Abonneer Log in

Het verlies van het Vlaams Blok in Gent op 18 mei 2003: toevalstreffer of begin van het einde?

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 9 (november), pagina 4 tot 12

Op de federale verkiezingen van 18 mei 2003 boekte het Vlaams Blok, ondanks de Visa-affaire, slechts een beperkte winst (1,8%) in Antwerpen. Daaruit concludeerden sommigen - alweer - dat het Blok in ’t stad tegen het sociologisch plafond is gebotst.1 In De Standaard van 25-26 oktober 2003 wordt Filip Dewinter geconfronteerd met de stelling dat de voorbije verkiezingen geen succes waren voor zijn partij in Antwerpen, en dat ondanks Dyab Abou Jahjah en de visakaarten: ‘De verkiezingen van mei waren geen gemeenteraadsverkiezingen. Het was een strategische fout om er toch gemeenteraadsverkiezingen van te willen maken. De kiezer heeft op 18 mei federaal gekozen en niet Antwerps’, aldus Dewinter.2 Of de verkiezingen van 18 mei in Gent vooral als lokale dan wel als federale verkiezingen moeten beschouwd worden is moeilijk uit te maken. Er zijn evenwel geen tekenen die er overtuigend op wijzen dat het op 18 mei om vervroegde Gentse lokale verkiezingen ging. Dat neemt niet weg dat de achteruitgang van deze partij in Gent een belangrijk teken is voor zij die geloven dat het einde van het Blokrijk in zicht komt.

Uit tabel 1 blijkt dat het Vlaams Blok in de periode 1978-2003 de ene electorale overwinning na de andere behaalde. Het electorale verlies in het kanton Gent (-2,0%) in 2003 is dan ook des te opmerkelijker. Uit dezelfde tabel kunnen we nog een aantal andere conclusies halen. In het Brugse en het Gentse is het Vlaams Blok pas met de verkiezingen van 24 november 1991 (Zwarte Zondag) doorgebroken. Voordien was het Vlaams Blok in het Brugse een te verwaarlozen partij (max. 2,0%) en in het Gentse een erg kleine partij (max. 5,2% bij de gemeenteraadsverkiezingen in 1988). In Antwerpen stond de partij op dat moment al heel wat verder. In 1987 scoorde het Vlaams Blok in het kanton Antwerpen al 10,1% en bij de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen in 1988 17,7%. Niettemin zorgen de verkiezingen begin de jaren negentig ook in het Antwerpse voor een verdere electorale doorbraak van het Vlaams Blok. In het kanton Antwerpen stijgt hun aanhang met 14,4% tot 25,5% terwijl bij de gemeenteraadsverkiezingen in Antwerpen in 1994 de partij met 10,3% groeit tot 28,0%. Sindsdien boekte het Vlaams Blok zowel in de federale verkiezingen in het kanton Antwerpen (1995, 1999 en 2003) als bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 (+5,0% tot 33,0%) wel electorale successen maar die waren lang niet meer zo spectaculair als voorheen. Ook in het Brugse boekt het Vlaams Blok nog electorale vooruitgang. De partij behaalt 10,4% (+2,5%) bij de gemeenteraadsverkiezingen in Brugge in 2000 en 14,7% (+1,8%) bij de federale verkiezingen in het kanton Brugge in 2003. In Gent boekte het Vlaams Blok bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2000 nog een gevoelige winst (+6,8%) tot 19,5% van het electoraat. Het is evenwel duidelijk dat het Vlaams Blok er zowel in het Brugse als in het Gentse niet in geslaagd is om haar Antwerpse scores te benaderen.

Tabel 1 : Verkiezingsresultaten (%) van het Vlaams Blok bij de federale en gemeenteraadsverkiezingen in (kanton) Antwerpen, (kanton) Brugge en (kanton) Gent 1978-2003.3

