Abonneer Log in

Economische malaise en stijgende werkloosheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 10 (december), pagina 29 tot 39

Onze economie presteert slecht en het aantal werklozen neemt schrikbarende proporties aan. De vooruitzichten zien er allerminst hoopgevend uit. Prognoses van de Nationale Bank voorspellen torenhoge werkloosheidscijfers tot 2008. Kunnen we deze economische wetmatigheden doorbreken door structureel in te grijpen op onze arbeidsmarkt? En belangrijker: voorzien het regeerakkoord en de besluiten van de werkgelegenheidsconferentie zo’n structurele maatregelen tot actief optreden?

Sombere economische vooruitzichten

Het gaat niet goed met onze economie. Tal van bedrijven moeten de deuren sluiten, werknemers worden massaal afgedankt, bedrijven delocaliseren naar lageloonlanden... Voor het derde jaar op rij hebben de internationale organisaties hun economische vooruitzichten voor de Europese Unie naar beneden moeten herzien. Zo zal 2003 het derde jaar op rij worden dat afgesloten wordt met een groei onder de 1%. In 2004 zouden we volgens het Federaal Planbureau naar 2,3% groei gaan. Deze prognose dateert van mei 2003 en is zeer optimistisch. Omdat de belastingshervorming in 2005 en 2006 op kruissnelheid komt, zal deze groei dan iets versterkt worden tot respectievelijk 2,8 en 2,6%. Ook de herneming van de overheidsinvesteringen naar aanleiding van de gemeenteraadsverkiezingen zal stimulerend werken. Tegen 2007-2008 zullen deze positieve factoren echter uitgewerkt zijn en vallen de investeringen terug met een verzwakte economische groei van 2,1% tot gevolg.

De binnenlandse werkgelegenheid zou volgens het Planbureau met gemiddeld 0,6%, of met zo’n 26.500 jobs per jaar toenemen in de periode 2003-2008. Dat maakt dat de werkzaamheidsgraad zou evolueren naar slechts 62,7% in 2008. Dat is nog een heel eind van de Europese doelstelling van 70% werkzaamheidsgraad in 2010.
Daarnaast ziet het planbureau hoge werkloosheid tot 2008. In 2008 zouden er nog 645.000 niet-werkende werkzoekenden zijn, tegen 683.000 in 2003. Wanneer de niet-werkzoekende oudere werklozen niet meegerekend worden, is de evolutie evenmin gunstig: in 2008 zullen er dan nog 399.000 mensen werkzoekend zijn. De werkloosheidsgraad zal slechts zeer lichtjes dalen van 14% in 2004 naar 12,9% in 2008 (t.o.v. 13,3% in 2002). De conclusie lijkt eenvoudig: het zal de komende maanden en zelfs jaren negatieve werkgelegenheidsstatistieken blijven regenen. De wereldeconomie laat het afweten, ergo onze economie, met stijgende werkloosheidscijfers tot gevolg. Er is niets aan te doen. Moeten we ons zomaar neerleggen bij deze economische wetmatigheden of kunnen we alsnog een écht actief werkgelegenheidsbeleid voeren? Hoe staat onze arbeidsmarkt er trouwens voor? Doen we het alleen maar slecht omdat de economie niet meewil?

Leren van de Scandinavische landen

Interessant wordt het wanneer we de werkgelegenheidsstatistieken van landen die wel goed presteren nader analyseren. Van de Scandinavische landen kunnen we bijvoorbeeld nog een pak leren (zie tabel 1).

Tabel 1: Werkzaamheidsgraad naar leeftijd, geslacht en onderwijsniveau (Vlaams Gewest, België, Zweden, Denemarken, Finland en EU-15; 2001)

Bron: Van Gils, 2003: p. 50

In welke mate zijn bepaalde doelgroepen ongelijk aanwezig op de arbeidsmarkt in Vlaanderen, België en de Scandinavische landen? Onderzoekers van het Steunpunt Werkgelegenheid, Arbeid en Vorming (Van Gils, 2003) analyseren aan de hand van een aantal kloven de situatie van bepaalde doelgroepen. De seksekloof zet de werkzaamheidsgraad van mannen af tegen die van de vrouwen. De generatiekloof die van ouderen tegenover die van jongeren. De onderwijskloof tenslotte, zet laaggeschoolden af tegen hooggeschoolden (zie tabel 2). Een waarde groter dan één duidt op een ongelijke verdeling van betaalde arbeid ten nadele van de respectievelijke doelgroep (vrouwen,ouderen en laaggeschoolden).

