Log in

'Ingenieurs van de ziel'

Uitgelezen

Ingenieurs van de ziel

Frank Westerman
Uitgeverij Atlas, Amsterdam-Antwerpen, 2002

Westerman werkte de laatste jaren in Moskou als correspondent voor NRC-Handelsblad. In Ingenieurs van de ziel onderneemt hij een dubbele verkenningsreis. De eerste, letterlijk, gaat naar de baai van Kara Bogaz. Op sommige atlassen ligt deze baai ‘als een kind aan de borst van een zorgelijk gekromde vrouw, de Kaspische Zee’ (11), maar in andere komt ze helemaal niet voor of wordt ze aangeduid in een bescheiden stippellijn. De roman van Konstantin Paustovski met dezelfde titel (ooit in het Nederlands vertaald door Gerard van het Reve, vader van!) dient Westerman als gids. Is de baai van Kara Bogaz een geografische realiteit en/of een politiek verzinsel? Tijdens deze zoektocht onderneemt hij een tweede verkenning, ditmaal door de Sovjet-literatuur. Niet de clandestiene, verboden, dissidente werken - de enige die volgens westerse encyclopedieën de naam literatuur verdienen, maar de vertegenwoordigers van het zogenaamde sociaal realisme: zij die het imprimatur van de stalinistische censuur GlavLit kregen, ‘de hele en halve meelopers, de bekeerlingen, de afvalligen en twijfelaars’ (281), boeken zoals Cement, De waterkrachtcentrale, Energie, De Wolga mondt uit in de Kaspische Zee, De mens wisselt van huid, Luister naar de mars van de geschiedenis.
De titel is ontleend aan een redevoering op een bijeenkomst van schrijvers ten huize van de ‘volksschrijver’ Gorki in 1932. ‘De productie van zielen’, zo oreert daar Stalin, ‘is belangrijker dan die van tanks. Dat is belangrijk: de productie van menselijke zielen. Daarom hef ik mijn glas op jullie, schrijvers, op de ingenieurs van de ziel.’ Men zou de schepping van voren af aan opnieuw doen, te beginnen bij de taal, ‘als Adam in het paradijs’ (189).
In de jaren twintig hadden avant-garde kunstenaars duchtig geëxperimenteerd met esthetische vormen. Zij zagen hun revolutionaire kunst als pendant van de politieke revolutie. Dat zou voortaan niet meer kunnen! De vorm moet ondergeschikt zijn aan de inhoud. Het komt erop neer dat de Partij, die de arbeidskracht van de massa’s leidt, wordt bijgestaan door fiziki en liriki. De fysici, dat zijn de ingenieurs, architecten, hydrologen en electrotechnici, degenen die de fysieke werkelijkheid herscheppen op een socialistische leest. ‘In de ons omringende natuur bestaat vrijwel geen kwaad dat niet tot nut en voordeel van de mens kan worden aangewend’, schrijft Paustovski. Stalin wilde zelfs de loop van de grote rivieren omkeren. De lyrici zijn de componisten, beeldhouwers en schilders, cineasten en voorop de schrijvers, degenen die de nieuwe schepping van de mens en de maatschappij begeleiden. De literatuur is er om de opbouw van het land te documenteren, d.w.z. het heden te bezingen in het licht van de socialistische toekomst. De literatuur, aldus Gorki, staat met beide benen in de materialistische werkelijkheid. Zij moet gaan over een maatschappij in overgang, en kenmerkt zich door haar directheid. ‘Kijk naar de vele uitroeptekens. Het uitroepteken is bezig aan een niet te stuiten opmars’ (127). Opgewektheid is voortaan verplicht. De personages zijn goed of slecht, voor halfslachtigheid of twijfel is geen plaats. Onder hun bij voorkeur lange zwarte jassen koesteren zij geen seksuele verlangens. Deze asceet, lid van de Communistische Partij, weet dat hij het niet zal redden zonder de hulp van ‘het collectief’. Weliswaar tiert het individualisme nog voort op het kapitalistisch halfrond, maar dat komt doordat de najagers van het privébezit het ‘zoölogische stadium’ nog niet zijn ontgroeid. Consequent doorgeredeneerd is de auteur als individu een restant van een voorbije tijd. Gorki: ‘Als arbeiders in brigades beton kunnen storten, waarom zouden brigades van schrijvers dan geen gezamenlijk boek kunnen produceren?’ Westerman bericht van zo’n collectief schrijverschap over de aanleg van het kanaal Belomor, 227 kilometer tussen de Witte Zee en de Baltische Zee.