Belangrijker is hier evenwel dat het Vlaams Blok in Gent zijn eerste betekenisvolle tegenslag leed, wat Marc Reynebeau meteen daarna tot de gedachte bracht dat Gent ‘misschien het recept kan aanreiken om de extreemrechtse proteststem op langere termijn zinledig te maken.’4 Hij verwees daarmee naar ‘de goede reputatie van zorgzaam en evenwichtig bestuur’ van het Gentse college. Vlaams-Blokvoorzitter Vanhecke daarentegen nam het niet dat via het Gentse verlies sommigen het Blok in het kamp van de verliezers wilden duwen en liet fijntjes optekenen dat zijn partij haar tiende verkiezingsoverwinning op rij boekte en de grootste overwinning sinds 24 november 1991 behaalde. De verwachting dat de partij in landelijke gebieden stedelijke scores zou halen werd nog overtroffen.5 In heel wat centrumsteden, maar ook in secundaire steden en gemeenten, boekte de partij tussen drie en zes procent winst.6 Daarmee gaf Vanhecke ook aan dat het criterium dat Verhofstadt in 1999 zelf gekozen had voor het succes van zijn kabinet, alleen maar kon leren dat paars-groen hier gefaald heeft.

Ook Francis Van den Eynde, de Gentse voorman van het Blok, zat er niet echt mee, gezien de winst in de omliggende gemeenten het verlies in Gent compenseert. Bovendien ging de CD&V in Gent nog zwaarder onderuit en moest de oppositie het opnemen tegen vedettes zoals Freya Van den Bossche en Guy Verhofstadt.7 Maar daar is de Gentse sp.a-voorzitter Daan Schalck het niet mee eens. Van den Eynde is volgens hem zelf ook een van hun topfiguren: ‘Als je resoluut voor een beleid op lange termijn kiest en dat koppelt aan goede degelijke figuren zoals Frank Beke’ dan dring je volgens Schalck het Blok terug.8 Dat ‘terugdringen’ leidde in elk geval tot luidkeelse vreugdekreten, zoals die van Cathy Galle die in De Morgen van 23 mei 2003 een brief naar de collega’s uit andere steden begon met de kreten ‘jubel, jubel, juich, juich’. Volgens Galle is het Frank Beke die de eerste verantwoordelijke is voor ‘het niet afglijden van zijn stad’ omdat hij ook buiten verkiezingsperiodes bij zijn burgers gaat aankloppen.9 Beke zelf heeft naar eigen zeggen geen pasklare remedie om het Blok te counteren, en al speelden goede kandidaten en een sterk programma zeker een rol, hij is er van overtuigd dat de verminderde verzuring in Gent en het sterk sociaal beleid belangrijke elementen zijn.10
Kortom, in de politieke analyses onmiddellijk na de verkiezingen werd een grote symbolische betekenis toegekend aan de slechte score van het Blok in Gent. Velen zagen daarin een teken van hoop: de steile en onafgebroken opgang van het Blok werd eindelijk doorbroken. Het Blok groeide vanuit de grootstedelijke problematiek en verspreidde zich nadien als een olievlek over secundaire steden en landelijke gebieden. Op 18 mei 2003 viel het Antwerpse en Gentse resultaat tegen: in Antwerpen scoorde ze zwakker dan verwacht, in Gent was er onvervalst verlies. Dat leidde tot de hoop in bange dagen dat, zoals ook de groei van het Blok vanuit de grootsteden startte, nu ook de afkalving van deze partij van daaruit was ingezet.

