Abonneer Log in

Kasky vs.Nike: vrijheid van meningsuiting of recht op liegen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 9 (november), pagina 50 tot 54

Een bedrijf als Nike is voor zijn commercieel succes sterk afhankelijk van het imago dat aan zijn merknaam kleeft. Dus dat mag iets kosten: in 1997 gaf Nike bijna een miljard dollar uit aan allerlei vormen van promotie. Eigenlijk doet het bedrijf zelf weinig meer dan promotie voeren, want alle productieactiviteiten zijn uitbesteed aan onderaannemers, vooral in China, Thailand en Indonesië. In totaal heeft Nike wereldwijd nog geen 25.000 mensen in dienst, maar het aantal werknemers dat Nike-producten vervaardigt ligt meer dan tien keer zo hoog. Midden de jaren negentig kwamen meerdere grote sportschoenenbedrijven in opspraak door de omstandigheden waarin het personeel van hun onderaannemers moest werken. Zo ook Nike. Het bedrijf reageerde met een grootscheepse PR-campagne, waarbij het zich in de pers, eigen publicaties, debatten, enz. verdedigde tegen de aanvallen met allerlei argumenten en gegevens, waaruit moest blijken dat de critici ongelijk hadden.

Tot daar is dit het gewone verhaal van de steeds talrijker wordende controverses rond het uitbesteden van productieactiviteiten naar lageloonlanden. Het wordt pas bijzonder als één van de activisten, Marc Kasky, in juli 1998 bij het Californische gerecht een aanklacht indient tegen Nike. Het kwam tot een rechtszaak die, naarmate ze langzaam maar zeker vorderde, steeds meer stof deed opwaaien in de Verenigde Staten. Het begon er ook steeds meer naar uit te zien dat de afloop van deze rechtszaak de wereld van bedrijven èn actiegroepen over de hele wereld wel eens beduidend zou kunnen veranderen…

Kasky vs. Nike: de feiten

Kasky’s beschuldiging gaat een stuk verder dan de vermeende sociale misbruiken van Nike zelf. De aanklacht luidt dat, aangezien Nike met zijn PR-campagne duidelijk tot doel heeft de consumenten te overtuigen om Nike-producten te kopen, de uitspraken in die campagne dan ook gezien moeten worden als commerciële communicatie, waarvoor heel wat strengere regels gelden dan voor ‘gewone’ communicatie. Voor die laatste is immers in principe de vrijheid van meningsuiting grondwettelijk gewaarborgd. Kasky eiste in naam van het algemeen belang dat Nike de inkomsten die het verworven heeft dankzij zijn ‘misleidende reclame’ zou afstaan. In mei 2002 gaf de Californische Supreme Court Marc Kasky gelijk door te stellen dat de Nike-campagne over de arbeidsomstandigheden bij de onderaannemers aanzien kan worden als commerciële communicatie, ook al gebeurde die via onder meer persberichten, krantenartikels, websites, enz. De rechtbank oordeelde ook dat het er niet toe deed of eventuele foute uitspraken (‘valse claims’) met opzet of bij vergissing gedaan waren, en ook niet of de aanklager al dan niet persoonlijk nadeel had ondervonden door die uitspraken.
Nike zelf, maar ook een aantal maatschappelijke groeperingen in de Verenigde Staten reageerden onthutst. Ze drukten hun vrees uit dat een dergelijke toepassing van de commerciële wetgeving het in de toekomst wel zeer moeilijk of gevaarlijk zou kunnen maken voor bedrijven om te communiceren over de manier waarop ze met hun maatschappelijke verantwoordelijkheid omgaan, en in het algemeen om een dialoog aan te gaan met de organisaties die hen bekritiseren. Er was ook ongerustheid over het feit dat een uitspraak van een ‘lagere’ (Californische) rechtbank een bepalend impact zou hebben op bedrijfscommunicatie overal ter wereld: de Supreme Court had immers geoordeeld dat ze bevoegd was omdat de campagne van Nike weliswaar niet specifiek in Californië gevoerd was, maar dat de websites en de kranten e.d. toch ook in Californië toegankelijk waren. Nike ging in beroep bij de Amerikaanse (Federale) Supreme Court, die onlangs (eind juni 2003) het beroep verwierp en de zaak terugverwees naar de Californische rechtbank om zich uit te spreken over de grond van de zaak, dus over de vraag of Nike zich ook effectief heeft schuldig gemaakt aan misleidende uitspraken.

