Abonneer Log in

'Langer werken', what's in a name!

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 23 tot 31

Aan de basis van het vergrijzingsprobleem ligt de zogenaamde ‘welvaartsparadox’. Deze paradox houdt in dat een steeds dalend aantal werkenden moet instaan voor een steeds groter wordende groep gepensioneerden. We zullen dus langer moeten werken, maar de wettelijke pensioenleeftijd verhogen is totaal absurd. We komen immers al een heel eind verder door de feitelijke pensioenleeftijd weer iets dichter bij de wettelijke te brengen.

Pensioenen worden meestal niet met reserves betaald (kapitalisatie), maar met belastingen en bijdragen van de werkende bevolking (repartitie). Tussen 2000 en 2010 komen er in België honderdduizend gepensioneerden bij, tussen 2010 en 2030 zullen het er zelfs 800.000 zijn. De afhankelijkheidsgraad, de verhouding tussen het aantal 65-plussers en de personen op arbeidsleeftijd, neemt dan ook sterk toe. Op wereldschaal zal het aandeel van de 65-plussers tussen 2000 en 2050 verdrievoudigen: van een half miljard naar 1,5 miljard of een relatieve groei van 7 naar 16,5 procent van de totale wereldbevolking. Volgens berekeningen van de Wereldbank zou de EU tegen 2050 meer dan dubbel zoveel pensioengerechtigden tellen als nu. Het huidige beleid verder zetten is onbetaalbaar. Er worden zelfs ware demonische termen gebruikt om erop te wijzen hoe ernstig en hoogdringend het vergrijzingsprobleem wel is. Zowat overal worden dan ook ingrepen doorgevoerd. Steeds terugkerende onderdelen van deze hervormingen zijn de verhoging van de (brug)pensioenleeftijd en het verhogen van het aantal dienstjaren dat recht geeft op een volledig pensioen. Uit een rapport van de Raad van Europa en de Europese Commissie blijkt echter dat slechts één op de vijf Europese burgers zou zin hebben om straks langer te werken. Dat er verzet is, hoeft dus niet te verwonderen.

De Duitse minister van Financiën Hans Eichel berekende dat in 1961 100 werknemers pensioenbijdragen moesten betalen om 33 gepensioneerden te betalen. Vandaag moeten ze dat doen voor 44 mensen. Er moet dus worden ingegrepen. Draconische maatregelen zijn in Duitsland des te dringender omdat men momenteel 62% van het budget besteedt aan de schuldafbouw en de sociale zekerheid. Er is dan ook weinig ruimte voor investeringen in de economie. En dit op een moment dat het zo slecht gaat met de economie en Duitsland afstevent op vijf miljoen werklozen tegen het einde van het jaar. Bovendien zorgt de hereniging nog altijd voor zware kosten, waardoor het budgettaire probleem in Duitsland nog zwaarder is dan elders. Met Agenda 2010 wil de sociaaldemocratische regering het mes zetten in het hele systeem van sociale uitkeringen. Men is van plan om het brugpensioen onaantrekkelijker te maken en vanaf 2011 de pensioengerechtigde leeftijd (vandaag 65) elk jaar met een maand te verhogen. Tegen 2035 zouden de Duitsers dan op 67 met pensioen kunnen. Volgens een peiling van de openbare omroep ZDF is 88 procent van de Duitsers gekant tegen een verhoging van de pensioenleeftijd. Het protest bleef dan ook niet uit.
Het hervormingsplan van de Franse minister van Sociale Zaken François Fillon leidde eveneens tot een golf van protest. Het plan streeft vooral naar een harmonisering van het gulle pensioenregime van de ambtenaren met dat van de privé. De ambtenaren kunnen nu na 37,5 dienstjaren op pensioen, maar in 2008 zullen ze 40 dienstjaren moeten hebben bijgedragen voor ze met pensioen kunnen. In 2020 zal dat zelfs worden opgetrokken naar 42. Het pensioen zal voortaan ook berekend worden op basis van de laatste drie jaren in plaats van op de laatste zes maanden. Zestig jaar wordt de minimumpensioenleeftijd. Frankrijk besteedt op dit ogenblik 12% van zijn bruto binnenlands product aan de pensioenen. Zonder ingrepen zou dit percentage in 2040 opgelopen zijn tot 16%.
Italië beschikt over een zeer luxueus pensioensysteem. Pensioenen met automatische indexkoppeling aan de lonen, een minimumpensioengerechtigde leeftijd voor ambtenaren op 53 jaar en voor werknemers uit de privé op 54, ambtenaren en privé-werknemers met een vol pensioen dat respectievelijk 100 en 80% van hun laatste wedde bedraagt en allerlei vervroegde pensioenmogelijkheden. Dit gulle systeem bleef betaalbaar zolang de Italianen nog kroostrijke gezinnen hadden en de economische groei toenam. Met een dalend geboortecijfer en de stijgende staatsschuld is de situatie niet meer houdbaar. Nu al slorpt de uitbetaling van de Italiaanse pensioenen 13,6% van het bbp op. In 1994 wou Berlusconi het probleem al eens grondig aanpakken, maar straatprotest deed zijn regering vallen. Nu probeert hij het opnieuw. De huidige gemiddelde leeftijd waarop de Italianen met pensioen gaan, 59 jaar, moet ‘met enkele eenheden’ omhoog. Bovendien moeten bedrijven en individuen meer zelf voor pensioenen zorgen, privatisering dus. En minister Maroni speelt met het idee om mensen die langer willen werken te belonen met een salaris-bonus.