Tabel 2: Ongelijkheid op de arbeidsmarkt bij de bevolking tussen 25 en 64 jaar (Vlaams Gewest, België, Zweden, Denemarken en Finland; 2001)

Bron: Van Gils, 2003: p. 51

De seksekloof

De seksekloof in Vlaanderen (1,34) en België (1,36) evenaart het gemiddelde Europese niveau (1,35). In Denemarken (1,13) maar vooral in Finland (1,07) en in Zweden (1,06) ligt deze indicator een pak lager. Dit betekent dat het verschil tussen het aantal werkende mannen en het aantal werkende vrouwen in de Scandinavische landen zeer klein is. Een verklaring ligt uiteraard in het feit dat men in België te lang is blijven vasthouden aan het traditionele kostwinnersmodel (uitwerkende man en thuisblijvende moeder). In Zweden wordt deelnemen aan de arbeidsmarkt voor vrouwen reeds jaren als vanzelfsprekend beschouwd. Zowel mannen als vrouwen hebben een evenwaardige rol in het huishouden en op de arbeidsmarkt te vervullen.
Maar dat niet alleen. De Scandinavische landen voerden vanaf de jaren 1970 namelijk een sterk doorgedreven beleid (Abraham e.a., 2001). Zo zorgt de volledige individualisering van het belastingsysteem ervoor dat belastingen geheven worden op het niveau van het individu en niet op dat van het gezin. Vrouwen worden er op die manier toe gestimuleerd om als tweede verdiener actief te zijn op de arbeidsmarkt. De Scandinavische landen worden tevens gekenmerkt door een verregaande subsidiëring van de dienstverlenende sector. In de plaats van huishoudelijke taken kwamen er op grote schaal sociale voorzieningen. Zo krijgt de combinatie gezin-arbeid veel aandacht door onder andere een uitgebreid, kwalitatief hoogstaand en toegankelijk systeem van kinderopvang.
Inzake aanbod van diensten ligt er in België nog een enorm potentieel verscholen. Dé grote uitdaging stelt zich bij de uitbouw van de nieuwe dienstenwerkgelegenheid, in het bijzonder de diensten aan personen en gezinnen: kinderopvang, poetsdiensten, strijkdiensten, thuishulp, enzovoorts. Het gaat om diensten die de kwaliteit van het leven verbeteren. Deze voorzieningen om arbeid en zorg te combineren dienen flexibel te zijn en rekening te houden met diverse behoeften tijdens de levensloop.
In België is deze nieuwe dienstenwerkgelegenheid nog sterk onderontwikkeld. Een spijtige achterstand, te meer omdat vooral laaggeschoolden hun weg naar deze sociaal nuttige jobs kunnen vinden. De dienstenwerkgelegenheid moet vooral gestuurd worden vanuit lokale overheden. De lokale werkwinkels moeten daarin een unieke rol spelen. Inzake de uitbreiding van kinderopvangplaatsen werd gedurende deze Vlaamse legislatuur reeds een forse vooruitgang geboekt. We moeten echter nog verder durven gaan en op termijn pleiten voor gratis kinderopvang. We moeten kinderopvang van 0 tot 3 jaar als een volwaardig onderdeel van de opvoeding zien. Om deze volwaardige rol te benadrukken, structureel in te bedden en algemeen toegankelijk te maken, is het aanbevolen de opvang onder te brengen bij het onderwijsaanbod.

In het verleden werd dikwijls gesteld dat dit onbetaalbaar zou zijn. Niets is echter minder waar: kleuteronderwijs, dat in essentie dezelfde finaliteit heeft, wordt al vele jaren gratis aangeboden. Onderzoekers van het Centrum voor Bevolkings- en Gezinsstudie (Van Dongen en Omey, 2001: p. 240) becijferden dat over een periode van tien jaar men het aanbod kan laten toenemen tot het voldoet aan de behoeften van alle kinderen. Daarbij moet men de persoonlijke bijdrage systematisch laten dalen zodat kinderopvang na tien jaar volledig gratis wordt. Voor Vlaanderen zouden de netto-uitgaven na tien jaar ongeveer 17 miljard BEF bedragen. Bovendien gaat deze ontwikkeling gepaard met een toename van 20.000 à 25.000 voltijdse banen. Tevens dient ook de buitenschoolse opvang voldoende te worden uitgebouwd en financieel laagdrempelig te zijn.
In de Scandinavische landen zijn er bovendien genereuze regelingen inzake ouderschapsverlof, zwangerschapsverlof e.d. voor zowel mannen als vrouwen uitgebouwd. Het HR-adviesbureau Mercer Human Resource Consulting (2003) stelde onlangs een vergelijkende analyse op omtrent het zwangerschapsverlof in de landen van de Europese Unie. Men ging daarvoor uit van een werkneemster met een jaarsalaris van 25.000 euro die voor het eerst zwanger is en minstens een jaar in dienst is (zie tabel 3).