Een bont gezelschap van Nike-medestanders

De zaak Kasky vs. Nike beroerde danig de gemoederen in de Verenigde Staten en leidde tot ongewone coalities. Het standpunt van Nike werd gesteund door onder meer de Bush-administratie, een aantal bedrijven (o.a. Microsoft, Exxon/Mobile, Monsanto, Pfizer) en clubs van bedrijfsleiders (o.a. de Business Roundtable), maar ook door organisaties die bedrijven via dialoog willen overtuigen om wat meer zorg te dragen voor de wereld en haar bewoners. Ze voeren aan dat, wanneer bedrijven in de rechtbank aangevallen worden omwille van uitspraken i.v.m. hun maatschappelijke verantwoordelijkheid, dit wel eens een gedroomd excuus zou kunnen vormen voor beschuldigde ondernemers om helemaal niets meer te zeggen. Nike zelf, dat tot voor de Kasky-zaak de reputatie had om relatief open te communiceren met allerlei ngo’s, politici en media, stopte alle externe communicatie over de arbeidsomstandigheden bij zijn onderaannemers en over de manier waarop Nike deze probeerde te controleren.Verder werd Nike nog gesteund door allerlei democratische organisaties en media (o.a. de New York Times) die in de gerechtelijke uitspraak een aanval op de vrijheid van meningsuiting (the First Amendment) herkennen en bang zijn dat de kwaliteit van de democratie eronder zal lijden. Newsweek besloot haar commentaarstuk bij de uitspraak van de Supreme Court met de bedenking dat de houding van het Californische gerecht in de praktijk neerkomt op het invoeren van een belasting op het gebruik van de vrijheid van meningsuiting, en, aldus Newsweek, ‘when you tax something, you often get less of it.’1
Bij de medestanders van Nike in deze zaak vindt men ook de grootste Amerikaanse vakbond, de AFL-CIO (American Federation of Labor and Congress of Industrial Organizations). Enigszins vreemd op het eerste gezicht, want het waren precies zij die Nike in het verleden hardnekkig bleven confronteren met de beschuldigingen van sociale misbruiken, en ook nu nog sparen ze zich geen moeite om duidelijk te maken dat ze inhoudelijk de strijd van Marc Kasky blijven steunen. Maar, zegt AFL-CIO nationaal secretaris James B. Coppers, het waren wij die Nike onder druk gezet hebben om in het publiek over het gebruik van dwangarbeid te praten, en we zijn daar met veel moeite in geslaagd, maar de uitspraak van het Californische gerecht geeft hen nu het gedroomde excuus om daarmee op te houden. Hij voegt er nog een tweede argument aan toe: wie zegt dat vakbonden niet de volgende groep zijn die in de rechtbank zullen worden aangeklaagd omwille van hun publieke uitspraken? Ook vakbonden raken door hun standpunten en campagnes immers aan economische belangen.2 Zo ondenkbaar is dat niet: als bedrijven financieel aansprakelijk worden gesteld voor hun uitspraken in maatschappelijke controverses, zullen ze er zeker alles aan doen om hun tegenpartijen, gaande van consumentenverenigingen over vakbonden tot milieugroepen en mensenrechtenorganisaties, mee te trekken in hetzelfde schuitje, zodat claims met tegenclaims kunnen worden beantwoord.

En een al even bont gezelschap van Kasky-aanhangers

Marc Kasky zelf is een 58-jarige inwoner van San Francisco, die geen speciale banden heeft met Nike. Voor zover bekend heeft hij ook geen persoonlijk financieel belang bij de rechtszaak. Hij diende de aanklacht formeel in namens het algemeen belang (‘On behalf of the General Public of the State of Califonia’) en als hij wint zal hij geen enkele vergoeding ontvangen. Zijn enige drijfveer lijkt persoonlijke verontwaardiging te zijn. De medestanders van Kasky zijn vooral te vinden - niet erg verwonderlijk - in kringen van anti-bedrijfsactivisten en consumentenorganisaties. Ze voeren aan dat ondernemingen zich er maar van moeten verzekeren dat wat ze verkondigen ook aantoonbaar juist is, en dat ze anders maar beter zwijgen. In de loop van de controverse werden de medestanders van Nike er door de Kasky-aanhanger dan ook veelvuldig van beschuldigd om het recht op vrije meningsuiting te willen interpreteren als een ‘right to lie’, het recht voor ondernemingen om leugens te gebruiken wanneer ze zich verdedigen tegen publieke beschuldigingen. Tegen het argument dat bedrijven wel eens sterk geremd zouden kunnen worden in hun communicatie over de sociale en ecologische gevolgen van hun activiteiten, waardoor het maatschappelijk debat over deze thema’s zou bevriezen, voeren sommige Kasky-medestanders aan dat dit vermeden zou kunnen worden door ondernemingen wettelijk te verplichten om bepaalde gegevens openbaar te maken. Momenteel zijn er over de hele wereld zeer uitgebreide wetgevingen op het door bedrijven publiceren van allerlei gedetailleerde economische en financiële gegevens. Als een dergelijke wetgeving haalbaar is om de belangen van aandeelhouders te beschermen, waarom zou iets vergelijkbaar dan niet kunnen als het over niet-financiële belangen gaat?

