Abonneer Log in

De conjuncturele evolutie in het licht van globalisatie en oorlog

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 10 (december), pagina 40 tot 52

Veel instellingen volgen de conjuncturele evolutie op de voet maar weinig economisten wagen zich aan een duidelijke voorspelling voor de economische evolutie in het volgende decennium. Het ontbreekt nochtans niet aan studies en theorieën over de verbanden tussen de diverse factoren die het conjunctureel verloop bepalen.

De oude conjunctuurtheorieën

Reeds tijdens de tweede helft van de 19de eeuw publiceerden o.a. de Britse economist John Stuart Mill en de Fransman Clément Juglar boeken waarin de opeenvolging van periodes van hoog- en laagconjunctuur werd beschreven. De meeste van deze auteurs beschouwden de golfbewegingen als een gevolg van de expansie van de muntomloop tijdens de hoogconjunctuur en de restrictieve muntpolitiek van de banken in de daaropvolgende periode van laagconjunctuur. Dat er enig verband bestond tussen het aanbod aan geld en de conjunctuur leidden ze af uit het feit dat de periodes van hoogconjunctuur (1850-1873 en 1895-1914) werden voorafgegaan door een toename van de productie van edel metaal door de ontdekking van nieuwe goudaders en (of) de verbetering van de technieken om zilver te winnen uit gemengde zilver-, zink- en loodertsen. Als de centrale banken over meer edel metaal beschikten konden ze immers meer biljetten uitgeven en kredieten verstrekken aan de privébanken. Men kon evenwel betwijfelen of geldschepping de hoofdoorzaak was van de hoogconjunctuur. Immers de banken verlenen veel kredieten en scheppen geldmiddelen als er een grote vraag is naar kapitaal, m.a.w. als de hoogconjunctuur reeds is aangevangen en ze dringen aan op terugbetaling van de verleende kredieten als veel bedrijven door de daling van hun afzetmogelijkheden dreigen in moeilijkheden te geraken.

Karl Marx begreep dat de hoogconjunctuur verband hield met een stijging van de winstvoeten van de bedrijven en de laagconjunctuur met een daling van het rendement op de belegde kapitalen, maar in zijn hoofdwerk Das Kapital (1867-1885-1894) slaagde hij er niet in een volledige conjunctuurtheorie uit te werken (K.Kautsky, 1911, p.797). Zijn stelling dat door de toename van het vastliggend kapitaal tijdens de fasen van hoogconjunctuur de winsten over een grotere hoeveelheid kapitaal moeten worden verdeeld en dat het rendement daardoor daalt, was niet overtuigend. Met een grotere hoeveelheid kapitaal kan immers met minder arbeidsuren dezelfde productie gerealiseerd worden en dus zal de winst per eenheid product toenemen. De volgelingen van Marx slaagden er al evenmin in de oorzaken van het crisisverschijnsel volledig te verklaren, maar ze toonden aan dat door de conjunctuurgolven de structuren van het kapitalistisch systeem werden gewijzigd. De Oostenrijker Rudolf Hilferding beweerde in zijn boek Das Finanzkapital (1910) dat tijdens de periodes van depressie veel bedrijven worden opgekocht door de banken. Deze werken dan de monopolievorming in de hand door de bedrijven ertoe aan te zetten kartelovereenkomsten af te sluiten of fusies aan te gaan (R. Hilferding, 1927, pp 287-295). De Poolse Rosa Luxemburg hield in haar boek Die Akkumulation des Kapitals (1913) voor dat door de lage lonen, de producenten van verbruiksgoederen in de industrieel ontwikkelde landen geen voldoende afzet vinden voor hun producten en die uitvoeren naar ontwikkelingslanden. Deze landen verwerven de nodige betalingsmiddelen door de uitvoer van plantaardige en minerale grondstoffen. Op die manier verspreidt het kapitalistisch systeem zich als een olievlek over de aarde (R. Luxemburg, 2, 1913, pp.338-427). De Rus Michael von Tugan Baranowsky wees er in zijn boek Studiën zur Theorie und Geschichte der Handelskrisen in England (in het Russisch 1894, in het Duits 1901) op, dat tijdens de fasen van hoogconjunctuur de productie van uitrustingsgoederen veel sterker toeneemt dan die van verbruiksgoederen. De crisis zou het gevolg zijn van een uitputting van het leenkapitaal dat de banken kunnen verstrekken, waardoor veel investeringsprojecten onafgewerkt blijven en de bedrijven grote verliezen lijden (M. von Tugan Baranowsky, 1901, pp.233-251).

Ook liberale economisten werden ervan overtuigd dat de conjunctuurschommelingen niet hoofdzakelijk werden veroorzaakt door een deficiënte kredietpolitiek van de banken, maar dat overmatige investeringen tijdens de hoogconjunctuur een belangrijke rol spelen. Deze stelling werd vooral verdedigd door de Oostenrijker Jozef Schumpeter en de Duitser Arthur Spiethoff.
Jozef Schumpeter (1883-1950) beweerde in zijn boek Theorie der wirtschaftlichen Entwicklung (1912) dat de hoogconjunctuur het gevolg is van stoutmoedige beslissingen van ondernemers, die nieuwe technieken gebruiken om nieuwe producten te maken en traditionele productiemethodes te verbeteren. Hun ‘innovaties’ verbreken het economisch evenwicht, want om de nodige grondstoffen en machines aan te kopen en de arbeidslonen te betalen, moeten ze beroep doen op krediet van de banken (J. Schumpeter, 1912, pp.155-192). Dit leidt tot geldschepping en tot een vraag naar goederen die het aanbod overtreft. De prijzen van de meeste minerale en agrarische grondstoffen stijgen, gezien hun productie niet even snel kan uitgebreid worden als die van de industriële producten. De grotere werkgelegenheid bevordert de stijging van de lonen en de intrestvoet neemt toe door de grotere vraag naar bankkrediet. Volgens Schumpter is de daaruit voortspruitende algemene prijsstijging de voornaamste oorzaak van het omslaan van de hoogconjunctuur in een depressie. De traditionele nijverheden kunnen zich moeilijk aanpassen aan de nieuwe situatie, omdat de vraag van de consumenten zich nu meer richt naar de nieuwe producten en ze bijgevolg hun verkoopprijzen niet kunnen verhogen zonder verlies aan omzet. Veel van die bedrijven verdwijnen, hetgeen leidt tot toenemende werkloosheid en daling van de vraag naar verbruiksgoederen, m.a.w. tot een depressie (Ibidem, pp. 427-437). De duur van de hoogconjunctuur hangt volgens Schumpeter af van de weerslag der innovaties op de andere sectoren. Uitvindingen als de elektriciteit en de ontploffingsmotor, die aanleiding gaven tot een hele reeks van nieuwe producten, leidden tot langere periodes van hoogconjunctuur dan de minder belangrijke innovaties, omdat de depressie in de regel slechts intreedt als de ondernemers hun plannen tot het voortbrengen van nieuwe producten en de verbetering van de productiemethodes grotendeels hebben uitgewerkt (Ibidem, p. 491).

