Abonneer Log in

Een overwinning voor de Spaanse socialisten?

Een analyse van de verkiezingen in Spanje

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 51 tot 54

Wie heeft de verkiezingen gewonnen?

Zoals België is ook Spanje een federale staat. Het telt 17 regio’s met elk een eigen parlement en deelregering. Op 25 mei ll. werden verkiezingen gehouden voor de parlementen van 13 regio’s en voor alle gemeenteraden. De meeste politieke observatoren verwachtten een zware nederlaag van de heersende partij, nl. de Partido Popular (PP). Deze rechtse partij, geleid door José Maria Aznar, beschikt over een volstrekte meerderheid in het nationale parlement maar heeft aan populariteit ingeboet door het zeer onhandige optreden na de ramp met de petroleumtanker Prestige en de houding van Aznar in het conflict van de Verenigde staten met Irak. Hij liet zich kennen als een trouwe bondgenoot van Amerika, die bereid was steun te verlenen aan een militair ingrijpen van het Amerikaans leger tegen Sadam Hoessein. Hij ging zelfs zover de president van Mexico ertoe aan te zetten in de veiligheidsraad te stemmen voor de resolutie van de Amerikaanse regering tegen Irak. De meerderheid van de Spanjaarden begreep zijn houding niet en in alle belangrijke steden werden betogingen gehouden tegen deelname van Spanje aan de oorlog. Vooral jongeren namen massaal deel aan deze protestacties. Daaruit leidden de meeste observatoren af dat ze bij de nakende verkiezingen voor een oppositiepartij zouden stemmen. Hetzij voor een socialistische partij (de PSOE in de Spaanssprekende provincies, de PSC in Catalonië) hetzij voor Izquierda Unida (IU) (Verenigd Links), een partij waarin de communisten de hoofdrol spelen.
Maar de uitslagen beantwoordden niet aan deze verwachting. Men had vergeten dat het niet om nationale maar om gewestelijke en gemeentelijke verkiezingen ging. Regionale belangen en populariteit van plaatselijke politici spelen bij deze meestal een bepalende rol. Na de verkiezingen was de commentaar in de meeste Europese televisiestations gunstig voor Aznar. Ze stelden vast dat de PP niet alleen zijn absolute meerderheid behield in Madrid, maar ook in Valencia, Málaga, Cádiz, Granada, Valladolid en de meeste andere belangrijke steden van het land. Alleen in Barcelona, Sevilla en Zaragoza komt er een linkse burgemeester. In stemmenaantal is het aandeel van de PP evenwel enigszins afgenomen en dit van de socialisten gestegen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen, die in het hele land werden gehouden, behaalden de Spaanse socialisten 34,71% van de stemmen en de PP 33,84% (EP, 27 mei 2003, p.22). De uitslagen verschillen sterk van regio tot regio en van stad tot stad zoals blijkt uit de volgende gegevens.

Waarom is het succes van de socialisten beperkt?

