Log in

De economie radicaal vernieuwen om beter te leven

De laatste tijd werd ons land opgeschrikt door een aantal sluitingen en massale afdankingen in bedrijven zoals Sabena, Philips en Ford. De oorzaken zijn meestal overcapaciteit of verplaatsing naar ‘lageloonlanden’ (delokalisatie). De afbouw van de tewerkstelling in de industrie is eigenlijk al decennialang aan de gang. Het verlies aan jobs werd voor een groot deel in de dienstensector gecompenseerd. Er ontstonden ook nieuwe industrietakken. Na de bloei van de mijnen en de textiel, kwamen bijvoorbeeld de chemische, elektronische en automobielsector op. Daarna bedrijfstakken als informatica, farmacie en biotechnologie. Sectoren komen en gaan, en gelukkig vinden mensen vaak elders nieuw werk, maar we mogen toch niet onderschatten dat de langdurige werkloosheid al 25 jaar op een onaanvaardbaar hoog niveau zit. Bovendien is het altijd erg als in een streek in één klap honderden of duizenden mensen op straat komen te staan. Waar staan we vandaag? Mogen we hopen op een nieuwe industriële revolutie?

Globalisering maakt het probleem nog ingewikkelder. De vlucht naar lageloonlanden is evenmin nieuw. Maar tot nu toe bleef de delokalisatie naar Oost-Europa, Azië of het Middellandse-Zeegebied beperkt tot arbeidsintensieve massaproductie met een eerder lage toegevoegde waarde, zoals kleding en textiel. In de loop van de industriële geschiedenis konden in de rijke landen telkens nieuwe sectoren ontwikkeld worden, kennisintensiever en met een hogere toegevoegde waarde. Bovendien zijn lage lonen niet het enige wat multinationale ondernemingen interesseert. Vaak zijn het scholingsniveau, de aanwezige infrastructuur en vooral de nabijheid van een koopkrachtige consumentenmarkt veel belangrijker. Wat dat betreft, heeft West-Europa een grote voorsprong. Maar de ‘nieuwe industrielanden’ en de landen van het vroegere Oostblok staan niet stil. De laatste jaren versterken zij ook in de meer kennisintensieve sectoren hun positie. Een gekend voorbeeld zijn de Indiase informatici rondom de stad Bangalore. Maar ook in Oost-Europa is het scholingsniveau relatief hoog. Stel dat deze landen hun algemene investeringsklimaat (infrastructuur, rechtssysteem, …) kunnen verbeteren, en hun loonkost toch een flink stuk lager dan bij ons kunnen houden. Dan worden ze aantrekkelijke locaties voor de auto-, electronica- en andere nijverheden met veel jobs, een mogelijk probleem waar we nog geen antwoord op hebben. Zo’n vaart loopt het voorlopig niet. Vroegere ervaringen (bv. Japan, Zuid-Korea, de zuiderse lidstaten van de EU) leren dat naarmate landen opklimmen in de economische ladder, ook hun loonkosten en sociale voorzieningen toenemen. Daardoor blijft het probleem van de concurrentie beheersbaar, ondanks het alarmistische discours dat je soms uit werkgevershoek hoort. Pleidooien om bij ons de sociale verworvenheden en milieunormen op de helling te zetten, zijn op zijn zachtst gezegd voorbarig. Bovendien kan wie solidair is, alleen maar toejuichen dat arme landen erop vooruitgaan. Maar deze nuance doet geen afbreuk aan onze stelling dat het hoog tijd is voor radicale economische vernieuwing. De overcapaciteit in sommige sectoren en de toenemende milieuproblemen maken dit overduidelijk.