Wat dreef deze intellectuelen ertoe hun ziel aan het systeem te verpanden? Opportunisme? Jazeker, ook schrijvers hebben meestal een gezin te onderhouden. Ook kunstenaars zijn niet ongevoelig voor eer en aanzien, en voor het leuke optrekje waarmee trouw beloond wordt. Angst? Het totalitair systeem is gebaseerd op permanente dreiging, op reële en vermeende schuld. Maar ook idealisme, desnoods tegen de feiten in. De Sovjet-Unie zou slagen waar het tsaristisch Rusland mislukt was. Aan het einde van het boek zegt Olga, de hoofdonderwijzeres, nu huishoudster: ‘Wij zouden de wereld veranderen. Alles zou beter worden. We praatten altijd alles goed, en datgene wat niet goed te praten viel, verzwegen we. Mijn God, wat waren we goedgelovig’(254). Ook westerse intellectuelen waren trouwens meesters in deze kunst van het fanatieke geloof en de hardnekkige ontkenning. De Franse dichter Aragon vroeg zich af ‘of aan de nieuwe stalinistische grondwet niet de eerste plaats toekomt onder de kostbare werken van de menselijke cultuur, nog vóór Shakespeare, Rimbaud, Goethe en Poesjkin’. Nu het religieuze geloof in het Rijk Gods verloren was, moest toch op aarde wel ergens de hemel gerealiseerd worden.
Bij het lezen van de lotgevallen van deze schrijvers onder Stalin, bekruipt me een ambigu gevoel. Enerzijds ontsteltenis. Het totalitarisme lijkt een soort onmogelijke perversie van de macht te zijn. De verfilming van Paustovksi’s De baai van Kara Bogaz wordt niet vertoond, en blijft officieel onafgewerkt, gewoon omdat men verzuimd had om de film eerst te laten zien aan Stalin. En voor Gorki op zijn sterfbed wordt één apart exemplaar van de Pravda (wat ‘waarheid’ betekent) opgemaakt, om te vermijden dat hij zich zou opwinden over de monsterprocessen. Niet te geloven! Maar anderzijds ook herkenning: de geleerde die zich kritiekloos in dienst stelt van de macht, de kleine en grote beloningen, het verlangen om erbij te horen, de afkeer van het complexe denken, de mythe van de eenvoudige taal, de gewone man als norm voor de kunst, de dominantie van het nuttige in de wetenschap, enz. Zou het totalitarisme dan toch maar een soort uitvergroting van de macht zijn? Laten we die gedachte van ons afzetten. Lezen we Ingenieurs van de ziel dan toch maar als het verhaal van een politieke rariteit, een deviatie van de voorbije eeuw, waar de val van het communisme ons definitief van verlost heeft. Laten we vooral positief en constructief blijven!
En de baai van Kara Bogaz? Over de wederwaardigheden van dit personage wil ik de spanning er in houden. Enkel dit: aan het einde van het hele verhaal, in wat intussen het postcommunistische Turkmenistan geworden is, heeft het bedrijf Artemia uit Dendermonde een kweekvijver gevestigd voor aquariumvoeder. Een zekere Eddy runt de zaak. Hij toert er rond met zijn jeep. In de directeurswoning hangen de portretten van ons vorstenpaar naast dat van president, eertijds communistisch partijleider, Turkmenbasi.

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 54 tot 55