Log in

'Het Zijn en het Niet'

Uitgelezen

Het Zijn en het Niet

Jean-Paul Sartre
Lemniscaat, Rotterdam, 2003 (1943)

Toen ik het zag kreeg ik een schok: L’ Etre et le Néant is in het Nederlands verschenen! Ik had me niet kunnen indenken dat dit ooit nog zou gebeuren. Ik heb het boek vele jaren geleden doorworsteld. Ik kan me niet voorstellen dat vandaag nog veel mensen dat nog willen opbrengen. Niet omdat het boek niet de moeite waard zou zijn, maar omdat Sartre uit de belangstelling is. En plots is het daar. Ongelooflijk.
In 1943 is het nochtans niet uit de lucht komen vallen. Sartre had in 1933 in Berlijn kennis gemaakt met Husserl en Heidegger. L’ Etre et le Néant is eigenlijk een weerslag van die studie. Husserls fundamentele bijdrage tot de filosofie heeft te maken met de intentionaliteit. We nemen een boom niet in ons hoofd waar, zoals men zolang gedacht heeft. Waarnemen werd ervaren als een soort verorberen. Voor Husserl is waarnemen geen zaak van in het bewustzijn opnemen van de dingen. We nemen de boom waar aan de rand van de weg, waar hij staat. Waarneming is per definitie intentioneel, op een object gericht. Toen Husserl dat neerschreef zette hij eigenlijk een proces verder dat enkele eeuwen vroeger begonnen was. Het subject, het ik, treedt in de loop van de tijd terug, verschrompelt. Een mens is in de wereld, daarginds. Reeds Husserl vond een onherbergzame, vijandige wereld. Hij schrok er zelfs voor terug en sloot zich op in een nieuw soort idealisme. Sartre was wel bereid daar alle consequenties van te dragen. In zijn eerste roman La Nausée beschrijft hij voor het eerst die wereld die vol is, waar geen ik aan te pas komt. Zij vervult met walging. Het bewustzijn, dat onvermijdelijk op de wereld buiten gericht is, is eigenlijk niets anders dan die beweging. Het is niets. Het bewustzijn verniet, brengt een niets aan. Van een ik dat al onze waarnemingen zou vergezellen is geen sprake. Sartre werkt dat in L’ Etre et le Néant uit. Voor hem betekent het verdwijnen van het Ego niet dat de mens zijn vrijheid inboet. Integendeel, hij vindt de vrijheid oneindig. Alleen wil dat voor hem niet zeggen dat de mensen om het even wat kunnen doen. Hij stelt ze ook verantwoordelijk voor wat ze kiezen. Men zet de causaliteit tussen haakjes, men neemt er afstand van, maar men blijft zijn keuze meedragen. Sartre zal later biografieën schrijven van Baudelaire, Genet en Flaubert. Telkens weer probeert hij hun leven te begrijpen uit een fundamentele keuze in hun vroegste jaren. Op een of andere manier staat Sartre inderdaad dicht bij Sigmund Freud. Hij hield nochtans niet van zijn werk en verwierp de notie van het onbewuste. Maar had hij hem echt tot zich genomen, dan zou hij geweten hebben dat ook bij Freud het verleden geen loodzware last is, dat ook voor hem het onbewuste keuzes niet uitsluit. L’ Etre et Le Néant werkt het begrip intentionaliteit uit en Sartre schuift daar het begrip vrijheid in. Maar hij voegt er nog een derde begrip aan toe: kwade trouw. Wie vrij is, heeft per definitie de mogelijkheid zichzelf te overstijgen. Wie ’s morgens opstaat kan zo maar beslissen om er mee te kappen, om niet naar zijn werk te gaan bijvoorbeeld. Maar mensen maken zelden gebruik van die mogelijkheid. Integendeel, het angstzweet breekt uit bij de idee alleen al. Ze willen graag zekerheid, ze willen graag zichzelf vastspijkeren op wat ze zijn. En ze spelen dat ook, ze doen alsof, ze zijn te kwader trouw. Iedereen die hen aan hun vrijheid herinnert wekt hun angst terug tot leven en wordt op een of andere manier vervolgd. Een samenleving die de vrijheid ontloopt is een wrede samenleving.