In dit artikel willen we een bescheiden bijdrage leveren tot het antwoord op de vraag hoe de - beperkte - electorale Blok-neergang in Gent kan verklaard worden. Het gaat hier duidelijk om een lokaal fenomeen, gezien de groei van het Blok rond Gent. Dat de paarse vedettes in de Oost-Vlaamse kieskring die van het Vlaams Blok probleemloos overvleugelden is een te gemakkelijke verklaring gezien de opgang van het Blok elders in de provincie. Of is er dan toch sprake van een zogenaamde Beke-factor, de verpersoonlijking van het Gentse stadsbeleid? Uit ons onderzoek blijkt alvast dat het vertrouwen van de Gentse kiezers in hun burgemeester (3,43) hoger is dan het vertrouwen van de Bruggelingen (3,19) en vooral de Antwerpenaars (2,59) in hun burgemeester.11
In deze beschouwing willen we nagaan welke elementen we in ons uitgebreid en onafhankelijk onderzoek uit 2003 in Antwerpen, Brugge en Gent kunnen vinden die bijdragen tot een verklaring van de - tijdelijke of definitieve? - terugval van het Blok in Gent.
Voor dit onderzoek werden gegevens gebruikt die verkregen werden door middel van face-to-face surveyonderzoek in Gent, Brugge en Antwerpen. De gesloten vragenlijsten, afgenomen tijdens de periode februari 2003-april 2003, werden opgesteld op basis van vorig onderzoek en een uitgebreide literatuurstudie.12 In dit onderzoek werd een representatief staal van de kiesgerechtigde inwoners van deze steden bevraagd, zonder maximumleeftijd en via een volkomen aselecte trekking op basis van het bevolkingsregister. Er werden in Gent 1.752, in Brugge 1.200 en in Antwerpen 1.700 respondenten geselecteerd. Uiteindelijk werkten resp. 699, 494 en 680 kiesgerechtigde inwoners aan dit onderzoek mee. De responserate bedraagt dus resp. 39,9%, 41,3% en 38,8%, wat een normale respons is voor een onderzoek van dergelijke omvang. Omdat de uitval van respondenten differentieel kan zijn dient de representativiteit te worden getoetst. Uit de analyses bleek dat zich daar geen problemen stellen, al moeten we rekening houden met een lichte ondervertegenwoordiging van de oudere - voornamelijk vrouwelijke - kiezers.

Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 8 oktober 2000 in Gent, Brugge en Antwerpen stemden er, naar eigen zeggen, resp. 7,6%, 4,7% en 19,3% van de totale groep respondenten voor het Vlaams Blok.13 In dat opzicht zijn de Vlaams-Blokkiezers ondervertegenwoordigd in ons onderzoek, zoals vaak wordt vastgesteld in enquêtes.14 Belangrijk is dat een aanzienlijk deel van de geënquêteerden hun partijvoorkeur niet te kennen geeft, namelijk 17,9% (Gent), 18,4% (Brugge) en 21,2% (Antwerpen). Het is zonder meer duidelijk dat deze groep het verschil kan maken. Bovendien mogen we er niet van uitgaan dat alle partijen evenredig zijn vertegenwoordigd in deze groep kiezers. Er zijn evenwel aanwijzingen dat er binnen deze groep relatief veel kiezers zitten die het Vlaams Blok genegen zijn (cf. infra).

Synchrone analyse

Of het Vlaams Blok een electoraal plafond heeft bereikt valt uiteraard moeilijk te zeggen. Interessant echter is de vraag welke politieke partij het meest door de kiezers wordt afgekeurd. In de totale steekproef keurt 61,1% (Gent), 48,5% (Antwerpen) en 63,2% (Brugge) van de kiezers het Vlaams Blok het meest af. Bij de kiezers die niet voor het Vlaams Blok stemmen is dit 66,1% (Gent), 66,2% (Brugge) en 59,7% (Antwerpen). Opvallend is dat bij de kiezers die hun partijvoorkeur niet te kennen geven, het aandeel kiezers dat het Vlaams Blok het meest afkeurt merkelijk lager is (resp. 48,8%, 40,7% en 36,8%). Dit kan er m.a.w. op wijzen dat er bij respondenten die hun partijvoorkeur niet te kennen geven heel wat Vlaams-Blokkiezers te vinden zijn.