Aan een fase van stabilisatie, waarbij productiemiddelen en arbeidskrachten geleidelijk worden overgedragen van traditionele nijverheden naar nieuwe, valt evenwel niet te ontsnappen en deze stabilisatie wordt in de regel verwezenlijkt door een depressie (Ibidem, p. 489). Deze leidt tot een daling van de prijzen van de grondstoffen, van de lonen en de renten, m.a.w. van de productiekosten en zorgt ervoor dat een nieuw evenwicht tot stand komt. De depressie is volgens Schumpeter de prijs die de maatschappij moet betalen voor het behoud van de dynamische kapitalistische economie.

Spiethoff bracht in het artikel Krisen, dat hij in 1925 publiceerde in het Handwörterbuch der Staatswissenschaften, een degelijke analyse van de verbanden tussen de diverse aspecten van het crisisverschijnsel. Zoals von Tugan Baranowsky en Schumpeter beschouwt hij overmatige investeringen als de hoofdoorzaak van de crisis. In zijn artikel geeft hij een overzicht van de conjuncturele evolutie van 1822 tot 1913. Hij onderscheidt twee periodes van overwegende laagconjunctuur (nl.van 1822 tot 1842 en van 1874 tot 1894) en twee periodes van overwegende hoogconjunctuur (nl. van 1843 tot 1873 en van 1895 tot 1913) (A Spiethoff, 1953, p. 146). Tijdens de fasen van hoogconjunctuur zou het aantal jaren van snelle economische vooruitgang (boom), het aantal jaren van depressie overtreffen. Tijdens de fasen van laagconjunctuur zou een omgekeerde evolutie zich voordoen. De omslag van boom naar depressie zou telkens optreden als door de overmatige investeringen een schaarste aan leenkapitaal is ingetreden. De stelling van Spiethoff dat het conjunctureel verloop lange cycli vertoont van ongeveer 20 à 25 jaar van dalende prijzen, gevolgd door even lange periodes van stijgende prijzen, werd door de Russiche auteur Nikolai D. Kondratieff in 1926 bevestigd aan de hand van een reeks statistieken betreffende groothandelsprijzen, lonen en productie van steenkool, ijzer en lood in Frankrijk, Engeland en de Verenigde Staten (N.D. Kondratieff,1944, pp.20-42).

Andere auteurs onderscheidden cycli met een kortere duur, maar belangrijk was dat ze allen geloofden dat op een depressie een herstel moest volgen. De meeste volgelingen van Marx daarentegen meenden dat naarmate het kapitalistisch systeem zich over de aarde verspreidde, de crisissen erger zouden worden en zoveel werkloosheid en armoede verwekken dat revoluties zouden uitbreken met als gevolg een ineenstorting van de kapitalistische economische ordening.

De grote crisis van 1929-1934 en haar weerslag op de ontwikkeling van een nieuwe conjunctuurtheorie

Deze grote crisis was het resultaat van een samenloop van een hele reeks ongunstige factoren: een overproductie in de Amerikaanse landbouw, overmatige investeringen in bepaalde nieuwe sectoren (b.v. de autonijverheid), speculatieve aankopen van aandelen waardoor de beurskoersen overmatig waren gestegen en een reactie onvermijdelijk werd, financiële twisten onder de voornaamste industriële staten ingevolge de aan Duitsland opgelegde overmatige herstelbetalingen, enz. De crisis startte op 24 oktober 1929 met een beurscrash in New York (‘Zwarte donderdag’). Ze verspreidde zich over alle andere beurzen in de Verenigde Staten, Europa en het Verre Oosten. In meerdere landen leidde de beurscrisis tot het faillissement van banken die een te groot deel van hun deposito’s in aandelen hadden belegd en (of) leningen hadden verstrekt, gedekt door effecten die zo goed als waardeloos waren geworden. In veel landen ontstond een run on the banks en moest een bankmoratorium worden afgekondigd (K.E. Born, 1967, p.108 en J.Åkerman, 1957, p.517).
De bedrijven konden bij de banken geen gelden meer opnemen om hun personeel te betalen, met massale afdankingen en een sterke toename van de werkloosheid tot gevolg. Aanvankelijk dachten vele economisten dat de crisis, zoals deze van 1920-1921, vlug zou overwonnen worden. De Amerikaan Iring Fisher (1867-1947) publiceerde in februari 1930 een artikel waarin hij een economisch herstel voorspelde en aanraadde gebruik te maken van de lagere beurskoersen om aandelen te kopen. Hij verloor een groot deel van zijn fortuin (I.N. Fischer, 1956, p.245-247). De Brit John Maynard Keynes (1883-1946), hoewel overtuigd liberaal, zag in dat een automatisch herstel zou uitblijven en overheidstussenkomst noodzakelijk was. In maart 1933 publiceerde hij vier artikelen in The Times onder de titel ‘The Means to Prosperity.’ Hij stelde dat regeringen tijdens een depressie hun budget in evenwicht moesten houden door een budgettair deficit te aanvaarden en niet door een verhoging van de belastingen. Indien de overheid meer uitgeeft dan ze ontvangt schept ze een aanvullende vraag naar goederen en dit leidt tot werkverschaffing. Meer arbeiders vinden werk en hun bestedingen verwekken een stijging van de vraag, m.a.w. de supplementaire overheidsuitgaven hebben een ‘multiplicatoreffect’. Als de overheid £ 100 besteedt ontstaat uiteindelijk een aangroei van het nationaal inkomen met £ 200 (J.M. Keynes, 1972, pp.341-343). Hij wees er ook op dat tijdens een depressie de verschillende agenten hun liquiditeitspreferentie, d.w.z. hun voorkeur voor beschikbare middelen boven termijnbeleggingen, verhogen omdat ze minder vertrouwen hebben in de waardevastheid van die beleggingen. De daling van de rentevoeten door de geringere rentabiliteit van het kapitaal tijdens een depressie wordt door deze hogere liquiditeitspreferentie afgeremd. Hogere rentevoeten leiden tot geringere privé-investeringen, m.a.w. verergeren de crisis. Om dit tegen te gaan bepleitte Keynes een cheap money policy. De centrale bank zal aan de privébanken goedkoop krediet verlenen zodat ook zij lagere rentevoeten kunnen toepassen (Ibidem, pp. 353-359). Keynes publiceerde bovendien verschillende boeken over theoretische economie waarvan het voornaamste, The General Theory of Employment, Interest and Money (1936), een omwenteling teweegbracht in het economisch denken. De liberale economisten waren tot dan toe steeds uitgegaan van de veronderstelling dat alle economische agenten volledig rationeel handelen. Keynes toonde aan dat dit onmogelijk is omdat niemand de toekomst kan voorzien. Wat b.v. beslist of personen of ondernemingen nieuwe investeringen zullen aangaan hangt vooral af van the state of confidence. Deze wordt hoofdzakelijk bepaald door de ervaringen in een recent verleden en de huidige situatie, waarvan men veronderstelt dat ze zich zal voortzetten (J.M. Keynes, 1954, pp.147-150). Bovendien beïnvloeden de diverse economische agenten elkaar omdat ze denken dat de anderen het wellicht beter weten. Dit leidt ertoe dat de meeste agenten niet rationeel maar ‘conventioneel’ handelen, d.w.z. ze handelen zoals de andere agenten in gelijkaardige omstandigheden (Ibidem pp.151-158). Dit verklaart waarom overmatig optimisme tijdens een periode van hoogconjunctuur kan omslaan in onverantwoord pessimisme indien een reeks ongunstige berichten het vertrouwen in de toekomst ondermijnen. Volgens Keynes zijn de conjunctuurschommelingen dus in grote mate het gevolg van een psychologisch proces, veeleer dan van zuivere materiële evoluties.

