Abonneer Log in

Te vermijden woorden in 2004

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 22 tot 24

André Malraux moet ooit gezegd hebben over iemand: ‘Il n’avait pas la peur des mots.’ Je moet namelijk schrik hebben van woorden, van te veel en te achteloos gebruikte woorden.
Ik zou graag hebben dat wij in dit verkiezingsjaar 2004 enkele woorden niet gebruikten of er tenminste voorzichtiger mee omsprongen. Is daarmee iets gewonnen? Waarschijnlijk weinig, tenzij een zekere verheldering van de gedachten. Hier komen ze.

Signaal - ‘Wij moeten een signaal geven aan het publiek.’ Een teken dus dat staat voor iets anders. Waarom niet direct dat andere tonen? Zie perceptie.

Perceptie - Wie had ooit gedacht dat Nietzsches ontdekking dat de waarheid niet bestaat, dat alles perceptie is, waarneming, interpretatie vanuit één punt - en dat interpretatie dus een machtsgreep is -, zou leiden tot de terreur die het gedrag van iedereen in de openbare ruimte vandaag lijkt te conditioneren: het komt niet meer op de werkelijkheid aan van wat men is, denkt en doet, maar op het beeld dat ervan verschijnt in de openbaarheid. Je zou er weer heimwee van gaan krijgen naar de werkelijkheid.

Communicatie - Heeft helaas de conversatie vervangen en gedood. Onder het mom van de transparantie van de boodschap die in een rechte lijn wordt overgebracht van A naar B sluimert het paradigma van de economische rationaliteit die efficiëntie verkiest boven stijl. Uiteindelijk moet er iets worden… verkocht. Wee diegene die niet kan communiceren. Vae victis.

Uitdaging - ‘Ik was aan een nieuwe uitdaging toe’ zegt iedereen nu, zonder te beseffen dat de ‘uitdaging’ altijd formeel blijft, leeg, een amechtig zich meten met… niets. Wie iets doet om de ‘uitdaging’ trekt zich op aan de eigen haren uit het moeras van de verveling. De ‘uitdaging’ legt de zinloosheid en de kramp van al ons streven bloot. De enige ‘uitdaging’ die een zindelijk spreken kan hebben, is het woord ‘uitdaging’ vermijden. Het zal zweet, bloed en tranen kosten.

Lelijke woorden
‘Naar de toekomst toe’ - Taal van vormingswerkers die een groot geloof in de maakbaarheid van de werkelijkheid uitdragen. ‘De uitdaging naar de toekomst toe is een signaal te geven, want perceptie is alles.’
Implementatie; implementeren - Wat is er mis met uitvoering/uitvoeren?

Overbodige woorden
‘Een stuk’ - ‘We gaan vandaag naar de toekomst toe een stuk motivatie opbouwen.’
‘Het gegeven’ - ‘We hebben het vandaag over het gegeven poëzie.’ Van dezelfde familie is: ‘het gebeuren’.

Alles inpalmende woorden
Sexy - ‘Behang is weer sexy.’ Met die bewering in een tijdschrift over wonen is de bodem bereikt in de geschiedenis van het misbruik van het adjectief: iedereen moet het zijn, in alle omstandigheden. Als zelfs behang sexy is, is niets het nog.

Product - Probeer het woord maar eens te vermijden. Voor je het weet, ligt het in je mond bestorven: hét bewijs dat het eenheidsdenken van het neokapitalisme de eindoverwinning heeft behaald, dat alles vermarkt is: ‘Die politieke partij heeft een goed product, maar heeft het niet goed gecommuniceerd.’ Een angstaanjagende zin.

Effectief - Gebruikt als bijwoord (‘Het is effectief noodzakelijk een sterk signaal te geven.’) wil het een sterk geloof in de efficiëntie van de eigen woorden uitstralen.
Het wordt overigens vaak verward met ‘efficiënt’, terwijl het meestal niet veel meer betekent dan ‘inderdaad’.

Ik stel vast dat… - Valse objectiviteit en/of wetenschappelijkheid wordt ermee geïntroduceerd. Wantrouw diegene die er zijn of haar interview mee begint.

De vormingswerker - Hét woord van de jaren 70 van de vorige eeuw.
De manager - Hét woord van de jaren 80 van dezelfde eeuw.
De burger - Hét woord van de jaren 90 van die eeuw.
De mensen - Hét woord van het begin van het eerste decennium van de 21ste eeuw: ‘Dingen doen voor de mensen; bezig zijn met de problemen waarmee de mensen bezig zijn; midden de mensen staan’ enz.
Wantrouw de woorden die een tijdsbestek domineren.

‘Links-progressief’ / ‘Rechts-conservatief’ - Waarom hoor je bijna nooit spreken over rechts-progressief en links-conservatief? Waarom is ‘progressief’ (vooruitstrevend!) bijna altijd een eretitel, en ‘conservatief’ meestal een scheldwoord?