ReclaimDemocracy.org, een Amerikaanse non-profitvereniging die zich opwerpt als verdediger van de democratie, gaat nog een stapje verder en voert momenteel een campagne tegen het algemeen gangbare gebruik om bedrijven min of meer te beschouwen als personen, met vergelijkbare belangen en rechten. Ze verzetten zich principieel tegen het toepassen van het concept van vrije meningsuiting op bedrijven, ervan uitgaande dat alles wat een bedrijf doet of zegt in eerste instantie op financieel succes gericht is en niet op het verkondigen van meningen of het leveren van een bijdrage aan een maatschappelijk debat. ReclaimDemocracy.org gaat zelfs zover om te stellen dat ‘Corporate personhood’ één van de meest kwaadaardige (‘pernicious’) ficties is in de Amerikaanse rechtsgeschiedenis (‘perhaps second only to the law that once enforced slavery’, voegen ze er nog aan toe3). Voor hen is de vraag hoe bedrijven zich kunnen beschermen tegen al dan niet onterechte beschuldigingen niet eens relevant: ‘Corporations, with their vast financial resources and limited liability, are not people and should not be protected by the laws of our Constitution.’ Dit mag enigszins radicaal klinken, maar er is wel wat voor te zeggen om eens een grondig debat te voeren over welke vorm van rechtspersoonlijkheid bedrijven vanuit maatschappelijk standpunt best kunnen hebben, en welke rechten en plichten daar dan aan verbonden moeten zijn.
Tenslotte is er nog de enigszins delicate maar toch niet helemaal onbelangrijke vraag naar de financiering van de hele zaak. Marc Kasky wordt verdedigd door een hele reeks gereputeerde advocaten. De vijf jaar aanslepende rechtszaak moet een fortuin gekost hebben, maar nergens is informatie te vinden over wie die kosten betaalt. Het gerucht gaat dat het de advocatenbureaus zelf zijn die Kasky uit eigen zak steunen. Toe te juichen natuurlijk, ontroerend zelfs, als het niet was dat het gerucht er ook meteen bij zegt dat die advocatenbureaus vooral aangetrokken worden door het vooruitzicht op een toekomstige goudmijn. Als het ooit zover komt dat bedrijven massaal voor de rechter gedaagd worden voor wat ze in het publiek vertellen over hun milieuprestaties of over hun arbeidsomstandigheden, dan zal er daarbij heel wat te rapen vallen voor advocatenbureaus, ongeacht de afloop van de rechtszaken. Deze redenering klinkt pervers, maar in een land als de Verenigde Staten, waar Starbucks (een koffieshopketen) veroordeeld wordt tot schadevergoeding aan een klant omdat die zich bezeerd heeft aan de volgens zowel de klant als de rechtbank te hete koffie, of waar advocatenbureaus eerst op zoek gaan naar mogelijke thema’s voor rechtszaken tegen bedrijven, en pas daarna na potentieel benadeelden, die ze dan groeperen in een door de advocatenbureaus zelf georganiseerde gezamenlijke ‘class action suit’, moet er misschien toch wel rekening mee worden gehouden dat dit soort van belangen een rol kan spelen.

Extra-territorialiteit

De Kasky-zaak speelt zich af in Californië, maar de feiten waarover het gaat hebben op zich niets met Californië te maken. De rechtbank is bevoegd voor de zaak omdat Nike-producten verkocht worden in Californië en omdat ook de communicatie van het bedrijf tot daar doordringt. Met die redenering is niets mis, maar het betekent wel dat de houding die het Californische gerecht inneemt van belang is voor alle globaal opererende bedrijven, want wie wereldwijd verkoopt doet dat waarschijnlijk ook in Californië, en het zou wel heel vreemd zijn als een website van een multinational niet toegankelijk zou zijn voor Californiërs. In theorie zou het dus mogelijk zijn dat een lokale persmededeling van een naar de VS exporterend Belgisch bedrijf (Solvay, Bekaert, Ecover, Delhaize, …) over een sociale kwestie in België, of in Azië, of in Afrika, enz. tot een rechtszaak leidt in Californië, op basis van de Amerikaanse commerciële wetgeving. Nu zijn we wel voorstander van extra-territorialiteit als het gaat over het bestraffen van misdaden tegen de menselijkheid, maar of dat ook betekent dat een Amerikaanse rechtbank kan bepalen hoe een Belgisch bedrijf al dan niet mag communiceren over zijn maatschappelijke verantwoordelijkheid, weet ik toch zo nog niet.