Aznar mist elk charisma. Hij is klein van gestalte en met zijn snorretje doet hij denken aan Charlie Chaplin. De Spanjaarden noemen hem El Bigote (de snor). Hij heeft geen zin voor humor en komt eigenzinnig en autoritair over. De secretaris-generaal van de PSOE Luis Rodriguez Zapatero is een grote man met een vriendelijk voorkomen en redenaarstalent. Hij wekt vooral de bewondering op van vrouwelijke kiezers (TE, 27 januari 2001, p.34). Hij had evenwel te kampen met een ernstige handicap in de verkiezingsstrijd. Onder het bewind van Aznar kende Spanje een snellere economische groei dan de andere Europese landen. De gestadige toename van het aantal toeristen werd in de hand gewerkt door de aangroei van het gemiddeld inkomen in de andere Europese landen en de gevreesde onveiligheid in vakantieoorden aan de Dalmatische kust en de Arabische staten aan de Middellandse zee. Deze expansie van de toeristische sector leidde tot een grotere behoefte aan allerhande verbruiks- en luxewaren en een bestendige expansie van de industriële en commerciële activiteiten. De werkloosheid daalde merkbaar en het aantal kleine en middelgrote bedrijven nam fors toe. De vele patroons van die ondernemingen vormen een nieuwe middenstand, die zoals in alle Europese landen, gekant is tegen elke verhoging van de belastingsdruk.
Aznar heeft de groei van de overheidsinkomsten door de hogere economische groei aangewend voor belastingsverlagingen en belooft nog verdere verminderingen van de fiscale druk. Dit heeft tot gevolg dat in de steden met een talrijke middenstand de PP het gemakkelijk heeft om een meerderheid te behalen. De socialisten die opkomen voor hogere belastingen om onderwijs en sociale diensten beter te financieren, kunnen hiervoor niet rekenen op de steun van de middenstand. En de leden van de minder bemiddelde klassen nemen in onvoldoende mate deel aan de verkiezingen om dit voordeel voor de PP te compenseren. De gevallen van corruptie die zich voordeden tijdens de laatste regeringsjaren van González en nu opnieuw tijdens de regering van Aznar hebben het prestige van de politici aangetast. Vooral de leden van de minder ontwikkelde lagen van de bevolking zijn geneigd alle politici af te schrijven als onbetrouwbaar en potentieel vatbaar voor corruptie (S. Adolf, 2003, pp.206-213).
Het is dan ook daarom dat ongeveer één derde van de kiesgerechtigden niet aan de stemming deelneemt, wat vooral nadelig is voor de linkse partijen. Deze zijn verplicht hun programma aan te passen aan de belangen van de middenstand, waardoor het absenteïsme bij het gewone volk wordt aangewakkerd. Aznar beklemtoonde in zijn verkiezingstoespraken het economische succes van zijn regering. Hij verklaarde: ‘We hebben in Spanje een situatie bereikt die degelijk en stabiel is en wensen dat niemand die in gevaar brengt.’ Hij wees er de kiezers op dat de socialisten in veel steden het bewind slechts zouden kunnen overnemen als ze met de communisten een verbond afsloten. Dit zou, zo beweerde hij, de buitenlandse investeerders afschrikken en meteen ook zorgen voor een stijging van de werkloosheid.
Zapatero reageerde door Aznar van conservatisme te beschuldigen. We mogen geen slachtoffer worden van de angst, zei hij, maar moeten ons richten op de toekomst en de vernieuwing. Hij hoopte blijkbaar de stemmen te winnen van vele jongeren, die ontevreden zijn over het gebrek aan degelijk hoger onderwijs en het tekort aan studiebeurzen (EP, 24 mei 2003, p.15).
In Madrid wees de socialistische kandidate voor het burgemeesterschap Trinidad Jiménez op de sterke stijging van de huurprijzen, die het voor studenten en jonge gezinnen moeilijk maakt een woning te vinden tegen een redelijke prijs. Ze verweet de PP-burgemeester Alberto Ruiz Gallardón dat hij de bouw van 110.000 sociale woningen haf beloofd maar er slechts 32.000 had gerealiseerd (EP,12 mei 2003, p.16). Ze kondigde aan dat de PSOE 25% van de beschikbare bouwgronden zou reserveren voor sociale woningbouw. Zo’n 150.000 gezinnen zouden aanspraak kunnen maken op een woning en 30% van de beschikbare woningen zou gaan naar jongeren en jonge gezinnen (EP, 30 april 2003, p.17). Ze hoopte hiermee de vele jongeren, die bij de vorige verkiezingen thuis bleven, te mobiliseren om voor de socialisten te stemmen. Maar dat is haar niet gelukt. De PP won 30 van de 55 zetels van de Madrileense gemeenteraad, de PSOE 21 en IU 4 (EP, 27 mei 2003, p.1).
In de regio Madrid verloor de PP evenwel haar absolute meerderheid en de PSOE zal er een deelregering vormen met IU (Ibidem). Dit betekent dat er waarschijnlijk toch nog iets terechtkomt van het socialistisch woningbeleid in de omgeving van Madrid. Zoals hiervoor aangeduid hebben regionale belangen bij deze verkiezingen dikwijls een belangrijke rol gespeeld. Aznar heeft een hydrologisch plan gelanceerd, waarbij men grote hoeveelheden water aan de monding van de Ebro zou aftappen en langs een net van kanalen naar het zuiden van Spanje zou sturen, waar er regelmatig watergebrek is in de zomer. Dit plan heeft veel weerstand uitgelokt in Aragón en Catalonië waar de landbouwers en veetelers vrezen voor watergebrek in hun gewesten tijdens droge zomers. Ook de verdedigers van de fauna en de flora aan de monding van de Ebro komen op tegen het hydrologisch plan. De PSOE heeft dit verzet ondersteund en advies gevraagd aan de Europese Commissie, waardoor de uitvoering van het plan moest worden uitgesteld. De PSOE stelt voor om het watergebrek in het zuiden te verhelpen door de bouw van 8 nieuwe bedrijven voor het ontzouten van zeewater. Ontzout water is echter duurder dan water afkomstig uit de monding van de Ebro, vandaar dat de boeren en hoteliers - die hebben veel water nodig voor de zwemkommen en stortbaden voor toeristen - weinig voelen voor die oplossing (EP,10 sept. 2000, p. Domingo 2 en 13 maart 2001, p.1). De landbouwers uit Murcia hopen dat door de uitvoering van het plan meer water zal zijn voor de irrigatie van hun grote met plastiek overdekte groentekwekerijen. De uitvoer van groenten en fruit in de winter en in de lente naar West-Europa levert grote winsten op, vandaar dat de eigenaars aandringen op de uitvoering van het plan. Bij de verkiezingen voor de regio Murcia behaalde de PP 28 zetels tegen 26 in 1999. De PSOE moest genoegen nemen met 16 zetels tegen 18 in 1999 (EP, 27 mei, p.19). In Aragón deed zich het tegenovergestelde voor. De PSOE behaalde er 27 zetels tegen 23 in 1999 en de PP 22 tegen 28 in 1999 (EP, 27 mei, p.19).
De populariteit van bepaalde politieke figuren speelt natuurlijk ook een grote rol. In Barcelona verloor de PSC 5 zetels in de gemeenteraad omdat haar traditionele populaire voorman Pasqual Maragall te oud is geworden en beslist heeft geen kandidaat meer te zijn. De PP won één zetel en de andere zetels kwamen toe aan regionalistische partijen, die aandringen op meer bevoegdheden voor Catalonië (EP, 27 mei 2003, p.32). Een gelijkaardig regionalistisch fenomeen deed zich ook voor in Baskenland. Er werden daar verkiezingen gehouden in de drie provincies van de regio, nl.Viscaya , Guipúzcoa en Alava. De organisatie Herri Batasuna, die de terroristische beweging ETA ondersteunt, kreeg bij wet een verbod kandidaten voor te dragen voor de verkiezingen. Haar aanhangers hebben overwegend gestemd voor de coalitie PNV-EA van gematigde nationalistische partijen. Deze verhoogde haar aantal zetels van 21 tot 27 in Viscaya, van19 tot 27 in Guipúzcoa en van 16 tot 19 in Alava. Blijkbaar is de meerderheid van de Basken gewonnen voor het voorstel van de PNV om in Baskenland een referendum te houden over de afscheiding van Baskenland (EP, 27 mei 2003, p.28). Aznar verzet zich hevig tegen dit voorstel en het is nog niet duidelijk hoe dit conflict kan opgelost worden.
In Galicië was de achteruitgang van de PP in de verschillende gemeenten geringer dan verwacht (er werden geen verkiezingen gehouden voor de regio). De regering heeft aan de vissers en landbouwers, die door de ramp met de Prestige schade leden, milde vergoedingen toegekend en zo de protesten tegen haar beleid afgezwakt (EP, 27 mei 2003, p.29).

