Log in

'Uitsluiting-Insluiting. Kanttekeningen bij een beleid van sociale integratie'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 44 tot 45

Uitsluiting-Insluiting. Kanttekeningen bij een beleid van sociale integratie

R. Devos en L. Van Marcke (red)
Acco, Leuven, 2003

Devos en Vanmarcke hebben een zogenaamde reader samengesteld rond wat zij een van de basisintuïties noemen van de actieve welvaartsstaat, namelijk de benadering van de sociale problematiek vanuit de uitdrukking insluiting. Zij willen meer in het bijzonder de vanzelfsprekendheid van het gangbare discours in vraag stellen. In zijn eigen bijdrage slaagt Rob Devos er trouwens uitstekend in die vraagstelling af te bakenen. Het boek valt uiteen in twee luiken: een kritische belichting van het model van uitsluiting en een theoretische reflectie erover. Fons Leroy denkt na over de betekenis van de arbeid in de actieve welvaartsstaat. Hij bouwt een zeer helder betoog op dat arbeid centraal stelt in het leven van iedereen, ook al betekent dit dan weer niet dat arbeid iemands leven zou mogen overheersen.

Er moet integendeel gezocht worden naar een evenwicht. Maar zonder arbeid lukt het moeilijk om het leven echt zin te geven. Dat betekent natuurlijk dat wie van arbeid uitgesloten wordt een probleem heeft, waaraan zo goed mogelijk moet verholpen worden. Bij Leroy, die kabinetschef is van de Vlaamse minister voor werkgelegenheid, is het inderdaad vanzelfsprekend dat mensen die uitgesloten worden teruggehaald moeten worden. De problematisering van het discours van insluiting vind je pas bij de andere auteurs. Velen van hen staan onder invloed van Pierre Bourdieu. Er is ook een bijdrage over Niklas Luhnman. Je zou verwachten dat ze de inzichten van de meesters op een iet of wat begrijpelijke manier kunnen voorstellen, maar bij mij is het in elk geval niet gelukt. Je komt terecht in een vrij cryptisch verhaal, dat je zonder inwijding moeilijk kunt volgen.

Soms is het wel boeiend, zoals in het stuk over het Coninckplein in Antwerpen, maar zelfs dan blijft een lezer met vragen zitten. Soms is het totaal onleesbaar, zoals de bijdrage ‘Om de beheersing van de taal’. Ik wil echt niet negatief doen, maar er is voor mij maar één belangrijke vraag: moeten we mensen die op een of andere manier uitgesloten zijn proberen bij te halen of bewijzen we ze daarmee integendeel een slechte dienst? Moeten we mensen die werkloos zijn een traject aanbieden dat hen uitzicht geeft op werk, of maken we precies daardoor afhankelijke of gestigmatiseerde subjecten van? Het is louter spielerei om te doen alsof dit laatste het geval is en dan toch niet de conclusie te trekken dat we ze van de dop moeten gooien. Alleen Leroy durft kennelijk een duidelijk antwoord te geven.

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 44 tot 45