Van alle EU-landen geeft Oostenrijk het meest uit aan pensioenen: 15% van het bbp. Oostenrijk heeft één van de laagste werkloosheidscijfers van de EU: de voorbije jaren ongeveer 4 à 5%. Maar het hoge aantal bruggepensioneerden heeft die statistiek jarenlang ‘vervalst’. Oostenrijk scoort Europees laag inzake tewerkstelling van hogere leeftijdsgroepen: van de 55- tot 59-jarigen werkt slechts 40 procent, van de 60-plussers is dat maar 11%. Vandaar dat de feitelijke pensioenleeftijd een stuk onder de wettelijke pensioenleeftijd ligt. Nu binnen de EU is afgesproken dat de helft van de 55- tot 64-jarigen moet werken, moet er ingegrepen worden. Een nationale eenheidsstaking en een massabetoging was het gevolg.

De vorige pensioenhervorming van 2000 trok de minimumleeftijd voor brugpensioen al op naar 61,5 voor de mannen en 56,5 voor de vrouwen. De huidige regering wil het brugpensioen tegen 2009 helemaal afschaffen. Bovendien zullen de Oostenrijkers tegen 2028 40 jaar moeten werken om recht te hebben op een volledig pensioen, terwijl de groeimarges van de pensioenen worden teruggebracht van 3 naar 1,78%.
De Nederlandse regering Balkenende II wil ook prepensioen en VUT (vervroegde uittreding) minder aantrekkelijk maken. De Zwitserse president, Pascal Couchepin, pleit voor de verhoging van de pensioenleeftijd tot 67 jaar.
Ook de Europese Unie heeft een hervorming klaar voor de pensioenen van haar ambtenaren. Vandaag de dag kan een ambtenaar bij de Europese Commissie op eigen verzoek vanaf zijn 60e met pensioen. Normaal gebeurt dat automatisch zodra hij de leeftijd van 65 jaar bereikt. Het maximale pensioen bedraagt 70 procent van het laatste loon. Maar dat kan alleen voor zover men 35 jaar dienst heeft, want het pensioen wordt berekend a rato van 2% van het laatste loon per jaar anciënniteit. Door de hervorming zal de Europese ambtenaar vanaf 1 mei 2004 pas vanaf 63 jaar op eigen verzoek op pensioen kunnen. De maximale pensioenuitkering blijft 70 procent van het laatste salaris, maar de berekening gebeurt voortaan op basis van 1,9% van het laatste loon per dienstjaar. Dit betekent dat er 37 jaar anciënniteit zal nodig zijn voor een loopbaan, die recht geeft op het maximale pensioen van 70% van het laatst verdiende loon. Voor de huidige ambtenaren is er wel een overgangsregeling.