Keynes had een groot aantal volgelingen in de VS en in Groot-Brittannië en na de Tweede Wereldoorlog, ook op het Europese continent. Die hebben hoofdzakelijk zijn theorieën over de verhoudingen tussen het nationaal inkomen, de investeringen, de besparingen, de in- en uitvoer e.a. zgn. ‘macro-economische grootheden’ bestudeerd en weinig rekening gehouden met de psychologische aspecten van zijn werk. De linkse regeringen die na de Tweede Wereldoorlog in Groot-Brittannië, Frankrijk, de Benelux en in de Scandinavische landen de lakens uitdeelden maakten dankbaar gebruik van Keynes’ stellingen over het bekampen van crisisverschijnselen. Telkens een vertraging in de economische groei intrad gingen ze over tot het opdrijven van de overheidsuitgaven door b.v. investeringen in basisstructuren en het toekennen van sociale voordelen aan de minder bedeelden. Dit laatste werd verantwoord door het grote ‘multiplicatoreffect’ van dergelijke subsidies op het nationaal inkomen. De armen geven de gelden die ze ontvangen bijna volledig uit en geven dat zo door aan andere economische agenten.

Keynes had bepleit dat de overheid haar budgettaire tekorten zou financieren door het uitgeven van leningen, die dan tijdens de periodes van hoogconjunctuur geleidelijk konden afgelost worden uit de hogere opbrengsten van de belastingen. Een stijging van het nationaal inkomen veroorzaakt evenwel een behoefte tot grotere overheidsuitgaven. Naarmate meer personen zich een wagen aanschaften moest de overheid meer geld besteden aan de bouw van nieuwe wegen en autostrades. De gezinnen, die over meer inkomen beschikten lieten hun kinderen langer studeren en de overheid moest meer middelen voorzien voor de bouw van scholen en universiteiten en het vergoeden van leerkrachten. De politici waren geneigd de terugbetaling van de schulden uit te stellen om aan de vraag naar meer overheidsbestedingen van hun kiezers te voldoen. In vele door linkse regeringen bestuurde landen (o.m. in België) nam hierdoor op lange termijn de overheidsschuld overmatig toe. Daarenboven had de Keynesiaanse politiek als gevolg dat de prijzen bijna doorlopend stegen, gezien de vraag in vele sectoren op een hoger peil werd gehouden dan het aanbod. Zelfs tijdens de korte recessies bleven de prijzen stijgen. In de Verenigde Staten had sedert de recessie van 1948-1949 geen prijsdaling meer plaats (V. Zarnowitz, 1984, p.9). De permanente inflatie, die in de jaren zeventig in de meeste landen meer dan 10% per jaar bedroeg, bood de regeringen het voordeel dat de last van de overheidsschuld erdoor werd verlicht. De gezinnen van de middenstand, die monetaire reserves aanlegden voor hun oude dag, stelden evenwel vast dat de opgebrachte interesten het verlies op hun kapitaal door de inflatie niet meer compenseerden. Daarenboven werd de druk van de belastingen zwaarder, want de regeringen pasten de belastingschalen niet aan aan de gestegen prijzen. Gezinnen met een constant reëel inkomen moesten meer belasting betalen omdat ze in een hogere belastingschaal terechtkwamen door de stijging van hun nominaal inkomen. Dit leidde uiteindelijk in de jaren zestig en zeventig tot een felle oppositie tegen het Keynesiaans model in verschillende landen (o.m. in de Verenigde Staten en Groot-Brittannië). Twee anti-Keynesiaanse bewegingen traden op de voorgrond, namelijk ‘het monetarisme’ en ‘de aanbodseconomie’.
De monetaristen onder leiding van de Amerikaanse economist Milton Friedman hielden voor dat de recessies hoofdzakelijk het gevolg waren van een foutief overheidsbeleid. Door het aanvaarden van budgettaire deficits, gefinancierd met muntschepping, zorgen de regeringen voor inflatie. Om die af te remmen zijn ze verplicht de geldschepping aan banden te leggen en dit leidt tot het faillissement van de ondernemingen die gewoon waren hun stijgende kosten regelmatig in hun prijzen te verrekenen. Friedman bepleitte een stabiele aangroei van de muntvoorraad, die aangepast zou zijn aan de normale groeiratio van het bruto nationaal product (M. Friedman, 1962, pp.37-53). Friedman vond in de Verenigde Staten een groot aantal volgelingen, waaronder vooral Robert Lucas en Robert Barro naam verwierven met hun theorie van de rational expectations. Volgens deze theorie leiden hogere staatsuitgaven in de regel niet tot meer vraag naar goederen. De economische agenten voorzien immers dat ze later meer belastingen zullen moeten betalen om de leningen af te lossen die de overheid heeft aangegaan. Alleen indien de economische agenten de prijsverhogingen niet voorzien die voortvloeien uit de hogere overheidsbestedingen, zou een Keynesiaans beleid leiden tot een sterkere groei (R.J. Barro, 1981, pp.25-26).
President Richard Nixon wenste in 1969 de inflatie in de Verenigde Staten af te remmen door het Federal Reserve Committee (FRC) te bewegen een restrictief monetair beleid te voeren. De werkloosheid steeg evenwel in 1970 en Nixon besloot het restrictief fiscaal en monetair beleid stop te zetten om zijn herverkiezing tot president in 1972 niet in gevaar te brengen (S.Bowles, R.M. Gordon en T.E. Weisskopf, 1983, pp.104-105). Zijn opvolgers Gerald Ford en Jimmy Carter voerden eveneens een weifelend beleid. Onder Carter nam de inflatie in sterke mate toe en de president zag zich verplicht onder druk van de internationale banken M. Volcker tot voorzitter van het Federal Reserve Committee te benoemen. Deze zette in de winter van 1979 een streng restrictief monetair beleid in dat leidde tot een terugval van de economische activiteit. In november 1980 werd de republikein Ronald Reagan verkozen tot president. Die behield Volcker als voorzitter van het FRC maar combineerde het restrictief monetair beleid met een sterk expansieve fiscale politiek. Dit overeenkomstig de theorie van de aanbodseconomie (supply side economics) (M. Evans, 1982, pp.152-155). De basisgedachten van deze theorie werden ontwikkeld door de Amerikanen William H. Hutt en Arthur B. Laffer. Hutt hield voor dat het foutief was de crisis te willen bestrijden zoals Keynes, met maatregelen om de consumptie aan te zwengelen. Men moet integendeel de producenten zoveel mogelijk aanmoedigen met lage belastingen en de subsidies aan personen die geen arbeid verrichten beperkt houden (W.H. Hutt, 1979, pp.12-13). Laffer ontwierp de befaamde Laffer-curve, waarbij hij stelde dat indien de belastingen een bepaald peil overtreffen de belastingsopbrengst daalt omdat de producenten ontmoedigd worden en hun inkomen vermindert (J. Wanniski, 1978, pp.97-99 en 288). In 1981 kreeg Reagan een verlaging van de personenbelasting goedgekeurd in het Congres en de Senaat. Het ging om een verlaging van 10% en een vermindering van de maximale belasting op inkomen uit investeringen van 70 tot 50% (T.J. Hailstones,1982, p.139). Dit leidde tot een sterke stijging van het overheidsdeficit, want in tegenstelling met wat Laffer had voorspeld, kwam er geen sterke stijging van de investeringen. Volgens Michael K.Evans was dit toe te schrijven aan de heersende recessie bij het begin van de jaren tachtig. De ondernemers zien het nut niet in van aanvullende investeringen als de markt niet bereid is hun grotere productie op te nemen (M.K. Evans,1983, pp.72-74).