Naar een ecologische industriële revolutie

Veel sociale en ecologische problemen zijn geworteld in het functioneren van onze economie die eenzijdig gericht is op winstbejag, concurrentie en groei. De economie is er voor de mens en niet omgekeerd. Mensen hebben recht op zekerheid en een waardig inkomen, op een aangename leefomgeving, op een goede gezondheid. Om deze waarden veilig te stellen moeten we de economie radicaal durven vernieuwen, om een beter evenwicht te bereiken tussen welvaart en jobs, levenskwaliteit en milieu.
Een sociaaleconomisch alternatief bestaat uit meerdere facetten, en beslaat niet een eenvoudige verlaging van loonkosten om onze loonkosten op hetzelfde niveau te brengen als de nieuwe industrie- en ex-Oostbloklanden. Hebben we alternatieven?
Een eerste deel van de oplossing is de ecologische industriële revolutie die in heel Europa op gang moet worden getrokken. Sommige bedrijfstakken die nu nog in hun kinderschoenen staan, hebben een gigantisch potentieel aan jobs en komen rechtstreeks het milieu ten goede, het bewijs dat economie en ecologie samen kunnen gaan:
- hernieuwbare energiebronnen en technologie voor rationeel energiegebruik (slimme toestellen, isolatie, …);
- openbaar vervoer, goederenvervoer per spoor en binnenvaart (zowel productie van materieel, onderhoud als bediening), automatische snelheidsaanpassing, auto’s op zonne-energie;
- milieutechnologie (afvalvoorkoming, recyclage, waterzuivering, bodemsanering, …);
- hergebruik, reparatie en renovatie;
- ecologische landbouw.

Alles samen gaat het alleen voor ons land om tienduizenden nieuwe jobs, voor kort- en langgeschoolden, in grote en kleine bedrijven. Naast deze ‘groene’ sectoren, zijn er natuurlijk nog vele andere industriële en dienstensectoren met enorme toekomstkansen en die de moeite waard zijn maximaal te ondersteunen, omdat ze de levenskwaliteit van velen ten goede komen, zoals sociale woningbouw, informatica, zorg, cultuur, medische technologie, farmacie, domotica voor mindervaliden en bejaarden, onderwijstechnologie, milieuvriendelijk toerisme, investeringen in het Zuiden, om maar enkele voorbeelden te noemen.

De gemeenschap moet zich opnieuw met de economie bemoeien

De vrije markt heeft zijn goede kanten, maar kan niet zonder de helpende hand van een moderne, creatieve, democratische overheid. De gemeenschap mag en moet zich bemoeien met de fundamentele economische keuzes, want die zijn ontzettend belangrijk voor levenskwaliteit, milieu en werkgelegenheid, nu en in de toekomst. Deze waarden kunnen alleen veilig gesteld worden als de gemeenschap de economie helpt sturen, meer dan vandaag het geval is, zowel nationaal als internationaal. Hier is trouwens een sleutelrol weggelegd voor een (democratisch) Europa. Dit standpunt is een belangrijk verschil tussen de groene visie, en het neoliberalisme en de paarse ‘derde weg’, die de hoop dat de gemeenschap terug greep kan krijgen op de markt hebben opgegeven. Gemeenschap is ook meer dan de staat en de klassieke sociale partners. Zo was de milieubeweging niet uitgenodigd op de jongste werkgelegenheidsconferentie, net nu voor iedereen duidelijk wordt dat het traditionele economische model - op zijn zachtst gezegd - best wat nieuwe inspiratie kan gebruiken. Bovendien kunnen ook consumenten-, Noord-Zuid-, vredes- en andere bewegingen een rol spelen bij de economische vernieuwing. We refereren niet naar ‘planning’ of een ‘planeconomie’ maar we willen wel dat de gemeenschap veel beter dan vandaag wordt uitgerust om de economie van de toekomst mee op de sporen te zetten. Die economie moet anders zijn dan de huidige doorhol- en wegwerpeconomie.

Oproep aan de samenleving: alle talenten creatief inzetten

We willen een prominente economische rol van de gemeenschap, maar geloven niet in een staatseconomie. In de 21ste eeuw moeten we meer dan ooit een beroep doen op de creativiteit en ondernemingszin van ondernemers, wetenschappers, activisten en talloze andere burgers. We staan voor grote, maar boeiende sociaaleconomische en ecologische uitdagingen. Wij zijn ervan overtuigd dat er veel kansen in het verschiet liggen voor duurzame en kwaliteitsvolle werkgelegenheid. Zo kunnen (industriële) knelpuntberoepen (technici, ingenieurs, schei- en natuurkundigen, …) een groene invulling krijgen. Het is enorm belangrijk dat het secundair en hoger onderwijs nauw betrokken wordt bij het formuleren van de antwoorden op de grote economische vraagstukken, want dit project kan alleen slagen met een frisse visie van jonge afgestudeerden. Zijn de opleidingen toekomstgericht? Zetten ze aan tot creativiteit? Gaan ze voldoende in op de grote economische, sociale en ecologische vragen van de toekomst? Ongefundeerd conservatisme, terwijl de afbraak van werkgelegenheid, natuur en milieu ondertussen maar blijft voortgaan, kunnen we best missen. De economie van de toekomst zal bovendien grotendeels steunen op KMO’s en hun netwerken.