De vergrijzing in België

We zullen zien dat in België ‘langer werken’ niet noodzakelijk hoeft gelijk te zijn aan een verhoging van de pensioenleeftijd. In landen waar de feitelijke pensioenleeftijd nauw aanleunt bij de wettelijke heeft het zin de pensioenleeftijd te verhogen. In België is dit absurd. Hier is er net zoals eerder al aangegeven voor Oostenrijk een vrij groot verschil tussen de wettelijke pensioenleeftijd en de feitelijke pensioenleeftijd. Daarom betekent ‘langer’ eigenlijk dat dat verschil moet worden verkleind en niet noodzakelijk dat de pensioenleeftijd moet worden opgetrokken. We zullen bovendien zien dat het begrip ‘werken’ ook anders zal moeten worden ingevuld.
Het probleem mag dan wel zowat overal aanwezig zijn en dezelfde oorzaken hebben, het is daarom nog niet overal hetzelfde. De ingrijpende maatregelen en de hevige reacties in diverse Europese landen hebben de angst voor het pensioen waarschijnlijk ook in België pijlsnel de hoogte in gejaagd. Velen gaan er nu al van uit dat ze tot hun zeventig jaar zullen moeten werken. Daarom is het niet onbelangrijk om erop te wijzen dat de situatie in België toch een stuk verschilt van die in de landen waar de draconische maatregelen werden genomen. Ten eerste is het zo dat die landen na hun hervormingen in de meeste gevallen een pensioensysteem zullen hebben dat nog een stuk guller is dan het onze. Zo was er in Frankrijk veel om te doen dat het aantal dienstjaren van de ambtenaren zou worden opgetrokken van 37,5 naar 40 en later naar 42. In België is de basisregel voor de ambtenaren (net zoals voor de zelfstandigen en de werknemers) al ettelijke jaren dat ze pas na 45 jaar recht hebben op een volledig pensioen. Ten tweede heeft de Kaderwet van 26 juli 1996 met ingang van 1 juli 1997 reeds enkele verstrengingen geregeld. Het gaat hier dan om maatregelen als de geleidelijke verhoging van de pensioenleeftijd en van het aantal dienstjaren van de vrouwen naar respectievelijk 65 jaar en 45, strengere voorwaarden voor het vervroegd pensioen en de afbouw van de herwaarderingscoëfficiënt. Ook in de voorbije legislatuur werden er levensbelangrijke garanties ingebouwd met het oog op de toekomst. De meest opvallende zijn uiteraard het Zilverfonds en de net voor de verkiezingen gestemde Wet voor de Aanvullende Pensioenen. Beide zijn vooral van groot belang om ook in de toekomst fatsoenlijke pensioenen te kunnen garanderen. Het Zilverfonds garandeert heel wat middelen vanaf 2010 en de WAP zorgt voor een democratisering van de aanvullende pensioenen met garanties op de uitbetaling. Er steken bovendien solidariteitsmechanismen in. Het aanvullend pensioen komt bovenop het wettelijk pensioen waardoor mensen in percentage van hun laatste loon een hoger pensioen zullen hebben.

Dit alles betekent natuurlijk ook weer niet dat het vergrijzingsprobleem in België onbestaande is. Ook hier zullen nog maatregelen moeten worden genomen en zal de vergrijzing de komende decennia een continu aandachtspunt zijn. Vandaag betalen 4,2 miljoen actieven via het repartitiestelsel sociale bijdragen voor 2,2 miljoen gepensioneerden. De pensioenfactuur vertegenwoordigt nu 9,2 procent van het bbp. Maar we leven steeds langer en de babyboomgeneratie maakt zich op om de arbeidsmarkt te verlaten. Het gevolg is dat we tegen 2030 ongeveer 3 miljoen gepensioneerden zullen tellen. De pensioenfactuur zal dan ongeveer 12% van het bbp vertegenwoordigen. De vraag is vooral met hoeveel actieven dit geld zal worden verdiend. Dat is de achilleshiel van ons systeem.
Slechts één op vier 55-plussers is nog actief op de arbeidsmarkt. Dit zorgt ervoor dat de werkelijke pensioenleeftijd in België op 57 jaar ligt, een stuk onder de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar. De sleutel van het vergrijzingsprobleem is dan ook het dichten van de kloof tussen de wettelijke en de feitelijke pensioenleeftijd. Dat vermindert tegelijk de pensioenuitgaven en verhoogt de bijdragen. Naar aanleiding van de heisa in de buurlanden werden meer en meer doemscenario’s bovengehaald en was het niet denkbeeldig dat de mensen er zich fatalistisch begonnen bij neer te leggen dat ze tot hun 70 of zelfs langer zouden moeten werken. Het grote verschil tussen de werkelijke en de wettelijke pensioenleeftijd in België (in tegenstelling tot sommige andere landen) bewijst dat dergelijke doembeelden absurd zijn. Als we de gemiddelde leeftijd waarop mensen echt op pensioen gaan kunnen optrekken, dan zetten we al een hele stap vooruit. Het optrekken van de pensioenleeftijd in België is dus niet nodig, laat staan werken tot ons 70.