In dit onderzoek werd ook gepeild naar de partij die men als tweede keuze selecteert. Daaruit blijkt dat zeer weinig respondenten in Gent, Brugge en Antwerpen het Vlaams Blok aanduiden bij de vraag naar de tweede partijvoorkeur (resp. 1,7%, 2,6% en 3,9%).
In het bijzonder is relevant wat de tweede partijvoorkeur van de Vlaams-Blokkiezers is. Onze analyse leert dat heel wat van die kiezers niet weten welke partij voor hen op de tweede plaats komt of niet antwoorden op deze vraag (Gent: 28,3%, Brugge: 21,7% en Antwerpen: 42,0%). Van de Gentse Blokkiezers opteren er 22,6% voor de sp.a, 18,9% voor de VLD als tweede partijkeuze. In Antwerpen valt de sp.a slechts bij 6,1% van de Vlaams-Blokkiezers in de smaak, terwijl 18,3% van hen de VLD als tweede partijvoorkeur laat noteren. Daarnaast geven 9,9% en 9,2% van de Antwerpse Vlaams-Blokkiezers resp. de CD&V en de N-VA als tweede partijvoorkeur op.
Uiteraard zijn, na de afbakening van de electorale voorkeuren van het Blokelectoraat, de kenmerken van deze kiezers van groot belang voor eventuele verklaringen van het stemgedrag.15 Deze kenmerken, die we hier als onafhankelijke variabelen beschouwen, werden gelinkt aan de partijvoorkeur van de geënquêteerden, in het bijzonder aan het feit of ze al dan niet voor het Blok stemmen. Dit laatste is de afhankelijke variabele in het onderzoek.16 De mate waarin de onafhankelijke variabelen bijdragen tot het verklaren van het al dan niet stemmen voor het Vlaams Blok wordt weergegeven d.m.v. een parameter.17 Hoe hoger deze waarde - uitgedrukt in een percentage - hoe sterker een onafhankelijke variabele bijdraagt tot het verklaren van het al dan niet stemmen voor het Vlaams Blok. Strikt genomen kunnen we op grond van deze analyse geen uitspraken doen over de causaliteit tussen de verschillende variabelen, we bespreken enkel verbanden.

Welke kenmerken van de kiezers zijn doorslaggevend voor het al dan niet stemmen voor het Vlaams Blok? Om de Gentse uitzonderingssituatie - verlies van het Blok op 18 mei 2003 - beter te begrijpen is het belangrijk om in een synchrone analyse na te gaan in welke mate de voornaamste determinanten gelijkaardig zijn of verschillen voor kiezers in Gent, Brugge en Antwerpen. Tabel 2 geeft een overzicht van de kenmerken van de Vlaams-Blokkiezers die, voor de verschillende steden afzonderlijk, de hoogste ‘verklarende’ waarde hebben voor het al dan niet stemmen voor het Vlaams Blok. Het gaat hier dus niet om een overzicht van alle mogelijke variabelen, maar enkel om die kenmerken die in de drie steden afzonderlijk het belangrijkst zijn om een stem voor het Vlaams Blok te ‘verklaren’.

Tabel 2 : De onafhankelijke variabelen die de grootste verklarende waarde hebben voor het al dan niet stemmen voor het Vlaams Blok in Gent, Brugge en Antwerpen. 18

In alle drie de steden komt naar voor dat de houding tegenover de migrantengemeenschap doorslaggevend is voor het al dan niet stemmen voor het Vlaams Blok. Hoe positiever tegenover de migrantengemeenschap, hoe kleiner de kans op een Blokstem. Ook de links-rechtssituering van de eigen politieke ideeën, door de kiezer zelf, zegt veel over zijn partijvoorkeur. De Vlaams-Blokkiezers in Gent, Brugge en Antwerpen hebben telkens een uitgesproken rechtse zelfsituering (resp. 6,35; 6,33 en 6,33 tegenover resp. 4,55; 4,90 en 4,57 bij zij die niet stemmen voor deze partij). De Vlaams-Blokkiezers blijken ook meer materialistisch te zijn ingesteld dan de andere kiezers.
Daarnaast is ook politieke machteloosheid een belangrijk element voor het al dan niet uitbrengen van een Blokstem. Hoe hoger de politieke machteloosheid, hoe groter de kans op een Blokstem. Dezelfde tendens zien we m.b.t. de beoordeling van de invloed als kiezer op het beleid van de verschillende bestuursniveaus. Bij kiezers die ervan uitgaan dat ze weinig invloed kunnen uitoefenen op de politiek, is de kans op een Blokstem significant hoger. Enkel in Gent is dit verband niet zo sterk.