Conservatief - De klassieke conservatief gelooft niet in de fundamentele goedheid van de mens, en dat onderscheidt hem van de liberaal en de socialist, die beiden producten zijn van de achttiende-eeuwse Verlichting die een optimistisch mensbeeld koestert. Hij kent de onvolmaaktheid van de mens. Hij vreest zijn zwakheid, het gevaar dat van hem kan uitgaan, de chaos die altijd om de hoek loert. Hij gelooft dat de mens onderdeel uitmaakt van een proces dat hem overstijgt, dat onvermijdelijk en onontkoombaar is.
De conservatief is geen reactionair. Hij begrijpt de noodzakelijkheid van veranderingen, maar wil dat die zich traag en geleidelijk voltrekken. Hij verzet zich tegen de verwaarlozing van de verworvenheden uit het verleden. Hij gelooft meer in instellingen die hun waarde hebben bewezen dan in nieuwe constructies.
Het conservatisme zet begrippen als ‘traditie’, ‘normen en waarden’, ‘orde en gezag’, ‘gezin’, ‘gemeenschap’, ‘veiligheid’ en ‘eigendom’ op de agenda. Daarmee zet het zich af tegen gedogen, permissiviteit (als slecht begrepen tolerantie), relativisme en individualisme.

Normen en waarden - Het is altijd gênant over normen en waarden te spreken. Ze tonen zich (Wittgenstein).

Fascistisch - Het woord blokkeert altijd het debat. Het klinkt pathetisch, over the top en gedateerd. Het is een schreeuw waarin de discussie als in een zwart gat opgeslokt wordt. Misschien moeten we het woord alleen maar gebruiken als het refereert aan de ideologie van twintig jaar Mussolini aan de macht (1922-1943). N’en déplaise à Pasolini, die het gebruikte voor het consumentisme van de jaren 70 van de vorige eeuw (en van alle decennia sindsdien die hij gelukkig niet meemaakte), en de totale overwinning van het ‘neokapitalisme’. Ik besef nu dat die laatste term ook aan hem gebonden blijft.

Vooruitgang - De mythe van de eeuwige vooruitgang in zijn economische gedaante (‘groei’) is een axioma, een onbewezen vooronderstelling waarop een hele ideologie (de ‘neokapitalistische’) wordt opgetrokken. Verwant is de terreur van begrippen als ‘verandering’ en ‘vernieuwing’: alles moet voortdurend veranderen en vernieuwen. Verandering en vernieuwing als ontegensprekelijke bewijzen van kwaliteit, als per definitie verbeteringen: nog een axioma. Wie zich progressief, vooruitstrevend noemt, moet nagaan in welke mate hij gelooft dat elke vooruitgang een verbetering is.

Rechts en Links - Rechts zal - vooral op sociaaleconomisch vlak - meer de vrijheid van het individu benadrukken (de vrijheid van ondernemen enz.) en neemt er de ongelijkheid bij: een ‘onzichtbare hand’ stuurt toch alles bij en private vice leidt tot public benefit. Een minimale staat met een sterk leger en dito politie garandeert de handelingsruimte voor het individu.
Links legt meer de nadruk op de gelijkheidsgedachte en zal zich inzetten voor de herverdeling van welvaart over zoveel mogelijk mensen.
Rechts blijft daarbij meestal behoudsgezind op ethisch-levensbeschouwelijk vlak (liberalen zullen zich hierin niet herkennen want vanuit hun geloof in het individu komen ze ook hier op voor individuele keuzevrijheid). De blinde vlek van rechts is dat het niet ziet dat het ongebreidelde marktdenken de ethische waarden zelf aantast door de ‘vermarkting’ van alles, en door het om zich heen grijpende hedonisme dat door de oproep tot telkens weer consumeren onherroepelijk wordt aangezwengeld.
Links eist ook de ontplooiing van het individu op, maar dan eerder op ethisch, levensbeschouwelijk vlak: het zelfbeschikkingsrecht in het aanvaarden en nemen van het leven (abortus en euthanasie); de organisatie van de eigen seksualiteit, het eigen hedonisme. Men vindt dat ‘progressief’, vooruitstrevend. Men gelooft in vooruitgang, in een wereld die beter kan en moet worden, in de maakbaarheid van de werkelijkheid.

Het is onmogelijk consensus te verkrijgen over het bovenstaande. Daarom is het gebruik van de woorden ‘rechts’ en ‘links’, ‘progressief’ en ‘conservatief’ altijd verwarrend en sloganesk. De enige uitweg bestaat erin zo precies mogelijk aan te geven wat men onder de termen verstaat als men ze gebruikt. Men moet vooral duidelijk maken wat men wil behouden zien, en wat men wil zien veranderen omdat het beter kan of moet.

Luc Devoldere
Hoofdredacteur Stichting Ons Erfdeel

nieuwjaarsbrief - perceptie - communicatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 22 tot 24