Tabel 3: Aantal weken zwangerschapsverlof en bedrag van de uitkering in de landen van de Europese Unie

Bron: Mercer Human Resource Consulting, 2003

Opmerkelijkste vaststelling: wie in Zweden zwanger wordt, heeft recht op maar liefst 96 weken - bijna twee jaar - zwangerschapsverlof. Van de EU-lidstaten is het alleen in Duitsland slechter gesteld dan in België. Daar mogen (aanstaande) moeders veertien weken met zwangerschapsverlof. In ons land heeft een vrouw recht op vijftien weken: één week verlof voor de vermoedelijke bevallingsdatum en acht weken na de geboorte. De overige zes weken zijn vrij te kiezen. De betaling tijdens het zwangerschapsverlof is in ons land lager dan in de meeste andere EU-landen. Alleen vrouwen in Ierland, het Verenigd Koninkrijk, Luxemburg en Griekenland zijn slechter af. Koplopers zijn Denemarken, Italië en Zweden. Kortom: een uitbreiding van ons zwangerschapsverlof is meer dan wenselijk.
Ook het ouderschapsverlof, het tijdskrediet en de vierdagenweek zijn aan een forse uitbreiding toe, mét hoge uitkeringen zodat iedereen in staat is dergelijke loopbaankredieten op te nemen.1 Dit ligt geheel in de lijn van de aanbeveling die de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (HRW) in zijn evaluatierapport 2003 doet: dergelijke stelsels moeten, aldus de HRW (2003: p. 21), voor iedereen toegankelijk zijn. ‘Dit geldt zowel voor vrouwen en mannen in het algemeen, maar ook voor diegenen met lage inkomens.’
Het is duidelijk: de overheid heeft nog een zeer actieve rol te spelen op het vlak van het realiseren van een beter combinatiebeleid tussen arbeid en gezin én het actief houden van vrouwen op de arbeidsmarkt.
We mogen uit dit alles echter niet te snel concluderen dat de werkzaamheidsgraad van vrouwen in Vlaanderen de laatste jaren stabiel gebleven is. Gedurende de voorbije 50 jaar is deze namelijk zeer omvangrijk toegenomen en is de kloof met de mannelijke bevolking zienderogen geslonken. Zo blijkt onder meer dat jonge volwassenen (25- tot 34 jaar) die nog geen kinderen hebben, zeer sterk op de arbeidsmarkt aanwezig zijn en dat het verschil tussen mannen en vrouwen in deze bevolkingsgroep zeer beperkt blijft. Al heeft de aanwezigheid van kinderen als vanouds een temperend effect op de aanwezigheid van vrouwen op de arbeidsmarkt, de werkzaamheid van jonge Vlaamse vrouwen met één of twee kinderen blijkt zich op een betrekkelijk hoog peil te handhaven. Het hebben van één of twee kinderen heeft nog slechts voor een klein deel van de Vlaamse vrouwen van de jongere generatie invloed op het hebben van een job. Het aandeel niet werkende jonge moeders is in Vlaanderen dan ook beperkter dan in onze buurlanden (17% versus 35%; Geurts, 2002). De levenslopen van mannen en vrouwen convergeren de laatste jaren dus steeds meer in die zin dat we kunnen spreken van een ‘genderstandaardisering’ van de levensloop (Elchardus en Cohen, 2003: p. 20).