Ook een uitgesproken utilitair individualistische houding van de Vlaams-Blokkiezers komt naar voor. Deze houding wijst erop dat Vlaams-Blokkiezers in sterkere mate individualistische doeleinden nastreven, zonder al te veel rekening te houden met anderen.19 Hoe meer men autoritaire denkbeelden aanhangt, hoe meer kans op een Blokstem. Het gevoel dat politiek bij kiezers oproept heeft eveneens een belangrijke verklarende waarde voor het al dan niet stemmen op het Blok. Kiezers bij wie politiek een negatief gevoel oproept hebben meer kans om op het Vlaams Blok te stemmen. Dit is vooral voor het Brugse electoraat het geval.
Het veiligheidsgevoel heeft in Gent, maar vooral in Antwerpen, een belangrijke verklarende waarde. Dit is niet het geval in Brugge. Terwijl de Vlaams-Blokkiezers in Antwerpen en Gent zich beduidend minder veilig voelen in hun stad is dit bij de kleine groep Brugse Vlaams-Blokkiezers niet het geval. Uit dit onderzoek blijkt voorts het belang van het opleidingsniveau en het hoofdberoep van de respondenten: hoe hoger het opleidingsniveau, hoe kleiner de kans op een Blokstem. Bij de arbeiders en zelfstandigen is de kans groter om op het Blok te stemmen, bij kaderleden en het onderwijzend personeel kleiner. Deze trends zijn evenwel minder uitgesproken bij het Brugse kiespubliek. Conform met het onderzoek van Depickere en Swyngedouw20 blijkt dat niet zozeer het beroep maar het opleidingsniveau doorslaggevend is voor het uitbrengen van een stem op het Vlaams Blok. In tegenstelling tot wat we kunnen veronderstellen op grond van de theorie van Kitschelt, die o.a. stelt dat sociaal en economisch gedepriveerde individuen gevoelig zouden zijn voor het stemmen voor extreemrechts21, is het inkomen van de doorsnee Vlaams-Blokkiezer niet merkelijk lager dan dat van andere kiezers. Al zijn er in Brugge en Gent telkens beduidend meer Blokkiezers met een ‘matig’ inkomen.22 Voor Antwerpen zijn er geen duidelijke verschillen in het inkomensniveau van Blokkiezers in vergelijking met het totale electoraat. Zowel in Gent als in Antwerpen zien we dat ook het vertrouwen in medemensen ons heel wat zegt over het al dan niet stemmen voor het Vlaams Blok. Blokkiezers hebben een veel hoger wantrouwen. Dit komt niet binnen de kleine groep Vlaams-Blokkiezers in Brugge naar voor. Ten slotte draagt ook informatie over de levensbeschouwing van de kiezers betekenisvol bij tot de duiding van de Blokstemmen. De patronen zijn dezelfde in de drie steden: heel wat Blokkiezers zijn naar eigen zeggen ongelovig of houden er geen enkele levensbeschouwing op na. In Brugge en Antwerpen zijn er evenwel ook heel wat katholieken onder de Vlaams-Blokkiezers.
Tot dusver leerde de analyse ons enkel welke factoren een invloed hebben op het al dan niet uitbrengen van een Blokstem. Deze analyse zegt ons evenwel nog niets over mogelijke verklaringen voor de verschillende electorale score van het Vlaams Blok in deze drie steden. Belangrijk is ook dat we kijken in welke mate er een verschil is tussen het profiel van de Vlaams-Blokkiezers in Gent, Brugge en Antwerpen. Voor heel wat kenmerken zien we een grote overeenstemming tussen de electoraten van het Vlaams Blok in Gent, Brugge en Antwerpen. Zo stellen de Vlaams-Blokkiezers uit de drie steden zich even negatief op tegenover de migrantengemeenschap, situeren ze zich even rechts op de politieke links-rechtsschaal, associëren ze politiek telkens in hoge mate met negatieve gevoelens en komt het levensbeschouwelijke profiel van hun kiezers in hoge mate overeen. Daarnaast zijn er beperkte verschillen in de mate waarin ze er materialistische, utilitair individualistische en autoritaire waarden op nahouden.

Op een aantal andere vlakken zijn er wel belangrijke verschillen te zien. Zo telt het relatief kleine Vlaams-Blokelectoraat in Brugge relatief veel hooggeschoolden, kaderleden en kiezers met een vrij beroep. Ook voelen de Vlaams-Blokkiezers in Brugge zich beduidend veiliger in hun stad in vergelijking met de Vlaams-Blokkiezers uit Gent en vooral Antwerpen. Daarnaast zijn er een aantal belangrijke verschilpunten tussen het Antwerpse Vlaams-Blokelectoraat en de groep kiezers die in Brugge en Gent hun stem geven aan het Vlaams Blok. Zo zijn er bij de Vlaams-Blokkiezers in Antwerpen verhoudingsgewijs meer arbeiders, meer kiezers met een laag inkomen en meer kiezers die moeite hebben om rond te komen met het maandelijks netto gezinsinkomen. De Antwerpse Vlaams-Blokkiezers voelen zich beduidend minder veilig. Ten slotte komt ook naar voor dat de politieke machteloosheid hoger is bij de Antwerpse Vlaams-Blokkiezers. Dit komt ook tot uiting als we peilen naar de eigen beoordeling van de invloed die men als kiezer kan hebben op het beleid.