De levensloop van de Belg

De Belg heeft een samengedrukte loopbaan. We stellen het moment van intrede in de arbeidsmarkt steeds meer uit, werken een periode intensief om dan vervroegd uit te treden. Tussen 15 en 25 jaar werkt slechts 29%, tussen 25 en 50 jaar 82% en tussen 50 en 65 weer slechts 42%. De Europese gemiddelden liggen respectievelijk op 40, 78 en 51%. Tijdens de drukke leeftijd (‘het spitsuur van het leven’) moeten beide partners hun loopbaan uitbouwen, hun werk combineren met ouderschap, met het kopen en onderhouden van een huis, met een actief vrijetijdspatroon, met de opvoeding van kinderen, … Terwijl het leven vroeger netjes was opgedeeld in drie periodes (één die voorbereidt op arbeid, de actieve en de postactieve fase), groeit nu de behoefte aan ouderschapsverlof, meer gelijke taakverdelingen binnen het gezin en tijdskrediet.
Op de Europese Raad van Stockholm (maart 2001 ) stelden de staats- en regeringsleiders drie werkgelegenheidsdoelstellingen voorop: (1) een algemene werkgelegenheidsgraad van 70% in 2010 en van 67% in 2005, (2) een vrouwelijke werkgelegenheidsgraad van 60% in 2010 en van 57% in 2005 en tenslotte (3) een werkgelegenheidsgraad van 50% in 2010 voor de leeftijdsgroep van 55 tot 64-jarigen. Vooral dit laatste betekent dat er in België nog heel wat werk aan de winkel zal zijn. Van de mannen tussen 60 en 65 werkt nog slechts 12%. Werken na 60 is dus een uitzondering. Zelfs tussen de 55 en 59 is minder dan de helft van de mannen (42%) aan de slag. Samen betekent dit dat we voor de bewuste leeftijdsgroep van de 55- tot 64-jarigen slechts een werkgelegenheidsgraad halen van 25%. Dit is ruim 13% onder het Europese gemiddelde en goed voor een weinig benijdenswaardige laatste positie op de Europese ranking. Het zal zeer moeilijk zijn om een mentaliteitswijziging te bewerkstelligen. Enerzijds gebruiken de werkgevers de stelsels om hun organisaties te herstructureren en anderzijds beschouwen de werknemers de vervroegde uittrede als een recht. De vervroegde pensioenleeftijd heeft zich dus al in de geesten genesteld als zijnde ‘normaal’. We moeten hier wel opmerken dat uit een onderzoek van de TOR-groep onder leiding van Mark Elchardus over de eindeloopbaan, is gebleken dat de stelsels voor vervroegde pensionering in grote mate door de werkgevers worden gebruikt als een instrument van personeelsbeleid. 40% van de mannen verklaarde niet vrijwillig te zijn gestopt voor hun 65. Bij de vrouwen ligt het percentage bij de 30. In een derde deelrapport van hetzelfde onderzoek komen we te weten wat de determinanten zijn die leiden tot de vervroegde uittrede. De oorzaken zijn niet verrassend, maar wel van belang in de zoektocht naar een goed loopbaanbeleid. De meest logische determinant voor de uittrede is natuurlijk de leeftijd. Tussen 45 en 65 jaar, groeit de kans op uittrede met 33%, per jaar dat men ouder wordt. Een andere verklaring is uiteraard de gezondheidstoestand. Naarmate de gezondheid slechter is, neemt de kans op vervroegde uittrede sterk toe. Tussen de twee geslachten is er ook een duidelijk verschil. Een vrouw heeft tussen 45 en 65 jaar 4,4 keer meer kans om te zijn uitgetreden dan een man.