De generatiekloof

Omwille van ons kwalitatief hoogstaand onderwijs en verhoudingsgewijs hoge aantal studenten, weegt de lage werkzaamheidsgraad van de groep 15- tot 24-jarigen sterk in ons nadeel door (zie tabel 1). In Vlaanderen verricht slechts 35% van de jongeren betaalde arbeid, in Zweden en Finland loopt dit op tot zo’n 46% en in Denemarken werkt bijna 62% van de jongeren. Werken en studeren wordt in België zelden gecombineerd. Het zou echter té economisch deterministisch zijn dit als negatieve factor te beschouwen. In de middengroep van 25 tot 49 jaar is het al werken wat de klok slaat en evenaart Vlaanderen (84%) de hoge werkzaamheidsgraden van Denemarken (85,2%) en Zweden (84,7%). We overstijgen zelfs het niveau van Finland (82,2%). België haalt een werkzaamheidsgraad van 79,0% in de middengroep.
Wat de tewerkstelling van ouderen betreft, bengelt België (en zelfs Vlaanderen) aan het Europese staartje. De cijfers in tabel 1 spreken boekdelen. Eenmaal 50 jaar worden onze werknemers massaal uit de arbeidsmarkt gestoten. Zaak zal zijn af te raken van dit arbeidsbestel waarbij je op relatief korte periode super hard hoort te werken en eens de 50 gepasseerd definitief afgeschreven wordt. De levensloopbaan moet daarom het streefdoel worden. Ook de HRW (2003: p. 31) beveelt de sociale partners aan de levensloopbenadering meer kansen te bieden. Zo kan men zelf autonoom beslissen wanneer men wenst te werken, de beroepsactiviteit te onderbreken of stop te zetten zonder daarvoor gestraft te worden, wat de onderbrekingsreden ook mag zijn (het opvoeden van jonge kinderen, het verzorgen van afhankelijke personen, een sabbatical leave, e.a.). ‘Een dergelijke soepele loopbaanplanning, die meer uitstapmogelijkheden voorziet, moet ertoe aanzetten tot op latere leeftijd actief te blijven.’ De huidige inrichting van de levensloop is duidelijk onevenwichtig aldus de onderzoekgroep TOR van de Vrije Universiteit Brussel (Elchardus en Cohen, 2003: p. 14). Zij spreken over een ‘samengedrukte loopbaan’.
Specifiek voor ouderen veronderstelt zo’n levensloopbaan een ‘leeftijdsbewust arbeidsbeleid’. Een verhoging (of eventueel afschaffen) van de pensioen- of brugpensioenleeftijd mag in de huidige economische conjunctuur geen optie zijn. Het zou er enkel maar voor zorgen dat mensen die niet meer kunnen werken in minder gunstige stelsels terechtkomen. We moeten daarom positieve prikkels voorzien om oudere werknemers langer actief te houden. Zo moeten we investeren in aangepaste jobs: ouderen kunnen bijvoorbeeld perfect instaan voor de begeleiding van nieuwkomers (peterschap of consultancy). Op deze manier kunnen ze hun ervaring en kennis overdragen op jongeren. Na je 55ste nog zware fysieke arbeid verrichten, is in elk geval geen optie. Daarom moeten we grondig investeren in de kwaliteit van de jobs die we oudere werknemers te bieden hebben. De wet van 5 september 2001 ter verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers (wet van Laurette Onkelinx) heeft daartoe een fonds ter bevordering van de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden geïnstalleerd. Dit fonds moet premies verstrekken aan bedrijven die inspanningen doen en experimenten opzetten ter bevordering van de kwaliteit van de arbeidsomstandigheden van werknemers van 55 jaar en ouder. Het fonds is echter dode letter gebleven aangezien het KB dat de inwerkingtreding ervan moest regelen nooit door minister Onkelinx uitgevaardigd werd. Hier moet prioritair werk van gemaakt worden door de staatssecretaris van arbeidsorganisatie en welzijn op het werk, Kathleen Van Brempt, te meer daar zo’n ‘seniorenfonds’ in bijvoorbeeld Denemarken zijn nut bewezen heeft (Hansen, 2002: p. 192-193). Verder zijn er een reeks lastenverlagingen bij de aanwerving van oudere werknemers in voege die nog verder uitgebreid moeten worden. Daarnaast moeten de werkloosheidsvallen waar bruggepensioneerden mee te maken krijgen, wegwerkt worden. Het aanvaarden van een job mag voor bruggepensioneerden geen stapje terug betekenen. Bovendien moeten we meer voorzien in landingsbanen voor ouderen: halftijds of 4/5de werken van je 50 tot je pensioen. Momenteel krijg je daarvoor een forse premie van de federale overheid. Doel is het wat rustiger aan te doen maar toch actief te blijven. Dat een actief leeftijdsbewust arbeidsbeleid best mogelijk is, bewees de paarsgroene regering door vorig jaar een recht op outplacement voor werknemers van 45 jaar of ouder in te voeren. Werkgevers die geen outplacement aanbieden, worden beboet. Outplacement betekent zoveel als de actieve begeleiding naar een nieuwe job: sollicitatietraining, extra opleiding, computervorming, e.d.

De onderwijskloof

Er is een steeds grotere kloof op te merken tussen laag- en hooggeschoolden. Scholing wordt steeds belangrijker en iemands maatschappelijke positie hangt nauw samen met de scholing die hij genoten heeft. VUB-socioloog Mark Elchardus merkt op dat het hebben of niet-hebben van kennis een nieuwe maatschappelijke breuklijn vormt. Het gebrek aan kennis is meer en meer catastrofaal voor mensen, zelfs in het privéleven. Laaggeschoolden kampen dikwijls met een onbehaaglijk gevoel van ‘we hebben geen toekomst meer’ (Elchardus en Smits, 2002). Ook op de arbeidsmarkt is er een duidelijk verband op te merken tussen de werkzaamheidsgraad en de scholingsgraad (zie tabel 1): hoe lager de scholing, hoe lager de werkzaamheidsgraad. De kloof tussen laaggeschoolden enerzijds en midden- en hooggeschoolden anderzijds ligt in Vlaanderen (1,57) en België (1,61) hoger dan gemiddeld in Europa (1,42). Betere resultaten worden door de Scandinavische landen opgetekend (zie tabel 2). Desondanks is de ongelijke arbeidsmarktpositie van laaggeschoolden in Zweden (1,22), Finland (1,37) en Denemarken (1,34) eveneens een probleem, zij het minder manifest.
Inzake permanente vorming scoren de Scandinavische landen veel beter dan België (zoals uit tabel 4 blijkt). De opleidingsparticipatie is zowel in Zweden, Finland als Denemarken meer dan dubbel zo hoog dan in Vlaanderen en België.