Goed of slecht

De zaak Kasky is ondertussen afgelopen, maar een echte uitspraak is er niet (zie kaderstukje). De controverse verdwijnt daarmee even naar de achtergrond, maar is daarom nog lang niet van de baan. Het belang van dit soort rechtszaken valt niet te onderschatten. Eens te meer wordt aangetoond dat een systeem van nationale wetgevingen en rechtspraken niet rimpelloos samengaat met een geglobaliseerde economie (en de daarmee samenhangende, al evenzeer in toenemende mate geglobaliseerde tegenbewegingen). Het zou voor de hand liggen - en vooral gemakkelijk zijn - om het standpunt in te nemen dat de Indonesische bevolking (of Chinese of Birmaanse of Amerikaanse enz.) van haar overheid dringend een goede arbeidsbescherming moet afdwingen, en dat de Indonesische werknemers (of Chinese enz.) zich dringend moeten verenigen in sterke vakbonden die niet met zich laten sollen, niet door onderaannemers van Nike en ook niet door andere bedrijven. Maar zo simpel ligt het natuurlijk niet. Een globale wereld vereist globale verantwoordelijkheden, met globale democratie, globale wetten en globale rechtspraak. Dat is - om vele redenen - een moeilijk en gevoelig debat, maar als we er niet in slagen om de globalisering van de wereld gecontroleerd te laten verlopen, dan zal ze ongecontroleerd (blijven) verlopen. Concreet betekent dit in het licht van de Kasky-zaak dat het Amerikaanse model waarbij maatschappelijke conflicten eerder in de rechtbank dan op straat of aan de onderhandelingstafel worden uitgevochten, wel eens naar Europa zou kunnen worden geëxporteerd zonder dat we daar voor kiezen en zonder dat we daar iets tegen kunnen doen.
Dit gezegd zijnde weet ik zelf nog altijd niet goed welk standpunt ik moet innemen in Kasky vs. Nike. Misschien voel ik me nog het meest verwant met de uitspraak van Jonathan Rauch: ‘Corporate lying is bad, but allowing it is good.’

|

*De ontknoping *

Op 12 september 2003 deelden beide partijen in een gezamenlijke mededeling aan het publiek mee dat ze het onderling op een akkoordje gegooid hadden en de rechtszaak stopzetten. De minnelijke schikking omvatte onder meer een engagement van Nike om 1,5 miljoen dollar te besteden aan het monitoren en verbeteren van arbeidsomstandigheden. Het geld wordt besteed via een Amerikaanse ngo, de Fair Labor Association (FLA). Het proces is daarmee van de baan zonder dat er een uitspraak ten gronde gebeurd is, maar het debat leeft voort. Volgens Jim Carter, Vice-President van Nike, hebben heel wat bedrijven en organisaties hun plannen voor publicatie van milieu- en duurzaamheidsverslagen opgeschort vanwege de rechtszaak.4
De tegenstanders van Nike waren verrast door de minnelijke schikking en reageerden verward. ReclaimDemocracy.org toonde zich aanvankelijk verheugd over de regeling, maar kwam daar even later op terug. Bij nader inzien vonden ze 1,5 miljoen dollar wel erg weinig voor een bedrijf met een jaaromzet van 10 miljard. Ze hebben ook bedenkingen bij de bestemmeling van de gift, de FLA, die moeilijk als echt onafhankelijk kan worden beschouwd aangezien Nike er vertegenwoordigd is in de Raad van Bestuur. Maar het ergste vinden ze nog dat er geen uitspraak ten gronde gekomen is. Dat ze het daar niet zullen bij laten blijkt uit het einde van statement over de ontknoping: ‘Within weeks, you’ll be hearing more from us about a related case involving a lawsuit by the Monsanto Corporation. The struggle goes on’.5 We zijn benieuwd.

|

Dirk Van Braeckel
Redactielid en onderzoekscoördinator bij Ethibel/Stock at Stake.

Noten
1/ Samuelson, Robert J., ‘The Tax on Free Speech’, in: Newsweek, 14 juli 2003.
2/ Rauch Jonathan, ‘Corporate Lying is Bad. But allowing it is good’. In: National Journal, 10 juli 2003, geciteerd op www.theatlantic.com/politics/nj/rauch2003-06-10.htm (geraadpleegd 31 juli 2003) (http://www.highbeam.com/doc/1P3-349344621.html)
3/ FAQs on Kasky versus Nike Inc, ReclaimDemocracy.org website, http://www.reclaimdemecracy.org/nike/nike\_faqs.html (geraadpleegd 30 juli 2003)
4/ press release, Nike, Inc. and Kasky Announce Settlement of Kasky v. Nike First Amendment Case, Nikebiz.com, 12 september 2003
5/ Kasky v. Nike Inc. Settled - Participants Pleased, Many Activists Inflamed, http://www.reclaimdemocracy.org/nike/nike\_settles\_lawsuit.html (geraadpleegd 17 oktober 2003)

economie - arbeid - sociale bescherming - onderaanneming - Nike

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 9 (november), pagina 50 tot 54