Ook gaat er een invloed uit van het gezin en van de omgeving in het algemeen. In het eerste geval noteerden de onderzoekers dat alleenstaanden langer blijven werken. Zij hebben immers geen andere inkomens om op terug te vallen. Wat de omgeving betreft, is het dan weer zo dat de kans op uittrede groter wordt naarmate meer mensen uit de omgeving definitief zijn gestopt met werken.

De twee determinanten waar een beleid echter het meest vat op heeft, zijn de financiële overwegingen en de aard en kwaliteit van het werk. Wie een achteruitgang van zijn inkomen vreest, stapt minder snel uit. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het IMF ervoor pleit om het langer werken financieel aantrekkelijker te maken opdat werknemers worden aangemoedigd langer aan de slag te blijven. Ook een aanvullend pensioen of groepsverzekering maakt het doorgaans financieel zeer lonend verder te werken tot de wettelijke pensioenleeftijd. De financiële situatie wordt ook beïnvloed door het feit of men eigenaar is van een afbetaalde woning of daarentegen huurt of een lening moet afbetalen. Ook ongunstige werkomstandigheden en een lastige tijdsregeling, niet alleen in de laatste job, maar over de hele loopbaan, bespoedigen de uittrede. Je kunt nu eenmaal langer aan het werk blijven in een gemakkelijker job dan in een fysiek slopende job. Deze vaststelling lijkt dus de logica van het tijdskrediet te ondersteunen en te wijzen op een draagvlak voor stelsels die de periodes van arbeid en niet-arbeid beter over het leven spreiden.

We studeren niet alleen langer en stoppen vroeger met werken, maar de dood komt nu ook veel later dan voorheen. Al geruime tijd voegen we per jaar een drietal maanden toe aan onze levensverwachting. Het NIS voorspelt een levensverwachting van 88,1 jaar voor vrouwen en 82,1 jaar voor mannen in 2050. Gecombineerd met de vervroegde uittrede krijgen we dus een zeer lange postactieve periode. In 1950 lag de feitelijk pensioenleeftijd in België voor mannen nog op 64,8 jaar en voor vrouwen op 62,9 jaar, in 2000 ligt ze op 58,3 jaar voor de mannen en 56,9 voor de vrouwen. Of zoals Henk Becquaert het in de Financieel Economische Tijd verwoordde: ‘aan het einde van de Tweede Wereldoorlog, toen het huidige pensioenstelsel in werking trad, gingen de mensen op 65 jaar met pensioen en bedroeg de gemiddelde levensduur eveneens 65 jaar. Je had dus geluk als je met pensioen ging en meestal bleef je nadien niet lang leven. Nu is de levensverwachting 80 jaar en stijgend. Bovendien gaan de meeste werknemers voor hun 65e verjaardag met pensioen.’1
Ons pensioensysteem is niet gemaakt voor zo’n lange postactieve periode. Het is bovendien onmogelijk een uitkering te ontvangen gedurende zo’n lange periode zonder het risico te lopen de bijdragen van de (steeds kleiner wordende groep) actieven te moeten verhogen. Maar minstens even belangrijk is dat we weten dat we 70 à 80% van die 20 jaar in goede gezondheid doorbrengen en capabel zijn om een actief sociaal leven te leiden. De pensioenleeftijd, en nog veel minder de werkelijke pensioenleeftijd, is niet langer het moment waarop de meeste mensen zich oud beginnen te voelen. In Frankrijk was in 2000 bijvoorbeeld slechts 12% van de 60-plussers ‘afhankelijk’.