Tabel 4: Opleidingsparticipatie van de bevolking tussen 25 en 64 jaar naar geslacht (Vlaams Gewest, België, Zweden, Denemarken en Finland, 2001)

Bovendien nemen bepaalde groepen zoals laaggeschoolden, arbeiders, ouderen, werknemers in kleine en middelgrote ondernemingen, e.a. veel minder deel aan opleiding en permanente vorming. Het huidige beleid investeert aldus onderzoekers (Douterlungne en Wouters, 2002: p. 24-25; Herremans, 2002) nog té weinig in het stimuleren van de participatie van achtergestelde groepen.
Hoe de hoge opleidingsparticipatie in de Scandinavische landen verklaren? Belangrijke factor vormt hier de lage kostprijs van een opleiding voor zowel de werknemer als de werkgever. Als een werknemer deelneemt aan een opleiding, blijft hij meestal zijn volledige wedde behouden tijdens de duur ervan. De overheid betaalt ongeveer 85% van dat loon terug aan de werkgever. Werknemers krijgen daarenboven dikwijls een ‘persoonlijke bonus’ in hun loon verwerkt wanneer een bijkomende opleiding met succes doorlopen werd.
Specifiek naar kansengroepen toe voeren de Scandinavische landen een ver doorgedreven beleid. In Denemarken bijvoorbeeld is er een sterke verplichte begeleiding van schoolverlaters (tot 25 jaar) onder verantwoordelijkheid van de gemeente. Het systeem van basiseducatie werd daartoe volledig omgevormd. De nieuwe structuur behelst een modulair systeem dat zoveel mogelijk individuele trajecten mogelijk maakt (Douterlungne en Wouters, 2002: p. 26-27). Het pleidooi van de HRW (2003: p. 26) voor een modularisering van het onderwijstraject via een systeem van studiepunten ligt geheel in deze lijn. Daarenboven pleit de HRW voor een herwaardering van het technisch en het beroepsonderwijs. Specifiek wordt gedacht aan systemen van alternerend leren en bedrijfsleerervaringen die werkervaring koppelen aan deeltijdse schooltijd. ‘Op die vlakken zouden de scholen meer medewerking moeten krijgen van het bedrijfsleven om het aantal, de diversiteit en de kwaliteit van de voorgestelde stages te verhogen.’
Veel opleidingen in de Scandinavische landen worden bovendien door de overheid gefinancierd via een systeem van ‘individuele leerrekeningen’. Werknemers krijgen via dit systeem een budget ter beschikking voor het inkopen van scholing. Een belangrijke kenmerk hierbij is de keuzevrijheid van het individu: men is in staat zelf een eigen opleidingstraject uit te stippelen en vorming in te kopen. In Vlaanderen - opleiding en permanente vorming zijn grotendeels regionale bevoegdheden - beweegt er de laatste jaren veel. Op 7 juli 2000 hechtte de Vlaamse regering haar goedkeuring aan het actieplan ‘Een leven lang leren in goede banen’. Onder druk van de sociale partners werden er in het ‘Pact van Vilvoorde’ twee concrete doelstellingen opgenomen. Ten eerste moet 10% van de Vlaamse bevolking tussen 25 en 65 jaar tegen 2010 deelnemen aan permanente vorming. Elders verworven competenties worden evenwaardig erkend. De tweede doelstelling bepaalt dat tegen 2010 de ongekwalificeerde uitstroom met de helft verminderd moet zijn en dat het aantal functioneel geletterden en personen met ICT-vaardigheden moet gestegen zijn tot meer dan driekwart van de bevolking.
Ondertussen werd gestart met een aantal nieuwe projecten zoals de ‘bijblijfrekening’, een systeem zoals de Scandinavische leerrekening waarbij werknemers persoonlijk geresponsabiliseerd worden. Het project bevindt zich momenteel in een experimentele fase. Na een evaluatieronde zal moeten blijken of het effectief wordt opgenomen in het reguliere beleid (Wauters, 2002: p. 16-22). In Vlaanderen zijn we, vooral onder impuls van Minister van Werkgelegenheid Renaat Landuyt, de weg van het levenslang leren (of bijblijven, in de ‘Slangentaal’ van de minister) definitief ingeslagen. Volgens onderzoekers van het HIVA (Douterlungne en Wouters, 2002: p. 28-29) ligt de belangrijkste uitdaging momenteel in het vergroten van de inspanningen om iedereen in de boot van het levenslang leren te krijgen. Dit impliceert zwaar investeren in bepaalde doelgroepen, maar ook het verbreden van onze visie op levenslang leren: niet alleen het formele aanbod is belangrijk maar ook het informeel en het levensbreed leren.