Reagan was in 1983 verplicht de belastingsdruk opnieuw wat te verhogen om de aangroei van de Amerikaanse overheidsschuld af te remmen. Zijn opvolger George Bush had vóór zijn verkiezing tot president in 1988 beloofd de belastingsdruk te verlagen maar hij kon dit niet realiseren door de grote uitgaven van de Golfoorlog en werd in 1992 niet opnieuw verkozen. Dit betekende de begrafenis van de aanbodseconomie als middel om een hoogconjunctuur op gang te brengen. Tijdens haar langdurige regeringsperiode van 1979 tot 1990 paste Margareth Thatcher het monetarisme consequent toe in combinatie met een beleid gericht op beperking van de overheidsuitgaven en van de belastingsdruk. Ze kon dankzij de overheidsinkomsten uit de petroleumwinning in de Noordzee en de privatisering van overheidsbedrijven de belastingen in sterke mate verminderen en zo buitenlandse bedrijven ertoe aanzetten filialen in Groot-Brittannië te openen. Het ging evenwel om een uitzonderlijke situatie, die geen bewijs leverde van de deugdelijkheid van een restrictief monetair beleid gekoppeld aan een lage belastingsdruk als middel om de economische activiteit op peil te houden.
In Frankrijk werd de socialist François Mitterrand president in mei 1981 en stelde een regering aan van socialisten en communisten. Deze wou de levensstandaard van de Franse arbeidersbevolking verbeteren en de werkloosheid verminderen. Hiertoe werd een Keynesiaans beleid gevoerd. Er werd een begrotingsdeficit aanvaard dat geleidelijk steeg van 1,1% in 1981 tot 3,44% in 1984. Door de stijging van de gezinsconsumptie werd de economische groei in Frankrijk hoger dan in de andere lidstaten van de EEG. Deze politiek bleek evenwel niet houdbaar. De grotere gezinsconsumptie leidde tot een snelle groei van de import, terwijl de export stagneerde als gevolg van de geringere economische groei in de andere lidstaten. Om de afvloei van deviezen van de centrale bank te vertragen was de regering verplicht de Franse frank herhaaldelijk de devalueren (R. Casier, 1988, pp.2-6). In maart 1983 werd het Keynesiaans beleid stopgezet en overgeschakeld op une politique de rigueur. Een restrictief monetair beleid moest de overmatige invoer afremmen en op die manier de stabiliteit van de Franse frank verzekeren. Het was duidelijk geworden dat een Keynesiaans beleid niet meer mogelijk was indien ook de buurlanden niet bereid waren door een gelijkaardig beleid hun economische groei aan te wakkeren. De stelselmatige uitbreiding van de internationale handelsverrichtingen maakte de toepassing van zo’n politiek in één enkel land onmogelijk (H.J.Sherman, 1991, p.329).