Na de probleemstelling, de oplossingen

De verschillende evoluties van de levensloop raken de kern van de betaalbaarheid van de pensioenen. De actieve periode wordt ingekort (de laatste halve eeuw met maar liefst 10 jaar) door de verlenging van de studietijd en de vervroegde uittrede. De postactieve fase groeit dan weer (de voorbije 50 jaar met ongeveer 19 jaar) door de inkrimping van de actieve leeftijd en de verhoging van de levensduur. De periode van opleiding is in verhouding tot de levensloop ongeveer dezelfde gebleven, ca. 25%. De actieve fase werd daarentegen bij de mannen teruggeschroefd van 75 naar 52% en bij de vrouwen van 69 naar 46%. De postactieve periode explodeerde dan weer: van niets tot 22% voor de mannen en van 8 tot 30% bij de vrouwen. De financiële basis van de pensioenen brokkelt dus af terwijl de financiële noden steeds groter worden. De verhouding tussen de periode van economische afhankelijkheid en economische zelfstandigheid wordt problematisch. De afhankelijkheidsratio wordt immers hoger. Nu zijn 138 mensen afhankelijk van 100 werkenden. Zelfs met een werkzaamheidsgraad van 70% zal de verhouding stijgen tot ongeveer 1,5 in 2050. Van 100 jobs zullen dus 250 mensen moeten leven.

Bij de voorstelling van het jaarverslag van de Vergrijzingscommissie op 6 juni jl. bevestigde de voorzitter, Theo Peeters, dat het optrekken van de activiteitsgraad een grote bijdrage kan leveren tot de betaalbaarheid van de sociale uitgaven. Elke extra 40.000 mensen die langer blijven werken (activiteitsgraad + 1 procent), verminderen de lasten van de vergrijzing met 0,3 procent bbp. Op Europees niveau beschouwd, zou de verwachte stijging van de pensioenuitgaven in 2050 0,6 tot 1 procent van het bbp lager kunnen zijn, als het lukt om de leeftijd waarop mensen werkelijk met pensioen gaan een jaar te verhogen. Eén jaar is echter onvoldoende. Vorig jaar spraken de staats- en regeringsleiders in Barcelona immers af dat de leeftijd waarop men effectief op pensioen gaat, de reële pensioenleeftijd, vijf jaar hoger moet. De regering nam dan ook de afgelopen jaren reeds enkele maatregelen. Enerzijds zijn er de maatregelen die tot doel hebben de mensen langer aan het werk te houden. De verbetering van de arbeidsvoorwaarden is hier essentieel. Vandaar de nadruk op opleiding, op peterschapsformules, op de strijd tegen stress en op de aanpassing van de organisatie en de arbeidstijd. Ook van groot belang zijn de verschillende initiatieven inzake de versoepeling van de arbeidsduurregeling, teneinde privé-leven en arbeid beter met elkaar te verzoenen en de progressieve uitstap uit de beroepsbezigheid op het einde van de loopbaan te regelen. De bekendste voorbeelden zijn het tijdskrediet en de landingsbanen. Anderzijds zijn er ook maatregelen om oudere mensen (terug) aan een job te helpen. De treffendste voorbeelden: de activeringspremie, de verplichte outplacement, de bijzondere begeleiding van werkzoekende 50-plussers bij de VDAB en het behoud van de pensioenrechten bij een werkhervatting ook al is het loon lager dan bij een vorige job. En tenslotte een prikkel die op beide terreinen een effect moet hebben: de lastenverlagingen voor werknemers van 58 jaar en meer vanaf 1 april 2002.
Het werk is echter helemaal nog niet af. Frank Vandenbroucke staat dan ook als minister van Arbeid en Pensioenen voor een enorme uitdaging.

In het kader van de zoektocht naar oplossingen schetste Geneviève Reday-Mulvey van ‘L’ Association de Genève’ in april op een Europese conferentie drie prioriteiten. Ten eerste moet er rekening worden gehouden met het aantal jaren dat werd bijgedragen. Dat zou zoveel mogelijk het systeem van een vaste pensioenleeftijd moeten vervangen. Deze pensioenleeftijd is immers onrechtvaardig omwille van twee sociologische vaststellingen: veel professionele groepen starten hun beroepsloopbaan veel vroeger en in veel minder goede omstandigheden dan zij die een opleiding volgen tot hun 23e of hun 25e. Bovendien zijn het net deze groepen arbeiders die een lagere levensverwachting hebben dan de gemiddelde levensverwachting. Ten tweede moet er meer aandacht zijn voor de flexibiliteit en de keuze van de pensioenleeftijd. Een flexibiliteit naar boven toe moet financieel aangemoedigd worden zonder een flexibiliteit naar beneden toe uit het oog te verliezen.