Het regeerakkoord en de werkgelegenheidsconferentie

Iedereen kent ondertussen Verhofstadts doelstelling: 200.000 nieuwe jobs. Het cijfer begint zo onderhand mythische proporties te krijgen. Er wacht deze nieuwe regering natuurlijk een loodzware taak, dat is duidelijk. Na afloop van het formatieberaad verklaarde minister van werk en pensioenen Frank Vandenbroucke dat het succes van deze regering staat of valt met het welslagen van het tewerkstellingsbeleid. Alhoewel het werkgelegenheidsluik zowat de belangrijkste hoofdbrok van het federale regeerakkoord uitmaakt, was het wachten op de besluiten van de werkgelegenheidsconferentie om de volledige agenda inzake werkgelegenheid van deze regering te kennen. In een complex land als het onze is het in elk geval van groot belang een goede coördinatie van het werkgelegenheidsbeleid na te streven op álle niveaus. Ook de HRW (2003: p. 13) wenst dat de federale overheid, net zoals de regionale en (zelfs) lokale overheden, samen met de sociale partners samenwerken zodat op elk niveau de bevoegde instantie effectief zijn verantwoordelijkheid opneemt. Op dat vlak een pluim voor Frank Vandenbroucke die als organiserend minister de regionale overheden en de sociale partners op één lijn heeft kunnen brengen.
Het mag een klein wonder genoemd worden dat de werkgelegenheidsconferentie tot effectieve besluiten gekomen is. De laatste tijd blonken de sociale partners immers vooral uit in het handhaven van een status-quo. Illustratief is het interprofessioneel akkoord 2003-2004: enkele belangrijke dossiers werden voor twee jaar geblokkeerd en elke stap voorwaarts onmogelijk gemaakt. Werkgevers- en werknemersorganisaties staan veelal lijnrecht tegenover mekaar, behalve in het welhaast instinctief beschermen tegen de boze wetgever van hetgeen zij al hun autonome bevoegdheden beschouwen. Het kan dus niet genoeg benadrukt worden dat alleen al om die reden het welslagen van de werkgelegenheidsconferentie een klein succes genoemd mag worden. Laten we de besluiten van de conferentie samen met het werkgelegenheidsluik van het regeerakkoord eens nader analyseren in het licht van de drie kloven die zich hardnekkig op onze arbeidsmarkt blijven handhaven.
. Ten eerste de seksekloof. De Scandinavische landen gaan zeer ver in het subsidiëren van gezinsondersteunende diensten. De besluiten van de conferentie zijn hieromtrent duidelijk: 25.000 nieuwe jobs in de buurt- en nabijheidsdiensten door een uitbreiding van het stelsel van de dienstencheques. Het dossier zorgde voor een communautair opstootje met een halfslachtig compromis tot gevolg. Voorlopig blijft de vraag dus of ook Wallonië en Brussel volledig meestappen in het verhaal van de dienstencheques. Dat de PWA’s op termijn gedeeltelijk zullen opgaan in dit systeem veroorzaakte ondertussen eveneens enige commotie. Het zal van groot belang zijn de omvorming van de PWA’s tot dienstenondernemingen met de nodige omzichtigheid en aandacht voor de betrokken werknemers te voltrekken. Voor heel wat werklozen betekent PWA-werk immers de enige mogelijke toegang tot de arbeidsmarkt.
Daarnaast is er het engagement om 12.000 jobs te creëren in de sociale economie en een lastenvermindering voor bijkomende jobs in de non-profit en de buurt- en nabijheidsdiensten. Niet terug te vinden in de besluiten van de conferentie, maar wel in het regeerakkoord is de intentie om zowel het zwangerschaps- (in het geval van gehospitaliseerde pasgeborenen) als het ouderschapsverlof uit te breiden. Verder wordt in het regeerakkoord gedacht aan een stelsel van tijdsparen waarbij overuren en vakantiedagen opgespaard kunnen worden en later gerecupereerd. Als er zo’n stelsel komt, is het van groot belang het te laten functioneren naast de reeds bestaande loopbaankredieten (zoals het tijdskrediet, de vierdagenweek, het educatief verlof, ...). Het mag niet de bedoeling zijn om verworven rechten door individuele inspanningen te vervangen. Het tijdsparen kan er immers voor zorgen dat het recht op tijdskrediet wordt teruggebracht tot het absolute minimum en de individueel opgebouwde rechten van het tijdsparen voortaan bepalend worden. Gevolg: een overactieve welvaartsstaat waar overuren maken voortaan de norm wordt en extra jobcreatie wordt afgeremd. En dat is nu net het arbeidsmodel waar we vanaf willen.