Diachrone analyse

De synchrone analyse, waarbij drie steden in de vergelijking worden opgenomen, portretteert de afzonderlijke stadselectoraten en de factoren die anno 2003 een Blokstem in deze steden in de hand werken. Daaruit komen enkele relevante verschillen naar voor maar de terugval met 2% van het Vlaams Blok in Gent tussen 1999 en 2003 is daarmee nog onvoldoende verduidelijkt. Daartoe is een analyse van specifiek Gentse factoren aangewezen. In deze diachrone analyse gaan we na welke verschuivingen er zijn tussen de onderzoeksresultaten van het onderzoek van 200023 en dat van 2003. We concentreren ons hier op die factoren die in 2003 van doorslaggevend belang waren voor het uitbrengen van een stem op het Vlaams Blok in Gent.

Vooreerst zien we dat het Gentse electoraat globaal genomen een iets positievere houding tegenover de migrantengemeenschap is gaan aannemen. Hetzelfde zien we ook bij de Gentse Vlaams-Blokkiezers. Zij staan in 2003, in vergelijking met 2000, iets minder negatief tegenover de migrantengemeenschap, hoewel de overgrote meerderheid van de Vlaams-Blokkiezers er nog steeds een uitgesproken negatieve houding op nahoudt (in tegenstelling tot de doorsnee Gentse kiezer). Daarnaast is er binnen de totale groep kiesgerechtigde Gentenaars een lichte afname van de politieke machteloosheid terwijl er bij de Vlaams-Blokkiezers een sterke toename is. De Gentse kiezers zijn, voor wat de mate waarin men zich autoritair opstelt betreft, globaal genomen tijdens de afgelopen drie jaar iets gematigder geworden, terwijl deze tendens nog meer uitgesproken is bij het Vlaams-Blokelectoraat. Voorts stellen we ook een lichte verlinksing van het globale Gentse electoraat vast (van 4,81 in 2000 tot 4,68 in 2003 op een 11-puntenschaal van 0 tot 10). Ook het Vlaams-Blokelectoraat situeert de eigen politieke ideeën wat minder uitgesproken rechts (van 6,94 in 2000 tot 6,35 in 2003). Het veiligheidsgevoel bij het globale Gentse electoraat blijft nagenoeg constant (van 6,44 in 2000 tot 6,49 in 2003) terwijl de Vlaams-Blokkiezers zich in vergelijking met drie jaar geleden veiliger zijn gaan voelen (van 4,57 in 2000 tot 5,13 in 2003).

Uit de diachrone analyse blijkt eveneens, globaal genomen, een lichte toename van het opleidingsniveau van de Gentse kiezer.24 Deze trend zien we ook bij het Vlaams-Blokelectoraat. Tot slot heeft de doorsnee Gentse kiezer anno 2003 een iets hoger vertrouwen in de medemens. Bij de Vlaams-Blokkiezers is dit ook het geval, hoewel deze groep kiezers nog steeds blijk geeft van een fundamenteel wantrouwen.