Beide prioriteiten leunen overigens nauw aan bij het pleidooi van sp.a-voorzitter Steve Stevaert tijdens de voorbije verkiezingscampagne voor een pensioenleeftijd op maat. Professor Bea Cantillon treedt zijn mening bij dat lager opgeleiden die zwaar fysieke arbeid doen, niet langer moeten werken: ‘als je dat toch zou doen, dan zou dat contraproductief zijn. Want dan moet je meer ziekteverlof betalen, meer invaliditeitsuitkeringen of komen de oudere werknemers misschien wel in de werkloosheid terecht. Er zijn nog altijd mensen die slechte arbeidsvoorwaarden hebben en uitgebrand zijn voor hun zestigste.’2 Ten derde moet er werk worden gemaakt van een flexibele overgang van de volledige tewerkstelling naar de periode van volledig pensioen: een betere indeling van de werktijden op het einde van de loopbaan door het verminderen van het aantal uren behoort dan tot de mogelijkheden. Dit is dan het idee van een geleidelijk ontwikkelend pensioen of la retraite progressive: het uitstellen van de volledige stopzetting van de loopbaan door gedeeltelijke tewerkstelling en gedeeltelijk pensioen te combineren. Voor de werknemer zijn de voordelen evident: grotere flexibiliteit en keuze, verhoogde motivatie en voldoening van het werk, minder vermoeidheid, de mogelijkheid om zijn vrijgekomen tijd te gebruiken voor familiale, sociale of culturele activiteiten. Bovendien is de verminderde arbeidstijd een ideale overgangsperiode tussen een volledige tewerkstelling en de volledige pensionering. De graduele afbouw van het aantal werkuren naarmate het loopbaaneinde nadert, kan ons inderdaad een hele stap vooruit helpen, maar ook de volledige loopbaan moet meer op maat gesneden en geflexibiliseerd zijn met periodes van loopbaanonderbreking, sabbatjaren, ouderschapsverlof, educatief verlof, palliatief verlof, deeltijds werk … Uit het onderzoek van Mark Elchardus bleek bovendien dat er een sociologisch draagvlak bestaat voor een dergelijk loopbaanbeleid. De stelsels van halftijds brugpensioen en tijdskrediet blijken wel zeer slecht gekend te zijn. 69% van de mannen en 63% van de vrouwen kent het stelsel van halftijds brugpensioen niet. 60% van de mannen en 55% van de vrouwen zegt dat ze het stelsel van het tijdskrediet niet kennen. Op dit ogenblik komen de stelsels vooral tegemoet aan de noden van werknemers onder de 55 en vervullen ze dus niet echt de functie van een geleidelijke exit.

Ter besluit

Er is een vrij groot verschil tussen de feitelijke pensioenleeftijd (57) en de wettelijke pensioenleeftijd (65). Als dit artikel één verdienste mag hebben, dan bij voorkeur toch de volgende. We kunnen de mensen enigszins geruststellen: als er gesproken wordt over ‘langer werken’, dan hebben we het niet over de verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd. De wettelijke pensioenleeftijd verhogen is totaal absurd. We komen immers al een heel eind verder door de feitelijke pensioenleeftijd, die nu nog 7 à 8 jaar onder de wettelijke ligt, weer iets dichter bij die laatste te brengen. De onheilsprofeten die verkondigen dat we straks tot ons 70 jaar moeten werken, zitten er dus naast. Als het de bedoeling is de vroege uittrede in te dijken, dan kan dat best gebeuren via een mix van enerzijds financiële prikkels en anderzijds de promotie van de geleidelijke exit via deeltijds werk en de uitbreiding van stelsels van tijdskrediet. De belangrijkste determinant van het vroege uitstappen is immers de financiële. Het beschikbare individuele inkomen, de verwachtingen over de financiële situatie na de pensionering, het aanvullend pensioen en de groepsverzekering en het huiseigendom spelen een belangrijke rol. Dit betekent tegelijk dat een eindeloopbaanbeleid onvermijdelijk in de portemonnee wordt gevoerd: het moet financieel aantrekkelijker zijn om langer te blijven werken. Naast financiële prikkels moet het beleid vooral ook gevoerd worden op het vlak van de arbeidstijd. Slechte arbeidsomstandigheden en lastige arbeidstijden bleken in het onderzoek van Elchardus eveneens belangrijke oorzaken van de vervroegde uittrede. Deze bestrijden, betekent dat allerlei vormen van niet-voltijdse of onderbroken activiteit worden gestimuleerd.
Er is dus dubbel goed nieuws. Ja, we zullen langer moeten werken, maar niet tot onze 70ste. Bovendien zal het werk over de hele loopbaan en zeker naar het einde toe veel minder intensief moeten worden. Er moet veel meer aandacht zijn voor niet-voltijdse of onderbroken activiteit. ‘Langer werken’ betekent dus niet noodzakelijk ‘meer werken’.