L’ Etre et le Néant werd ontelbare malen herdrukt. In de jaren 50 en 60 was het een cultboek. Maar ook daarna is er nog vaak naar verwezen. Of het toen al zo druk gelezen werd is te betwijfelen. Dat soort boeken hoort in de kast van de intellectueel die zichzelf respecteert. Hij hoeft het niet te lezen om er zich op een of andere manier bij betrokken te voelen. Vandaag zou men Sartre overigens een mediafiguur noemen. Wie dacht dat dit een recent verschijnsel is, vergist zich. Natuurlijk waren de mogelijkheden van de media niet zo groot als vandaag, Maar in Parijs en Frankrijk en waar het ook maar druppelde heeft hij verschillende generaties meegezogen. Existentialist zijn stond gelijk met non-conformist zijn. Sartre was overigens op politiek vlak links. Vandaag wordt daaraan getwijfeld. Er wordt genadeloos op gewezen dat hij niet kon omgaan met de terreur in de Sovjet-Unie. Hij zag die lange tijd niet en probeerde die zelfs wat weg te moffelen. Dat is waar en dat verwondert, want zijn visie op kwade trouw is zo toepasbaar op het stalinisme. Maar blijkbaar was op dat moment een zekere blindheid moeilijk te vermijden. Slechts enkelen, zoals Camus, hadden ze niet. Ook Sartre had zijn beperktheden. Ook hij was niet altijd en overal vrij van kwade trouw. Het blijft moeilijk om grote mensen niet te vergoddelijken.
Ik heb nu nog geen enkele keer de Nederlandse vertaling van de titel gebruikt. Mijn eerste reactie was: ze is verkeerd! Er moet staan: Het Zijn en het Niets. Ik beken dat ik de titel al die jaren op die manier begrepen heb. Maar de vertaler heeft bij nader toezien gelijk. Hij legt er de band mee met ‘néantiser’. Hij wil ook geen verwarring met ‘Le rien’. De vertaler heeft hoe dan ook een ongelooflijk werk verricht. Ik weet echter niet of het zo nuttig is. Een aantal nostalgici, zoals ikzelf, zullen het boek zeker met schroom in de handen nemen. Maar het sartriaanse filosoferen lijkt me niet meer van deze tijd. Niet dat het niet meer actueel zou zijn, maar zo spreek en schrijf je niet meer. En, als ik heel eerlijk ben, zo spreek en schrijf je zeker niet in het Nederlands. Ik weet natuurlijk dat steeds minder in vreemde talen gelezen wordt. Er is gewoon veel meer in vertaling beschikbaar. Maar in mijn aanvoelen is Sartre Frans, zoals Freud Duits is. Ik weet dat ik mij daarmee op glad terrein begeef, maar toch vind ik dat de oorspronkelijke taal belangrijk is om te begrijpen. Waarom blijft de vertaler anders zo angstvallig dicht bij het Frans? Alleen werkt dat niet. Het is een eeuwige discussie, maar ik vind dat wie vertaalt het pas echt doet als hij in zijn vertaling de oorspronkelijke taal niet probeert na te doen. Dan is het origineel beter. Je moet de ideeën echt in een andere taal zetten, ook al verwijder je een heel stuk van de oorspronkelijke tekst. Freud kon zo vertalen. Het Zijn en het Niet is heel minutieus vertaald, maar het is niet echt een Nederlandse tekst geworden. En toch ben ik blij met het boek. Het hoort naast de recente vertalingen van Merleau-Ponty en Heidegger.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 6 (juni), pagina 60 tot 61