor een partij die in eerste instantie de belangen van de regio wil verdedigen. In andere regio’s met een vergaande politieke autonomie spelen dergelijke partijen een prominente rol (zoals de Schotse SNP) of zelfs de hoofdrol (zoals de Catalaanse CiU). Maar die staan daar als verdediger of bestuurder van de regio tegenover andere partijen wier basis niet alleen die ene regio is, maar het gehele land. De afwezigheid van federale partijen in België geeft àlle partijen het statuut van regionale partij die (ook) de belangen van de regio behartigt. Het is één van de ironieën van het Belgische bestel. De afwezigheid van federale partijen beperkt door de noodzaak aan congruente coalities niet alleen de politieke autonomie van de regio’s, ze neemt ook de voedingsbodem en de bestaansreden weg voor een partij als de N-VA.
Voor vier van de zes partijen die we in de Vlaamse verkiezingsuitslag terugvinden, was 18 mei 2003 dus een zoveelste bevestiging van ontwikkelingen die al langer aan de gang zijn. Die kunnen dus niet verrassend genoemd worden, en evenmin door kortetermijnargumenten geduid worden. Voor twee partijen was de uitslag een verrassing, omdat die duidelijk afwijkt van de ontwikkelingen op lange termijn. Hier is het (voorlopig althans) gerechtvaardigd om verklaringen te zoeken in dingen die tussen 1999 en 2003 gebeurd zijn, zolang we maar niet meteen aannemen dat de afwijking van de bestaande trend de aanzet is tot een nieuwe trend. De enorme sprong voorwaarts van het kartel sp.a-Spirit vraagt om bevestiging. Dat met dit ene succes zou aangetoond zijn dat kartels werken, en dat één plus één altijd meer is dan twee, is een al te snelle en daarom dubieuze veralgemening. In Hasselt heeft een rood-groen kartel het al wel eens goed gedaan, maar bij de Brusselse gewestverkiezingen van 1999 deden een rood-groen en een VLD-VU-kartel het absoluut niet goed. Een wetmatigheid is in dit alles dus voorlopig niet te ontwaren.

Dat de rode sprong voorwaarts om bevestiging vraagt, steunt ook op de vaststelling dat de verschillende peilingen vóór de verkiezingen heel duidelijk aangetoond hebben dat de stijging van het kartel en de neergang van Agalev bewegingen waren die zich gedurende de allerlaatste weken voltrokken hebben. De huidige machtsverhoudingen zijn het resultaat van een foto die op 18 mei gemaakt werd van partijen in beweging. Het is echt wachten op de volgende foto om te zien of de beweging bevestigd wordt. In dat geval - en in dat geval alleen - is er sprake van een nieuwe trend. Dat betekent ook dat Agalev door deze ene flink tegenvallende verkiezingsuitslag niet voorgoed uit het landschap verdwijnt, of dat er naar grote theorieën moet worden gezocht om te verklaren waarom het groene gedachtegoed zijn beste tijd gehad heeft. Agalev maakt deel uit van een ideologische stroming die ook elders in Europa aanwezig is (en ook daar meeregeert en niet noodzakelijk afgestraft wordt), en blijft in België aanwezig in talloze gemeenteraden en gemeentebesturen. Dat de Groenen in een klein Europees landje een mep krijgen, is niet onbelangrijk, maar het zou mij erg verbazen indien daarmee een nieuw tijdperk werd ingezet. Ook de aanwezigheid en het belang van Groen is één van de rustige zekerheden van deze tijd. En rustige zekerheden kunnen niet door één enkele verkiezing ongedaan gemaakt worden.

Kris Deschouwer
Vakgroep Politieke Wetenschappen - Vrije Universiteit Brussel

edito - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 1 tot 3