Besluit

Kortom, in de afgelopen drie jaar staat de Gentenaar iets positiever tegenover de migrantengemeenschap, voelt hij zich minder politiek machteloos en is hij iets minder autoritair. Daarnaast situeert hij zijn politieke ideeën linkser, is het opleidingsniveau van de doorsnee kiezer iets hoger en is zijn vertrouwen in de medemens wat toegenomen. Tijdens de synchrone analyse bleken deze factoren immers van groot belang voor het verklaren van de Gentse Vlaams-Blokstem. Wanneer we de periode 2000-2003 bekijken, stellen we vast dat het Gentse electoraat op enkele punten als minder radicaal kan omschreven worden of een meer gematigde houding heeft aangenomen. Gezien de korte tijdspanne is het uiteraard onmogelijk om hier van een fundamentele trend of ommekeer te gewagen. Toch zijn de vastgestelde verschuivingen onmiskenbaar en in het licht van deze bijdrage betekenisvol: het gaat om bescheiden verschuivingen van precies die factoren of variabelen die in Gent het meest meespelen in het uitbrengen van een Blokstem. Met andere woorden, precies deze in Gent beslissende factoren evolueerden tijdens de afgelopen drie jaar in een voor het Blok ongunstige richting. Dat deze ontwikkelingen ook bij Blokkiezers terug te vinden zijn is in deze minder essentieel, het wijst er enkel op dat ook het bestaande, met 2,0% gekrompen electoraat evolueert en geen eiland is in de Gentse vijver. Te verwachten valt dat het Blok deze ontwikkeling niet passief zal ondergaan.

In De Standaard van 25-26 oktober 2003 stelt Dewinter: ‘Het Vlaams Blok is een tanker die zijn koers wijzigt. Dat gebeurt langzaam, gestadig en behoedzaam. (...) We ronden de scherpe kanten af, schuiven wat op richting centrum. Maar niet te veel, want onze USP is en blijft ons duidelijk standpunt over immigratie, veiligheid, Vlaamse zelfstandigheid. (...) Het is rijden en omzien. Uitbreiden en verbreden, ja. Maar ook zorgen dat het trouwe electoraat blijft. (...) De maatschappij is geëvolueerd. Ook wij zijn geëvolueerd.’ Het is helemaal niet zeker dat deze dubbele strategie - afslijten van scherpe stellingen om nieuwe centrumkiezers aan te trekken en het benadrukken van de unique selling proposition om de huidige kiezers aan boord te houden - tot mislukking gedoemd is. Zeker niet indien zou blijken dat andere partijen de conservatieve centrumkiezers links laten liggen. Op grond van de bescheiden bijdrage die dit onderzoek terzake kan leveren en waarin enkele lichte verschuiving van het Gentse (o.a. Blok) electoraat naar voor kwamen, blijkt dat het vanuit Blokperspectief zelfs om een levensnoodzakelijke strategie gaat. Het Blok bewees eerder over veel politieke feeling te beschikken, en zal wellicht de partijkoers langzaam afstemmen op deze maatschappelijke evoluties. Waarmee meteen ook gesteld is dat de Gentse vreugdekreten na 18 mei 2003 voor de Bloktegenstanders best niet verlammend mogen werken. Er is geen enkele ernstige reden denkbaar waarom het Blok in 2004 in Gent onmogelijk een nieuwe sprong voorwaarts zou kunnen maken. Of in Gent het begin werd gemaakt van de terugdringing van het Blok kan pas over enkele verkiezingen blijken, maar de aanpassingstrategie van het Blok laat hun tegenstanders alleen maar volgehouden alertheid en inzet.

Dries Verlet, Herwig Reynaert en Carl Devos
Vakgroep Politieke Wetenschappen, Universiteit Gent