De weerslag van de globalisering op de conjuncturele evolutie

De globalisatie in de economie is een combinatie van twee nauw met elkaar verbonden evoluties:
. De afbouw van de protectionistische apparatuur van douanerechten en contingenten. Deze evolutie naar toenemende vrijhandel in vooral industriële producten - in de landbouwsector blijft het protectionisme grotendeels behouden - werd vooral bereikt door overeenkomsten afgesloten in het kader van de grote GATT-handelsconferenties (General Agreement on Tariffs and Trade) en na de oprichting op 15 april 1994 van de Wereldhandelsorganisatie (World Trade Organization WTO). Kenmerkend voor de werking van de WTO is dat wederzijdse toegevingen eens ze door de betrokken parlementen zijn geratificeerd, afdwingbaar worden. De betrokken landen kunnen ze dus niet opnieuw intrekken. Indien ze toch op hun toegeving wensen terug te komen moeten ze andere reducties van douanerechten en (of) opheffing van contingenteringen voorstellen om de door de geplande intrekking benadeelde lidstaten te vergoeden (M. Smeets, 1999, p. 21). De evolutie naar meer vrijhandel kan dus moeilijk afgeremd worden.

. De afbouw van de talrijke beperkingen voor buitenlanders op het verwerven van eigendomsrecht op gronden, gebouwen en fabrieken, die in alle gewezen communistische landen en sommige andere ontwikkelingslanden bestonden en omvangrijke directe buitenlandse investeringen in de industriële structuur beletten. De ineenstorting van de communistische regimes in de jaren 1989-1990 heeft in sterke mate tot dit proces bijgedragen. Tegenwoordig worden in bijna alle landen buitenlandse directe investeringen zoveel mogelijk aangemoedigd. Ondernemers kregen de mogelijkheid om hun producties te verplaatsen naar lageloonlanden en de geproduceerde goederen naar koopkrachtige markten uit te voeren.

Door dit globaliseringsproces kan men nu in de wereld drie soorten landen onderscheiden:
. de landen die deel uitmaken van de kern van de kapitalistische wereldeconomie (de zgn. core countries). Het zijn de landen waar innovaties tot nieuwe producten en verbeterde productiemethodes leiden en die dus kunnen onderhevig zijn aan een Kondratieff-cyclus.
. de nieuwe industrielanden: deze trekken buitenlandse investeerders aan door hun lagere lonen en sociale lasten en hun permissiever beleid inzake bescherming van het milieu. Het kapitaal en de productietechnieken die ze aanwenden zijn in de regel ontleend aan de core countries.

. de landen van de periferie: het zijn de traditionele ontwikkelingslanden, waar het grootste deel van de bevolking zijn bestaansmiddelen vindt in de landbouw, veeteelt, jacht en visvangst en die bijna uitsluitend landbouwproducten en minerale grondstoffen exporteren (L.Scandella, 2003, p. 4).
De meeste recessies in zo’n wereldorde vinden hun oorsprong in de core countries. De innovaties die aanleiding gaven tot massale investeringen in nieuwe apparatuur, leiden in de regel na enkele jaren tot een overproductie. Deze wordt veroorzaakt door een verminderde vraag naar de betrokken producten. Op de daling van hun afzetmogelijkheden reageren bedrijven met een verlaging van hun verkoopprijzen. In een geglobaliseerde wereldeconomie kunnen ze dit bereiken door de productie te verplaatsen naar lageloonlanden. Het betreft een cumulatief proces. Om concurrentieel te blijven, moeten alle firma’s die op de markt opereren, ook tot dergelijke delocalisaties overgaan (FT 6-7 okt., 2001, p.8). Dit leidt tot werkloosheid in de core countries. Hiertegen brengen liberale economisten in dat de lagere prijzen voor de nieuwe producten toelaten meer geld te besteden aan andere behoeften en dat de vraag naar andere producten zal toenemen. Bovendien, menen ze, gaan ondernemers beleggen in producten die zich nog in de fase van introductie of snelle groeifase bevinden door het lager rendement van de investeringen in producten die in hun levenscyclus de verzadiging hebben bereikt. De terugval van de binnenlandse investeringen zal hierdoor gering blijven. De oprichting van bedrijven in de nieuwe industrielanden leidt tot een grotere uitvoer van uitrustingsgoederen naar die landen. Veel meer dan een tijdelijke groeivertraging en toename van de werkloosheid zal de overproductie van bepaalde nieuwe goederen dus niet teweegbrengen, m.a.w. van een overgang van een fase van hoogconjunctuur naar een depressie zal normaal geen sprake zijn.

In de jaren tachtig werd inderdaad een sterke economische groei vastgesteld in de nieuwe industrielanden van Zuidoost-Azië, Korea en Taiwan. De zgn. aanhangers van de ‘nieuwe economie’ meenden dus dat globalisatie niet alleen voordelig was voor de industrieel ontwikkelde landen maar ook voor de nieuwe industrielanden. Maar de directe investeringen in die nieuwe industrielanden bleven in de regel beperkt in omvang. De buitenlandse kapitalisten wensten geen al grote bedragen te beleggen omdat ze geen vertrouwen hadden in de politieke en financiële stabiliteit van die landen. Het jaar 1994 was een recordjaar voor de directe investeringen in de nieuwe industrielanden: 60 miljard dollar. Maar vergeleken met de 3.500 miljard dollar aan investeringen in de industrieel ontwikkelde landen ging het dus om een gering bedrag (IMF Survey, 23 jan.1995, p.25). Blijkbaar worden vooral goedkope tweedehandsmachines naar die landen uitgevoerd, waar de zeer lage lonen het nadeel van de geringere productiviteit als het ware neutraliseren. De sterke groei in de nieuwe industrielanden van Zuidoost-Azië (de zgn. ‘Tijgerlanden’) had trouwens slechts een tijdelijk karakter. Veel bedrijfjes werden er opgericht met behulp van bankkrediet, gedekt door leningen in Amerikaanse dollar van buitenlandse financiële instellingen. Door een minder gunstige conjunctuur in de core landen in 1997 konden deze bedrijven minder uitvoeren en waren niet in staat de leningen af te lossen. De banken geraakten in moeilijkheden en zetten een speculatie in tegen de munten van die nieuwe industrielanden. Deze moesten hun munten devalueren, waardoor de dollarschulden omgerekend in nationale munt toenamen en de financiële situatie van de banken slechter werd.