. Ten tweede is de generatiekloof kenmerkend voor onze arbeidsmarkt. In het regeerakkoord staat dat het collectief ontslaan van oudere werknemers voortaan slechts zal kunnen door een herverdeling van de beschikbare arbeidsplaatsen over alle werknemers, in de eerste plaats over de 50-plussers door een beroep te doen op de vierdagenweek. Indien 55-plussers in geval van herstructurering terug aan de slag gaan bij een nieuwe werkgever zullen de geldende lastenverlagingen nog versterkt worden.
In de besluiten van de werkgelegenheidsconferentie vinden we in het licht hiervan een belangrijk systeem van steun bij herstructureringen terug. Wanneer de herstructurerende werkgever mee investeert in de herplaatsing via een tewerkstellingscel, dan worden de door deze werkgever werkelijk gemaakte kosten inzake outplacement terugbetaald voor elke werknemer die binnen een bepaalde periode na het ontslag bij een nieuwe werkgever op duurzame wijze tewerkgesteld wordt. Ook de werknemer wordt actief betrokken bij dit herplaatsingsscenario door hem gedurende de eerste maanden van zijn werkhervatting een vermindering toe te kennen op de persoonlijke sociale zekerheidsbijdragen. Tenslotte zal ook de nieuwe werkgever genieten van een belangrijke bijdragevermindering gedurende een aantal kwartalen na aanwerving.
Aan bruggepensioneerden en oudere werklozen die opnieuw aan de slag gaan, zal een brugpremie worden toegekend, aldus het regeerakkoord. Bij herstructureringen in de openbare sector zullen er mobiliteitspools worden opgericht. Deze zullen de overtallige personeelsleden opnemen op basis van hun huidig statuut en ze indien nodig heropleiden. Samen met hen zal er actief op zoek gegaan worden naar nieuw werk. Overheid en privésector zullen op deze werknemers een beroep kunnen doen mits betaling van een gedeelte van de loonkost.
Voor jongeren wordt er tegen eind januari 2004 een systeem van inloopbanen gecreëerd. Bedrijven zullen een activeringspremie ontvangen indien ze een jongere aanwerven in het kader van het systeem ‘alternerend leren-werken’. Daarnaast vinden we in de besluiten van de werkgelegenheidsconferentie een vereenvoudiging van het startbanenplan terug. In het verlengde hiervan zullen, aldus het regeerakkoord, ook ‘uitloopbanen’ gecreëerd worden die oudere werknemers toelaten hun ervaring en kennis over te dragen aan jongeren in een inloopbaan.
. Ten slotte is er de kenniskloof. Alhoewel permanente vorming geen federale bevoegdheid is, staan hieromtrent duidelijke afspraken in de besluiten van de werkgelegenheidsconferentie. Tegen 2004 moet de globale vormingsinspanning 1,9% van de loonmassa bedragen. Het is niet de eerste keer dat dit engagement naar voren geschoven wordt dus te hopen valt dat de werkgevers zich hier nu wel weten aan te houden. Een controlemechanisme daartoe zal het evaluatierapport zijn dat de paritaire comités tegen 31 maart 2004 moeten opstellen. De sociale partners engageren er zich toe om na te gaan hoe de werking van de sectorfondsen geoptimaliseerd kan worden en hoe de administratieve formaliteiten en de terugbetaling aan werkgevers in het stelsel van het educatief verlof verbeterd kunnen worden. Geheel in de lijn van het beleid in de Scandinavische landen en de aanbevelingen van de HRW (zie terug) vinden we een oproep van de sociale partners aan de bevoegde actoren op gemeenschapsniveau terug om het enorme potentieel aan knowhow in de onderwijswereld te optimaliseren door het doorbreken van de beschotten tussen onderwijsvormen, de modularisering van het onderwijs, enzovoorts.
Dit overzicht is zeker niet exhaustief; het regeerakkoord en de besluiten van de werkgelegenheidsconferentie brengen nog tal van andere belangrijke werkgelegenheidsmaatregelen aan. Zo wil de regering bijvoorbeeld de stempelcontrole afschaffen en in samenwerking met de gewesten een actieve arbeidsbemiddeling en persoonlijke begeleiding van moeilijk te plaatsen werkzoekenden ontwikkelen. Ook op dit vlak voeren de Scandinavische landen een vooruitstrevend beleid. Artikel 80 dat de schorsing van langdurig werklozen regelt, wordt in elke geval afgeschaft en de beschikbaarheid van werklozen strikter gecontroleerd. Doel van deze bijdrage was echter het regeerakkoord te bekijken in het licht van de drie kloven (seksekloof, generatiekloof en onderwijskloof) die zich hardnekkig op onze arbeidsmarkt blijven handhaven.