Kevin Brackx
stafmedewerker studiedienst sp.a

Noten
1/ Pansaerts, Carl, ‘Hervorming Europese pensioenstelsels dringt zich op’. Henk Becquaert, kabinetschef minister van Pensioenen, waarschuwt voor gevolgen vergrijzing, In: De Financieel Economische Tijd, 10 juni 2003
2/ Serneels, Katrijn, ‘De solidariteit tussen jong en oud is nog steeds groot’. Interview met Bea Cantillon, In: De Morgen, 28 mei 2003

Referenties
- Bar, ‘Pensioenhervorming jaagt Europese ambtenaren op de kast’, In: De Standaard, 20 mei 2003
- Bulcke, Bernard, ‘EU-ambtenaren zijn ook maar mensen. Waarom de Europese ambtenaren staken’, In: De Standaard, 21 mei 2003
- Bulcke, Bernard, ‘Pensioenspook waart steeds zichtbaarder door Europa’, In: De Standaard, 24 mei 2003
- Delputte, Lode, ‘Het pensioenspook waart door Europa. Slecht 20 procent van EU-burgers wil straks langer gaan werken’, In: De Morgen, 28 mei 2003
- Een creatief en solidair België. Zuurstof voor het land, het federaal regeerakkoord, 8 juli 2003
- Elchardus, Mark, Cohen, Joachim, ‘Gedrag en verwachtingen in verband met het einde van de loopbaan’. Deelrapport 2: de levensloop en de pensioentransitie in België, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, Vrije Universiteit Brussel, 2003, 65p.
- Elchardus, Mark, Cohen, Joachim, ‘Gedrag en verwachtingen in verband met het einde van de loopbaan’. Deelrapport 3: de determinanten van de vroege uittrede, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR, Vrije Universiteit Brussel, 2003, 53p.
- Hens, Evelyne, ‘“Langer werken” centraal in Belgisch pensioendebat. Hogere activiteitsgraad moet hogere pensioenfactuur compenseren’, In: De Financieel Economische Tijd, 20 juni 2003
- Jaarverslag, Studiecommissie voor de Vergrijzing, Hoge Raad van Financiën, mei 2003, 74 p.
- Pansaerts, Carl, ‘Hervorming Europese pensioenstelsels dringt zich op’. Henk Becquaert, kabinetschef minister van Pensioenen, waarschuwt voor gevolgen vergrijzing, In: De Financieel Economische Tijd, 10 juni 2003
- Pansaerts, Carl, ‘Publiek moet meer informatie krijgen over pensioenen’. IMF adviseert werknemers langer aan de slag te houden, In: De Financieel Economische Tijd, 4 juni 2003
- Reday-Mulvey, Geneviève, Repenser les systèmes de pension par le viellissement actif, toespraak op CSE-(Coopération sociale européenne) conferentie ‘Les pensions de retraite des agents publics en Europe’, Brussel, 24 april 2003
- Soderstrom, Hans, ‘New landscape for Sweden’s pension systems’, toespraak op CSE-(Coopération sociale européenne) conferentie ‘Les pensions de retraite des agents publics en Europe’, Brussel, 24 april 2003
- Strategisch rapport pensioenen België, In: Belgisch Tijdschrift voor Sociale Zekerheid, 45e jg., 1e trimester 2003, pp. 125-208
- Tegenbos, Guy, ‘Nog zes jaar om pensioendam te bouwen. Enkele slechte jaren maken sociale uitgaven plotseling onbetaalbaar’, In: De Standaard, 7 juni 2003
- Wet tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds. Memorie van Toelichting, 19 juli 2001

tewerkstelling - pensioen - sociale bescherming

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 8 (oktober), pagina 23 tot 31