In de core landen was de evolutie ook niet zo gunstig als de aanhangers van de ‘nieuwe economie’ voorhielden. De introductie van een vergaand systeem van vrijhandel leidde voor sommige producten tot een overmatige mededinging (cut-throat competition). In de luchtvaartsector b.v. daalden de tarieven in dergelijke mate dat veel maatschappijen hun boeken moesten sluiten en de afdankingen in die sector sterk aangroeiden. Ook in de staalnijverheid heerste een bijna doorlopende recessie. De VS gingen over tot een belangrijke verhoging van de importrechten op staal om hun eigen industrie van de ondergang te redden. Dat zorgde natuurlijk voor Europees protest bij de WTO. De hoop dat elke vertraging in de investeringen zou belet worden door nieuwe innovaties ging ook niet in vervulling. Nu de productie van computers duidelijk over haar hoogtepunt heen is en ook de markt voor telecommunicatiematerieel (o.m. GSM-toestellen) haar verzadigingspunt heeft bereikt, wordt gerekend op innovaties in de sector van de biotechnologie. Het wantrouwen van veel verbruikers voor biotechnische methodes om voedingsmiddelen te produceren, belet evenwel dat de bedrijven uit die sector snel winstgevend worden. Een nieuwe opgaande fase in de Kondratieff-cyclus is nog niet in zicht. Het globaliseringsproces heeft de kenmerken van de conjuncturele evolutie grondig gewijzigd en de technologische vooruitgang ongetwijfeld in sterke mate in de hand gewerkt, maar een permanente hoogconjunctuur heeft ze noch in de traditionele noch in de nieuwe industrielanden teweeggebracht.

Oorlog, een middel tegen laagconjunctuur?

Volgens de theorie van de Kondratieff-cyclus zou een periode van snelle economische groei ongeveer 20 à 25 jaar duren en gevolgd worden door een ongeveer evenlange periode van economische achteruitgang. Na de Tweede Wereldoorlog vertoonde het conjunctuurverloop geen duidelijke cycli meer (J. Schotte en C. Swevers, 1975, p.211). Er werd nog weinig aandacht besteed aan de theorie van de Kondratieff-cyclus (J. Reynders, 1990, p.44). Dat het conjunctuurverloop zo onduidelijk werd was toe te schrijven aan allerhande storende factoren, waaronder vooral de oorlogen in Azië en de daarmee verbonden schommelingen van de petroleumprijzen. Het uitbreken van de Korea-oorlog in juni 1950 leidde tot een massa speculatieve aankopen van grondstoffen en voedingsproducten, waardoor de verzwakking van de conjunctuur in 1949 geen aanleiding gaf tot een langdurige recessie. Deze werd verschoven naar 1953 toen een wapenstilstand tot stand kwam. Veel speculanten, die grote hoeveelheden grondstoffen en voedingsmiddelen hadden aangekocht, werden geconfronteerd met felle prijsdalingen. De terugval was van korte duur want reeds in 1955 kwam vooral in de VS een herstel onder invloed van een sterke expansie van de auto-industrie (R. Beutels, E. Deweirdt, G. Dupriez en R. Reynders, 1975, pp. 337-338). Dit kon beschouwd worden als het beginpunt van een opgaande fase van de Kondratieff-cyclus, die dan pas in 1973, door de sterke stijging van de petroleumprijzen een einde nam. Ook in Frankrijk en Duitsland waren de jaren zestig een periode van bijna doorlopende hoogconjunctuur. Dit was echter niet hoofdzakelijk het gevolg van de expansie van de auto-industrie maar van de oorlog in Vietnam. De grote oorlogsuitgaven van de VS gaven aanleiding tot veel aankopen in West-Europa, waardoor een einde kwam aan het dollartekort van de meeste Europese landen. Deze konden hun aankopen van grondstoffen en geperfectioneerde uitrustingsgoederen in de VS opdrijven en waren zo in staat hun technologische achterstand in te halen. Met het einde van de Amerikaanse interventie in de Vietnamoorlog in 1973 en de felle stijging van de petroleumprijzen door de oprichting van de OPEC kwam er een einde aan de periode van hoogconjunctuur. De recessie sleepte aan tot het midden van de jaren 1980. Toen kwam onder invloed van een daling van de petroleumprijzen en de sterke vooruitgang in de sector van de informatica een periode van hoogconjunctuur op gang. Van 1981 tot 1994 steeg het bruto nationaal product (bnp) in de VS in reële prijzen gemiddeld met 2,9% per jaar en van 1994 tot 2000 met 4% per jaar. In de EU waren de groeicijfers iets lager, respectievelijk 2,4% en 2,5% Een dergelijke groei hield een uitzonderlijke verbetering in van de levenstandaard van het grootste deel van de bevolking (W. Röger, 2002, p.20). De conjunctuuromslag in de herfst van 2000 vloeide voort uit een samenloop van ongunstige omstandigheden. Er was de reactie op de overmatige stijging van de beurskoersen, de daling van het vertrouwen in de toekomstige evolutie van de welvaart door de vrees voor een toenemend terrorisme en de toename van de werkloosheid veroorzaakt door de informatisering van vele industriële bedrijven. In de VS werd de beurscrisis in 2002 nog erger na de bekendmaking van de misleidende rapporten van professionele analisten over de financiële situatie van de tien grootste investeringsfirma’s van Wall Street (F.T., 29 april 2003, p.1). De index van de beurskoersen ging van het hoogtepunt in 2000 tot het laagtepunt op het einde van 2002 met 40,6% achteruit. In het Eurogebied was de beurscrisis nog erger en daalde de globale index met 52,5%. In de VS leidden de verliezen op de beurs in 2002 niet tot een daling van de gezinsconsumptie. De reële lonen per werknemer stegen met 0,9% en de belastingen werden fors verlaagd. Daarenboven zorgde de daling van de hypotheekrente voor een sterke toename van de investeringen in woningbouw. Hierdoor kende de Amerikaanse economie in de loop van 2002 een licht herstel. Het bruto binnenlands product (bbp) dat in 2001 slechts was toegenomen met 0,3% steeg in 2002 met 2,3% (Verslag 2002 van de NBB, Deel I, pp.5-10). De oorlog in Irak heeft de Amerikaanse regering ertoe gedwongen de overheidsuitgaven in 2003 in sterke mate te verhogen. Meteen voerde de regering van George W. Bush een reeks belastingsverminderingen door, zodat voor het jaar 2003 een deficit op de federale begroting wordt voorzien van ongeveer 500 miljard dollar of 6% van het bbp (FT, 1 okt. 2003, p.13). Dit sterk expansief fiscaal beleid gekoppeld aan een laag rentevoet heeft in de VS een conjunctureel herstel op gang gebracht.

