Abonneer Log in

Ondernemers op zoek naar overheid

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 9 (november), pagina 1 tot 2

De ondernemers staan aan de klaagmuur. Het begon zowat in het voorjaar met een oproep van enkele industriëlen om de ondernemingen en de industrie meer zuurstof te geven. Sindsdien volgde er een niet aflatende stroom van voorstellen vanuit ondernemershoek om ondernemers opnieuw te laten ondernemen, minder lasten te doen betalen, minder papieren formaliteiten om te starten of om uit te breiden, meer flexibiliteit in de arbeidsorganisatie en dies meer. De organisatie van een heuse ondernemingsconferentie was er het gevolg van.

Laat ons wel wezen, ze hebben niet volledig ongelijk. Het kan administratief stukken eenvoudiger. Al te vaak wordt dezelfde informatie meermaals opgevraagd vanuit verschillende overheidsdiensten. Heel wat regelgeving kan een stuk slanker. Dat arbeid te zwaar belast wordt is een waarheid als een koe. En al belooft de overheid beterschap, dan heeft dit niet onmiddellijk gevolgen op het terrein. Meer zelfs, het blijft al te vaak bij plannen. Politics By Announcement heet dit tegenwoordig.
Maar achter dit ogenschijnlijk objectieve verhaal schuilt een ideologisch vertoog. Dit blijkt zonneklaar uit de voorstellen die de werkgeversorganisaties formuleerden in het licht van de lopende ondernemingsconferentie. Zo beweerden toplui van de werkgeversorganisaties dat ondernemingen niet ten dienste moeten staan van de overheid maar net omgekeerd. Op de keper beschouwd betekent een dergelijke bewering dat niet het algemeen belang maar wel het ondernemersbelang de maatstaf moet zijn voor goed overheidsbeleid. In diezelfde context stelden ze voor om diensten die tot op vandaag tot de social profit behoren, zoals kinderopvang, voortaan ook ‘vrij te maken’ voor het commerciële initiatief. Voor wie het nog niet had gemerkt: de druk om vergaand te liberaliseren komt heus niet alleen van boven af, vanuit Europa of de wereldhandelsorganisatie.

Speerpunt in de voorstellen van de patroonsorganisaties is een verdere verlaging van de lasten op ondernemen. Niet alleen op federaal niveau maar ook op regionaal en lokaal niveau. De hele onroerende voorheffing op machines en gebouwen, gemeentelijk aandeel incluis, moet eraan geloven, maar ook een stuk van de milieuheffingen (wat men niet langer in mindering kan brengen van de vennootschapsbelasting) en alle niet-resultaatafhankelijke belastingen zoals gemeentelijke belastingen op drijfkracht. En wij die dachten dat vooral de lasten op arbeid omlaag moesten. Straks willen de bedrijven geen belastingen meer betalen. Misschien is dat hun versie van het gratisverhaal.
Waarover niet spontaan wordt gesproken is de maatschappelijke verantwoordelijkheid van de bedrijven. Kennelijk zijn ethisch, duurzaam en maatschappelijk ondernemen vooral voor tijden van overvloed en hoogconjunctuur en smelten ze als sneeuw voor de zon als de economie slabakt.

Met het organiseren van een ondernemingsconferentie en het voorzien van een bijhorend budget voor sociaaleconomische impulsen, gaf de Vlaamse regering te kennen dat ze constructief wil ingaan op dit debat. Het liet ook toe dat na de socialistische ministers van werk nu de liberale excellenties van economie in de kijker komen, maar dit geheel terzijde. Een debat over het wenselijke industrieel en economisch beleid, aanvullend op de federale werkgelegenheidsconferentie, is uiteraard nodig. Want de hefbomen voor een beleid gericht op een versterking van onderzoek en innovatie, mobiliteit en infrastructuur, onderwijs en opleiding liggen nu eenmaal op het regionaal niveau. En het is precies op die terreinen dat we het verschil moeten maken zodat we onze positie binnen de internationale arbeidsdeling kunnen versterken. Maar de organisatie van een ondernemingsconferentie, die eerst nog ondernemerschapsconferentie zou heten, geeft de ondernemers uiteraard een strategisch voordeel. Want de ondernemingen verschijnen hier als lijdend voorwerp. De kleine, machteloze ondernemers die het leven en vooral het ondernemen moeilijk worden gemaakt door die bureaucratische en parasiterende overheid.
Zoals ik daarnet aangaf heeft dit vertoog niet alleen een hoog Calimerogehalte, maar is het vooral liberaal van inslag. Als progressieve beweging moeten we daar een ander, alternatief verhaal tegenover plaatsen. En merkwaardig genoeg geven de werkgeversorganisaties zelf de richting aan. Want met hun bede om het ondernemerschap en de ondernemingen ter hulp te snellen, erkennen ze ootmoedig dat de overheid en sturing door die overheid o zo nodig zijn. Want ondernemingen blijken niet bij machte het meest elementaire van hun missie, met name ondernemen, alleen uit te voeren. En ze zijn niet bij machte om op eigen kracht een duurzaam economisch draagvlak te creëren. Want onze bedrijven doen het niet goed op het vlak van investeringen in opleiding en investeringen in onderzoek en ontwikkeling, broodnodige ingrediënten van een toekomstgerichte strategie. En ze zijn zeker niet bij machte om spontaan hun maatschappelijke verantwoordelijkheid op te nemen zonder de dreiging van de Kyoto-normen, de verplichte quota inzake tewerkstelling van werknemers afkomstig uit niet-EU landen, en andere overheidsregels.

Wij wisten het al, maar we horen het graag ook eens van een ander: de overheid is nodig. Niet alleen als ‘nachtwaker’ of als leverancier van diensten van algemeen belang, maar ook als een van de actoren die actief tussenkomen in de economie. En dit het liefst in overleg met sociale partners die bereid zijn hun maatschappelijke verantwoordelijkheid op te nemen.

Jean-Marie De Baene
Directeur Studiedienst Vlaams ABVV

edito - arbeid - overheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 9 (november), pagina 1 tot 2