Besluit

Ons onverminderd neerleggen bij de harde wetten van de economie en de stijgende werkloosheidscijfers lijdzaam onderzien, mag geen beleidsoptie zijn. Onze arbeidsmarkt kampt met enkele structurele problemen die prioritair moeten worden aangepakt.
Ten eerste blijken vrouwen nog steeds significant ondervertegenwoordigd te zijn op de arbeidsmarkt. Alhoewel bij de jongere generatie daarin serieuze verandering aan het komen is, zal het zaak zijn de werkzaamheidsgraad van vrouwen hoog te blijven houden op álle leeftijden door fors te investeren in de nieuwe diensteneconomie en de verdere uitbouw van diverse loopbaankredieten. Ook 50-plussers zijn opvallend ondervertegenwoordigd op onze arbeidsmarkt. Om hun werkzaamheidsgraad op te krikken, moeten we een leeftijdsbewust arbeidsbeleid ontwikkelen en de levensloopbaan als ideaal vooropstellen. Ten slotte vormen de laaggeschoolden een doelgroep die zich in een zeer precaire arbeidsmarktsituatie bevindt. Permanente vorming moet een wapen worden ter bestrijding van de steeds groter wordende kenniskloof. Vlaams minister van werkgelegenheid Renaat Landuyt heeft daartoe reeds zeer belangrijke voorzetten gegeven. In elk geval moet dit thema prioritaire aandacht verdienen in de campagne voor de komende regionale verkiezingen. De meeste voorstellen die op de werkgelegenheidsconferentie omtrent opleiding en permanente vorming naar voor geschoven werden, behoren immers niet tot het federale beleidsniveau.
Alhoewel het werkgelegenheidsluik zowat de belangrijkste hoofdbrok van het nieuwe federale regeerakkoord uitmaakt, bleef het wachten op de besluiten van de werkgelegenheidsconferentie om een definitief oordeel te vellen. Een pluim voor Frank Vandenbroucke die van bij de start van de legislatuur de neuzen van de sociale partners en de betrokken overheden in één richting gekregen heeft. De conferentie heeft op een zeer beperkt tijdsbestek heel wat werk verricht. Ondanks het gemor in vakbondskringen, mogen we best tevreden zijn. Het werkgelegenheidsbeleid van deze regering heeft daarmee een goede start genomen al blijven sommige heikele punten bestaan (omvorming PWA’s, tijdsparen, ....). Dat het deze regering in elk geval menens is, bewijst de integrale opname van de besluiten van de werkgelegenheidsconferentie in de begroting 2004 die expliciet als titel ‘een begroting voor werk’ meegekregen heeft.

Yves De Ridder
Stafmedewerker studiedienst sp.a

Noot
1/ Voor concrete voorstellen zie: De Ridder, Y. (2002) ‘Naar een betere combinatie van arbeid en zorg in een ontspannen arbeidsmarkt’, Samenleving en politiek, 9(6): p. 28-40.

Bronnen
- Abraham, F., e.a. (2001) Een verhoging van de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen. Deel 2: vergelijkende analyse met de buurlanden. Leuven - Brussel: KULeuven, Idea Consult.
- De Ridder, Y. (2002) ‘Naar een betere combinatie van arbeid en zorg in een ontspannen arbeidsmarkt’, Samenleving en politiek, 9(6): p. 28-40.
- Douterlungne, M., Wouters, M (2002) ‘Beleidsscreening levenslang leren: te veel spelers, te weinig noten, nog onvoldoende samenspel’, Over.Werk, 12(3): p. 23-29.
- Elchardus, M., Smits, W. (2002) Anatomie en oorzaken van het wantrouwen. Brussel: VUBPress.
- Elchardus, M., Cohen, J (2003) Gedrag en verwachtingen in verband met het einde van de loopbaan. Deelrapport 2: de levensloop en de pensioentransitie in België. Brussel: VUB, Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR.
- Federaal Planbureau (2003) Economische vooruitzichten 2003-2008. Brussel: Federaal Planbureau.
- Geurts, K. (2002) ‘Gezin en arbeid: een generatie (maakt het) verschil’ in: Steunpunt WAV, VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (red.) De arbeidsmarkt in Vlaanderen, Jaarreeks 2002; Deel 4, Jaarboek. Antwerpen: Garant, p. 227-241.
- Hansen, H. (2002) ‘Active strategies for older workers in Denmark’ in: Jepsen, M., Foden, D., Hutsebaut, M. (ed.) Active strategies for older workers in the European Union. Brussels: European Trade Union Institute: p. 171-205.
- Hoge Raad voor de Werkgelegenheid (2003) Advies betreffende het Belgische werkgelegenheidsbeleid in het kader van de Europese werkgelegenheidsstrategie. Synthese en aanbevelingen. Brussel: FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
- Mercer Human Resource Consulting (2003) Worldwide Benefit and Employment Guidelines 2002/2003.
- Herremans, W. (2002) ‘Leren na het onderwijs? De opleidingsparticipatie van volwassenen in Vlaanderen, de buurlanden en Europa’ in: Steunpunt WAV, VIONA Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (red.) De arbeidsmarkt in Vlaanderen, Jaarreeks 2002; Deel 4, Jaarboek. Antwerpen: Garant, p. 181-189.
- Van Dongen, W., Omey, E. (2001) ‘Beleidsperspectieven: fiscaliteit, sociale zekerheid en maatschappelijke voorzieningen’ in: Van Dongen, W. e.a. (red.) Beroepsleven en gezinsleven. Het combinatiemodel als motor voor een actieve welvaartsstaat. Leuven - Apeldoorn: Garant, p. 187-254.
- Van Gils, S. (2003) ‘Europese benchmarks in de Scandinavische landen’, Over.Werk, 13(1-2): p. 49-54.
- Wauters, A. (2002) ‘Een leven lang leren in Vlaanderen, enkele recente ontwikkelingen’, Over.Werk, 12(3): p. 16-22.

sociaaldemocratie - tewerkstelling - economie

Samenleving & Politiek, Jaargang 10, 2003, nr. 10 (december), pagina 29 tot 39