Log in

'De eeuw van Schnitzler. De opkomst van de burgerij in Europa'

Uitgelezen

De eeuw van Schnitzler. De opkomst van de burgerij in Europa

Peter Gay
De Bezige Bij, Amsterdam, 2002

‘Dit boek is de biografie van een klasse, de middenklasse van de negentiende eeuw, die loopt van 1815 tot 1914. Als gids heb ik Arthur Schnitzler gekozen, de interessantste Oostenrijkse schrijver van zijn tijd.’ Zo opent Peter Gay zijn cultuurgeschiedenis naar de middenklasse, waarin hij verder borduurt op zijn eerder verschenen The Bourgeois Experience: Victoria to Freud. Hij wil daarbij vooral afrekenen met het hardnekkig vooroordeel dat de Victorianen bol zouden staan van preutsheid en bekrompenheid. We kennen de anekdote over de Victoriaanse moeder die haar bibberende dochter op de vooravond van het huwelijk aanraadt op het moment suprême de ogen te sluiten en te denken aan Engeland! Achter het zogenaamde taboe rond seks en lichamelijkheid wordt het kerngezin de haard van een intense lustbeleving, zo betoogde Michel Foucault, die overigens opvallend afwezig is bij Peter Gay. Niettemin argumenteert hij in dezelfde lijn. Het kerngezin wordt geïdealiseerd en gepromoveerd tot norm. Het huwelijk uit liefde doet een verwoede poging om regel te worden, eerder dan uitzondering. Onwetendheid aangaande seksualiteit en voortplanting komt voor, maar wordt als probleem gesignaleerd. Over intieme zaken, ook geboortebeperking, wordt vrij openlijk gecommuniceerd. Ondanks hun juridische ongelijkheid, hadden de vrouwen in de praktijk en binnenskamers grote zeggenschap. ‘Als ‘Victoriaans’ synoniem is met ‘stijf’ en ‘preuts’, dan waren de Victorianen geen Victorianen’ (77). Zij waren niet de kampioenen van de verdringing, veeleer meesters in de sublimatie. Niet het brute instinct, ook niet koele berekening, maar gecultiveerde passie was hun motto. De algemene stelling luidt: ‘De bezielende omwentelingen in de kunst, literatuur en filosofie, die wij het modernisme noemen en in verband brengen met de twintigste eeuw, waren allemaal al jarenlang vóór 1914 uitgebroed, en op talrijke plaatsen al min of meer gaande’(12). In elk hoofdstuk bespreekt hij een terrein waaruit blijkt dat de twintigste eeuw de erfgenaam is van onze Victoriaanse voorouders. Zij erkennen de agressieve aard van de menselijke natuur, maar ze zijn ervan overtuigd dat die agressie in een beschaafde maatschappij getemperd moet worden. Ze denken dat de moderne beschaving vooruitgang meebrengt, maar tevens zware lasten legt op het draagvermogen van de mens. Aan het ‘moderne onbehagen’ geven medici de naam ‘neurasthenie’, en ze wijzen op de eerste plaats de alomvattendheid en de snelheid van de verandering aan als oorzaak van ‘deze nerveuze eeuw’. Gay wijst ook op de toename van geloofsafval en ontkerkelijking. Dat leidt zelden tot een geprononceerd atheïsme, meestal tot ‘agnosticisme’, d.w.z. ‘een gelukkige combinatie van toewijding aan ervaring en experiment enerzijds en respect voor onopgeloste en onoplosbare raadsels anderzijds’ (230). De 19e-eeuwse middenklasser gelooft in de beschavende, karaktervormende werking van de arbeid, die gaandeweg getemperd en aangevuld wordt met het ideaal van de vrije tijd. Hij sluit zich niet a priori af van vernieuwende kunst. Tenslotte hecht hij in toenemende mate aan zijn privacy, wat vorm krijgt in dagboeken, het briefgeheim, en vooral in de architectuur gematerialiseerd wordt in de eigen kamer. Gay laat aan de hand van heel wat documenten (brieven, medische literatuur) zien dat de leefwereld van de middenklassen (een meervoud!) complexer en genuanceerder was dan het cliché wil laten geloven. Toch zit er m.i. een zwakke plek in zijn betoog. Hij kiest Schnitzler als voorbeeld om zijn stelling te staven, terwijl deze als kunstenaar net op heel wat punten de burgerlijke leefwereld bekritiseert en radicaal uitdaagt, en in die zin een antiburgerlijke levensvorm uitdraagt. Het conflict tussen vader en zoon Schnitzler, de geneesheer en de literator, is in dat opzicht typerend voor een hele generatie. Ook Baudelaire, Flaubert, Wittgenstein, ... zouden in de vorm van een generatieconflict een maatschappelijke tegenstelling beleven. Terwijl het proletariaat, dat Marx hoopvol bestempelde als revolutionair subject, als het product en de totale negatie van de burgerlijke maatschappij, in de praktijk gaandeweg verburgerlijkt, wil de kunstenaar diens antiburgerlijke posities innemen. Tot ook de kunst gaandeweg gaat ‘vermarkten’, maar dát is dan weer een ander verhaal.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 53