Noten
1/ Het Laatste Nieuws, 19 mei 2003.
2/ De beperkte invloed van de Visa-affaire op het vertrouwen in het bestuur blijkt uit ons onderzoek over het Antwerpse electoraat. Zie onder meer: De Standaard, 16 oktober 2003, pp. 1 en 3.
3/ Anno 2003 bestaat het kieskanton Gent enkel uit de stad Gent. Het kieskanton Antwerpen omvat naast de stad Antwerpen ook de gemeente Zwijndrecht. Het kieskanton Brugge omvat de volgende steden en gemeenten: Brugge, Beernem, Blankenberge, Damme, Knokke-Heist, Jabbeke, Oostkamp, Zedelgem en Zuienkerke.
Reynaert, H., Devos, C., Steyvers, K., Verkiezingstaal. Kamer & Senaat. Brugge, Vanden Broele, 2002, pp.143-149.
4/ Reynebeau, M., ‘Eenzaam zonder groen’. In: Knack, 21 mei 2003, p.22.
5/ De Morgen, 19 mei 2003.
6/ Het Laatste Nieuws, 19 mei 2003.
7/ De Standaard, 21 mei 2003.
8/ Het Volk, 20 mei 2003.
9/ De Morgen, 23 mei 2003.
10/ De Standaard, 21 mei 2003.
11/ Deze getallen zijn gemiddelde schaalscores op een vijfpuntenschaal gaande van 1 (zeer weinig vertrouwen) tot 2 (zeer veel vertrouwen).
12/ Verlet, D., Reynaert, H. Devos, C., Tevredenheid over lokaal beleid. Stad Gent. Brugge, Vanden Broele, 2002, 189p.
13/ Aangezien de groep Vlaams-Blokkiezers in Brugge klein is, moeten we voorzichtig zijn met de verdere analyse van het Vlaams-Blokelectoraat in Brugge.
14/ Billiet, J., ‘Het gevaar van slechte peilingen’. In: De Standaard, 13 okt. 2000.
15/ In de enquêtes werden diverse kenmerken van de respondenten bevraagd. Naast de klassieke sociaal-demografische kenmerken peilden we ook naar houding t.o.v. anderen, het leven in de buurt, het lidmaatschap van verenigingen, klassenidentificatie, veiligheidsgevoel, utilitair individualisme, self-esteem, autoritarisme, postmaterialisme en de beoordeling van de eigen huidige situatie ten opzichte van deze van de ouders en deze aan het begin van het beroepsleven. Daarnaast namen we diverse vragen op die peilen naar de relatie met de stedelijke diensten en de houding tegenover politiek.
16/ Om een idee te krijgen van de verklarende waarde van de verschillende variabelen voor het al dan niet stemmen voor het Vlaams Blok werd er (binaire) logistische regressie gebruikt. Deze statistische techniek laat ons namelijk toe om na te gaan of de kennis van verschillende onafhankelijke variabelen bijdraagt tot het ‘voorspellen’ of ‘verklaren’ van de waarde van een zogenaamde categorische variabele (zoals het al dan niet stemmen voor een bepaalde partij). Menard, S., ‘Applied logistic regression analysis’. Series: Quantitative applications in the social sciences, nr. 106. Thousand Oaks, Sage Publications, 1995, pp.17-18.
Tabachnick, B.G., Fidell, L.S., Using multivariate statistics. Fourth edition. Boston/London, Allyn and Bacon, 2001, p.517.
17/ Nagelkerke R²
18/ De percentages zijn de waarden voor ‘Nagelkerke R²’ die resulteren uit de logistische regressie. Bij deze berekening werd er geen rekening gehouden met achtergrondvariabelen. De opmaak van deze cijfers vertelt ons iets over de bijhorende p-waarden. Bij de in het vet gedrukte percentages horen p-waarden die kleiner of gelijk zijn aan 0,001. De bijhorende p-waarde bij percentages met een \* zijn groter dan 0,001 maar kleiner dan 0,050.
19/ Elchardus, M., Heyvaert, P., Soepel, flexibel en ongebonden. Brussel, VUBPress, 1990, pp.155-156.
20/ Swyngedouw, M., Billiet, J., (red.), De kiezer heeft zijn redenen. 13 juni 1999 en de politieke opvattingen van Vlamingen. Leuven, Acco, 2002, pp.1-26.
21/ Kitschelt, H., Mc Gann, A., The radical right in Western Europe : a comparative analysis. Ann Arbor (Mich.), University of Michigan press, 1995, 332p.
Verlet, D., Reynaert, H. Devos, C., Tevredenheid over lokaal beleid. Stad Gent. Brugge, Vanden Broele, 2002, 189p.
22/ Met een ‘matig’ inkomen bedoelen we een maandelijks netto gezinsinkomen tussen 1500 en 2500 euro.
23/ Voor meer details omtrent deze onderzoeken kunnen we verwijzen naar : Verlet, D., Reynaert, H. Devos, C., Tevredenheid over lokaal beleid. Stad Gent. Brugge, Vanden Broele, 2002, 189p.
24/ Bij de verwerking werden drie opleidingsniveaus geoperationaliseerd: ‘laag’ (t.e.m hoger beroepsonderwijs), ‘matig’ (t.e.m hoger algemeen vormend secundair onderwijs) en ‘hoog’(niet universitair hoger onderwijs en universitair onderwijs).

verkiezingen - Vlaams Blok

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 9 (november), pagina 4 tot 12