In het derde kwartaal van 2003 steeg het bbp berekend op jaarbasis met 6,1%. In oktober trad opnieuw een vertraging in maar er wordt voorzien dat het bbp zal toenemen met 3,8% in 2003 en dat wijst op een conjunctureel herstel (WSJ, 21 okt. 2002, p.A2). Normaal leidt dit tot een gelijkaardige evolutie in West-Europa, omdat de export van Europese producten naar de VS erdoor wordt aangewakkerd. Tot nog toe is van zo’n herstel nog weinig te merken. Door de stijging van de waarde van de euro ten opzichte van de dollar, zijn de prijzen van de Europese producten duurder geworden. Daarenboven zijn de Europese producenten op de Amerikaanse markten blootgesteld aan de concurrentie van de goedkope Aziatische producten (vooral uit China en Japan). Deze blijven ondanks de waardevermindering van de dollar relatief goedkoop. Die landen houden de wisselkoersen van hun munten ten opzichte van de dollar laag door stelselmatig dollars aan te kopen, telkens hun betalingsoverschot met de VS dreigt te leiden tot de stijging van de wisselkoers van hun munt.

Het is ook niet zeker dat de hoogconjunctuur in de VS zich in 2004 zal voortzetten. De meeste multinationale maatschappijen delocaliseren sommige van hun bedrijven naar lageloonlanden. Ford b.v. zal een grote assemblagefabriek openen in Hermosillo in Mexico, waar de lonen veel lager zijn dan in de VS. De geleidelijke stijging van de welvaart ter plaatse zal grote afzetmogelijkheden scheppen voor de autofabrikanten (EP, 8 okt. 2003, p.61). Deze delocalisaties verklaren waarom ondanks de stijging van het bnp de werkloosheid in de VS vrij hoog blijft. Dat zorgt uiteraard voor een tragere groei van de consumptie. Het is bovendien niet zeker dat Bush het expansief fiscaal beleid lange tijd kan volhouden. De grote aankoop van Amerikaanse schatkistcertificaten door de Chinese en Japanse centrale banken en door vele Latijns-Amerikaanse burgers, die geen vertrouwen hebben in de stabiliteit van hun nationale munten, maakt dat de huidige stijging van de Amerikaanse overheidsuitgaven voor een groot deel wordt gefinancierd door het buitenland. Indien de wisselkoers van de euro ten opzichte van de dollar verder stijgt, zullen beleggingen in euro veel voordeliger worden dan die in dollar en zal de toevloed van vreemd kapitaal naar Amerika opdrogen. Een bijna catastrofale daling van de wisselkoers van de dollar is dan niet onmogelijk en zou de prijzen van alle in te voeren producten en vooral van de petroleumprijzen de hoogte injagen. Dit zou leiden tot een stijging van de inflatie en de financiële overheden dwingen de rentevoeten te verhogen. En dat remt de investeringen en dus ook de hoogconjunctuur af. Om zo’n evolutie uit de weg te gaan moet president Bush het overheidsdeficit naar omlaag krijgen, hetzij door een vermindering van de overheidsuitgaven hetzij door een stijging van de belastingen. Maar gezien er in november 2004 verkiezingen worden gehouden zal hij waarschijnlijk geen belastingsverhoging doorvoeren. Daarmee kan men voorzien dat de hoogconjunctuur in de VS tot de herfst van 2004 zal aanhouden. Indien de wisselkoers van de dollar niet overmatig daalt, kan ondertussen het huidig conjunctureel herstel in de VS helpen om een gelijkaardige evolutie in Europa op gang te brengen.

Conclusie

Het is een bedroevende vaststelling dat oorlog in de kapitalistische wereldeconomie in veel gevallen als hét middel lijkt te worden aangewend om een aanslepende depressie te beëindigen. Het is niet uitgesloten dat adviseurs van president George W. Bush hem hebben gewezen op de voordelige weerslag van een oorlog tegen Irak op de conjunctuur. Met zo’n oorlog worden niet alleen hogere overheidsuitgaven aanvaard door congres en senaat maar wordt ook de nadelige stijging van de petroleumprijzen afgeremd. Door de verovering van Irak krijgen de Amerikaanse oliemaatschappijen toegang tot rijke petroleumbronnen. Om de heropbouw van Irak te financieren moeten grote hoeveelheden olie worden uitgevoerd en dit leidt uiteraard tot een daling van de petroleumprijzen, m.a.w. de macht van de OPEC wordt ondermijnd. Dit verklaart waarom de Amerikaanse regering niet happig is om de controle over het bewind in Irak binnen korte tijd over te dragen aan een regering, waarop ze geen druk kan uitoefenen om de petroleumproductie op een hoog peil te houden. Al blijft het de vraag of het mogelijk zal zijn om gedurende lange tijd grote hoeveelheden Iraakse olie op de wereldmarkten aan te bieden, ondanks de regelmatige aanslagen op de Amerikaanse troepen en nu en dan ook op de oliepijpleidingen.
Een felle daling van de petroleumprijs zou uiteraard ook in West-Europa een conjunctureel herstel bevorderen. Dit zal wellicht ook in de hand worden gewerkt door de toetreding op 1 mei 2004 van 10 nieuwe lidstaten tot de EU. Deze landen zullen een groot deel van de EU-subsidies gebruiken om uitrustingsgoederen te kopen nodig voor de verbetering van hun infrastructuur en de modernisering van hun industrie. Een van de grote investeringen voorzien door de EU voor de periode tot 2020 is de aanleg van een spoorweg voor een hogesnelheidstrein van Talinn in Estland over Riga, Kaunus naar Warchau en dan verder met vertakkingen naar Praag, Bratislava, Boedapest en Ljubljana (LE, 2 okt. 2003, p.4). Duitsland dat gespecialiseerd is in de productie van uitrustingsgoederen en vooral zwaar materieel voor bouwwerken, zal uit de uitvoering van die plannen veel voordeel halen. Nu reeds is een lichte verbetering ingetreden in de Duitse conjuncturele evolutie. Tegen deze optimistische visie wordt ingebracht dat de aansluiting van de Oost-Europese staten de delocalisatie van West-Europese bedrijven naar die landen waar de lonen lager zijn, zal in de hand werken. Volgens Luc Vansteenkiste, voorzitter van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) zal door deze delocalisaties de Belgische economie de komende vijf tot tien jaar slechts een groei kennen van minder dan 1% (FET, 30 sept. 2003, p.3). Het Planbureau is minder pessimistisch en voorziet voor de periode 2003-2008 een gemiddelde groei van 2,2% per jaar en de OESO meent dat tijdens de periode van 2005 tot 2008 een groei van 2,7% kan gerealiseerd worden (Idem). Het Duitse Institut für Weltwirtschaft van Kiel voorzag in september van dit jaar een nulgroei voor Duitsland in 2003 en een toename van het bbp in 2004 met 1,8%. Het verwacht dus een matig conjunctureel herstel. Zo’n evolutie zou voordelig zijn voor ons land, want een stijging van de productie en van de inkomens bij onze grote buur leidt tot heel wat bestellingen bij Belgische bedrijven. Voor België voorzag het voormeld instituut een stijging van het bbp in 2003 met 1,0% en met 1,8% in 2004. De werkloosheid zou zowel in Duitsland als in België niet dalen (FAZ,16 okt. 2003, pp.15-16). Blijkbaar zouden de delocalisaties en de toename van de productiviteit door informatisering van industriële en administratieve operaties verder leiden tot afdankingen in veel grote ondernemingen. De daling van de werkgelegenheid in die bedrijven kan slechts gedeeltelijk gecompenseerd worden door de aangroei van de activiteiten in de dienstverlenende sectoren. In de meeste Europese landen trachten de regeringen de afbouw van de industriële tewerkstelling tegen te gaan door verlaging van de belastingsdruk en van de sociale lasten. In hoeverre die maatregelen een daling van de werkloosheid zullen bewerkstelligen is moeilijk te voorzien. De huidige onzekerheid over het behoud van hun job zet veel werknemers ertoe aan hun consumptie te beperken en dat is een factor die een conjuncturele herleving afzwakt.