Haalt Zapatero het in 2004?

Of Zapatero in 2004 erin zal slagen de absolute meerderheid van de PP in de Cortes te verbreken en in een coalitie met IU en (of) met regionale partijen het premierschap te verwerven, zal vooral afhangen van volgende factoren.
1) Aznar heeft beloofd zich geen kandidaat meer te stellen voor de functie van eerste minister na de verkiezingen van 2004. Hij heeft evenwel nog geen opvolger aangeduid. Rodrigo Rato, de huidige minister van economie, werd beschouwd als de best geplaatste kandidaat, maar hij raakte betrokken bij een financieel schandaal. Bedrijven waarin hij participaties had genomen kregen kredieten van de financieringsmaatschappij Gescatera. Achteraf bleek dat het toezichtsorgaan op de banken deze financieringsmaatschappij toelating had gegeven haar operaties verder te zetten toen ze reeds virtueel failliet was. Rato wordt ervan verdacht te zijn tussengekomen ten voordele van Gescatera bij het toezichtsorgaan, dat van hem afhangt (EP, 5 nov. 2001, p.27). Hierdoor is hij minder geschikt om bevorderd te worden tot eerste minister.
Mariano Rajoy, de minister van binnenlandse zaken en Javier Arenas , de algemeen secretaris van de PP, zijn andere vooraanstaande kandidaten. Indien Aznar te lang wacht om een kandidaat voor te dragen zal de uiteindelijke uitverkorene over onvoldoende tijd beschikken om zich bij het Spaanse volk kenbaar te maken en krijgt Zapatero het gemakkelijker om bij de verkiezingen een overwinning te behalen.
2) Zoals hiervoor aangeduid nemen in de regel slechts twee derden van de stemgerechtigden deel aan de verkiezingen. Indien het evenwel een spannend duel wordt tussen de kandidaat van de PP en Zapatero zal er een grotere opkomst zijn. Dit kan eveneens de kansen voor Zapatero verhogen. In normale omstandigheden zijn vooral mensen met een bescheiden levensstandaard die thuis blijven.
3) Aznar heeft bij de voorbije verkiezingen geprofiteerd van de gunstige economische evolutie in Spanje: een aanhoudende stijging van het aantal toeristen en de daarmee samengaande toename van de buitenlandse investeringen en de oprichting van nieuwe bedrijven. Sedert de herfst van 2002 vertraagt de economische groei en stijgt het aantal werklozen. Voor de toeristen wordt Spanje minder aantrekkelijk omdat, vooral in de toeristische kustplaatsen, het verblijf duurder is geworden door de hogere inflatie dan in de andere Europese landen. En de daling van de dollarkoers maakt het aantrekkelijker een verlof aan zee door te brengen in één van de Caraïbische eilanden. Indien deze evolutie zich verder zet, zal Aznar niet langer kunnen beweren dat hij voor een stabiele welvaart heeft gezorgd. Welke invloed deze diverse factoren in 2004 zullen uitoefenen op de uitslag van de verkiezingen is uiteraard nu nog niet te bepalen.

Gaston Vandewalle
Professor emeritus Universiteit Gent

Bronnen
1/ S. Adolf , Spanje achter de Schermen, Prometheus / NRC Handelsblad, Amsterdam, Rotterdam, 2003
2/ Gebruikte afkortingen : EP: El País - FT: Financial Times - TE: The Economist.

verkiezingen - Spanje

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 51 tot 54