Op lange termijn: regionale productie voor een economie van het genoeg

Een vernieuwde economie is een economie waarin geproduceerd wordt in functie van echte behoeften, de economie van het genoeg. Vanaf een bepaalde levensstandaard leggen wij meer nadruk op kwaliteit in plaats van kwantiteit. Het nieuwe economische beleid houdt rekening met de ecologische draagkracht. Opdat economieën niet langer speelbal zouden zijn van de losgeslagen globalisering, is het nodig dat we evolueren naar zoveel mogelijk regionale productie (neem als regio bv. West-Europa) als principe voor landbouw, industrie en diensten. Op die manier verminderen in de toekomst ontwrichtende delokalisaties. Als de hoge milieukosten eindelijk in de transportkosten verrekend worden, hebben we al een grote stap vooruit gezet naar een globalisering op mensenmaat. Daarnaast stellen wij ons de vraag of het principe van de absolute vrijhandel, dat van de wereld een supermarkt aan het maken is en voortdurend delokalisatie en herstructurering van de productie met zich meebrengt, op termijn kan samengaan met het streven naar duurzame tewerkstelling, zekerheid voor werknemers en hun gezinnen, en milieuvriendelijke productie. De groenen willen hierover internationaal het debat aangaan, en plaatsen levensgrote vraagtekens bij de neoliberale dogma’s van instellingen zoals de WTO, het IMF en de Europese Commissie, die door politici van alle traditionele stromingen tot op vandaag worden gesteund, of zonder al te veel kritiek worden geslikt. Het pleidooi van Tony Blair, naast Britse premier ook Labour-leider, en Juhan Parts, premier van Estland, tegen een sociaal en fiscaal Europa ‘omdat de EU geen nieuwe Sovjet-Unie mag worden’, is een teken aan de wand, en zegt iets over de politiek-ideologische verhoudingen in het Europees parlement.
Deze filosofie gaat ook in tegen de bikkelharde concurrentie tussen regio’s en continenten, die een neerwaartse spiraal van sociale en ecologische verworvenheden met zich meebrengt. In dat verband moeten we nadenken over sociale en ecologische clausules voor import uit industrielanden die bijvoorbeeld Kyoto aan hun laars lappen of geen minimumloon kennen; landen in het Zuiden moeten via doordachte ontwikkelingshulp geholpen worden arbeids- en milieunormen te verhogen.

Meer kwaliteit van leven voor ALLEN vergt een andere economie

De politiek moet durven de economische vernieuwing op de rails te zetten en te sturen. Economie gaat over mensen. Mensen die vandaag behandeld worden als koopwaar en ingezet worden in een dynamiek die winstbejag, concurrentie en groei nastreeft. De rijkdom en welvaart van Vlaanderen staat in schril contrast met de hoge armoedecijfers (15% van de Vlamingen tussen 15 en 64 jaar leeft in een gezin waar niemand een betaalde baan heeft), de hoge werkloosheidscijfers, … 3000 mensen staan op straat in Genk, 3000 individuele drama’s die veel meer mensen raken: echtgenoten, kinderen, grootouders, … De politiek is het verplicht op zoek te gaan naar tewerkstelling die minder afhankelijk is van multinationale bedrijven, die perspectieven biedt aan mensen, aan hun kinderen en kleinkinderen. Een economie waarin mensen minder ziek worden van armoede, stress, en vervuiling. Deze politiek moet durven keuzes maken die ingegeven worden door ecologie: de ecologische draagkracht van de aarde, maar ook de ecologische draagkracht van de samenleving, de ecologische draagkracht van mensen.
Deze politiek investeert in duurzame sectoren met enorme toekomstkansen, investeert in andere manieren van transport. Deze politiek neemt economie serieus als bron van sociale en ecologische problemen, en pakt die bron dan ook aan door werk te maken van een degelijk sociaal economisch alternatief.

Tinne Van der Straeten
woordvoerder Groen!

nieuwjaarsbrief - economie - milieu - duurzame ontwikkeling

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 40 tot 43