Uit dit alles blijkt dat veel uiteenlopende omstandigheden en gebeurtenissen de toekomstige conjuncturele evolutie zullen beïnvloeden. Het is daarom moeilijk deze met zekerheid te voorspellen. Waarschijnlijk brengt het jaar 2004 een zwak herstel dat onder invloed van een stijging van de beurskoersen en de daaruit voortvloeiende investeringen kan leiden tot een nieuwe hoogconjunctuur. Het is echter mogelijk dat een dollarcrisis in 2005 de uitvoer van Europese producten naar Amerika in dergelijke mate afremt dat in plaats van een hoogconjunctuur in Europa een stagnatie optreedt met geringe toename van het bbp en een hoge werkloosheid. Veel zal afhangen van de bereidheid van de Aziatische, Latijns-Amerikaanse en Europese overheden en spaarders om verder beleggingen te doen in de VS, ondanks het gevaar van een dollarcrisis.

Gaston Vandewalle
Professor emeritus Universiteit Gent

Bibliografie
- J. Åkerman, Structures et cycles économiques, Parijs 1957.
- R.J. Barro, Money, Expectations and Business Cycles, Essays in Macroeconomics, Rochester, NY, 1981.
- R. Beutels, E. Deweirdt, G. Dupriez en R. Reynders, ‘Ervaringen met het Conjunctuurbeleid in het Buitenland 1957-1974’, Conjunctuurtheorie en Conjunctuurpolitiek, Twaalfde Vlaams Wetenschappelijk Congres, Rijksuniversiteit Gent, 1975.
- K.E. Born, Die Deutsche Bankrise 1931, München,1967.
- S. Bowles, D.M. Gordon en T.E. Weisskopf, Beyond the Waste Land, a Democratic Alternative tot Economic Decline, NY, 1983.
- R. Casier, De economische Politiek in Frankrijk sedert het Begin van de Jaren Tachtig, Verhandeling Faculteit Economische Wetenschappen, juni 1988.
- M.R. Evans, ‘La nouvelle politique budgetaire’, Economie prospective, 1 ste trimester 1982. / The Truth about Supply-side Economics, NY, 1983.
- I.N. Fisher, My Father Irving Fisher, NY, 1956.
- M. Friedman, Capitalism and Freedom, Chicago, Londen, 1962.
- T.J. Haelstones, A Guide to Supply-side Economics, Richmond,1982.
- R. Hilferding, Das Finanzkapital, Marx Studien, Wenen 1927.
- W.H. Hutt, The Keynesian Episode, Indianapolis, 1979.
- IMF Survey, ‘Assessing European and US Employment’ Trends, 23 jan. 1995.
- K. Kautsky, Finanzkapital und Krisen(II)’, Die neue Zeit, 10 maart 1911.
- J.M. Keynes, Essays in Persuasion, The Collected Writings of John Maynard Keynes, Deel IX, Londen en Basingstoke, 1972.
- J.M. Keynes, The General Theory of Employment, Interest and Money, Londen, 1954.
- N.D. Kondratieff, ‘The Long Waves in Economic Life’, overgedrukt in Readings in Business Cycle Theory, Philadelphia, Toronto, 1944.
- R. Luxemburg, Die Akkumulation des Kapitals, Ein Beitrag zur ökonomischen Erklärung des Imperialismus, Berlijn, 1913.
- J. Reynders, Long Waves in Economic Development, Aldershot (GB),1990.
- L. Scandella, ‘De Beurs en de Kondratieff-cyclus’, Financiële Berichten van de BBL, maart 2003.
- J. Schumpeter, Die Theorie der wirtschaflichen Entwicklung, Leipzig, 1912.
- J. Schotte en C. Swevers, ‘Studie van het Conjunctuurverloop in België’, Twaalfde Vlaams Wetenschappelijk Economisch Congres,Conjunctuurtheorie en Conjunctuur-politiek,Gent, 1975.
- J. Sherman, The Business Cycle, Growth and Crisis under Capitalism, Princeton (NJ), 1991.
- M.Smeets, ‘Globalisation of International Trade and Investment’, in Globalisation and the Nation State, J. Buelens (Ed.), Cheltenham( GB) Northampton (VS) 1999.
- Spiethoff, Krisen, ‘Handwörterbuch der Staatswissenschaften’, 1925 vertaald en overgedrukt in International Economic Papers 1953 nr.3.
- M.J. von Tugan Baranowsky, Studien zur Theorie und Geschichte der Handelskrisen in _England, Jena,1901.
- J Wanniski, _The Way the World works
, NY, 1978.
- W. Zarnowitz, Recent Work in Business Cycles in Historical Perspective, Cambridge (Mass) 1984.

Gebruikte afkortingen
EP: El País
FAZ : Frankfurter Allgemeine Zeitung
FT: Financial Times
LE: L’Echo
WJS: The Wall Street Journal - Europe.

economie - globalisering

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 10 (december), pagina 40 tot 52