Log in

'Van verzet tot koude oorlog - machtsstrijd om het ABVV'

Uitgelezen

Van verzet tot koude oorlog - machtsstrijd om het ABVV

Rik Hemmerijckx
VUB-Press,/Amsab, Brussel/Gent, 2003

Het boek van Hemmerijckx is de herwerkte versie van zijn doctoraatsverhandeling. Het behandelt de periode 1940-1949. De socialistische beweging verloor tijdens de oorlog een deel van haar invloed op de vakbeweging, maar kon tegen het einde van de jaren veertig zijn machtspositie weer innemen. Hemmerijckx beschrijft vooral de strijd tussen socialisten en communisten, maar ook de verleiding van het fascisme, de gemiste kans om samen met de christelijke arbeidersbeweging in zee te gaan, de ontstaansgeschiedenis van het renardisme en het begin van de communautaire spanningen. Het is een meeslepend boek.

De socialistische vakbeweging heette aanvankelijk de syndicale commissie, later het BVV. Zij kende pas na de eerste wereldoorlog een echte doorbraak, wat voor een stuk samenhangt met de ontwikkeling van het paritair overleg. Vakbonden werden pragmatischer en bureaucratischer. Binnen de socialistische partij (BWP) stelden zij zich meestal op aan de rechterzijde. Zij waren ook de grote pleitbezorgers voor regeringsdeelname. Daar is vrij vlug verzet tegen gerezen van de kant van de communistische partij, die in 1920 ontstond. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zijn een aantal syndicale leiders meegezogen door de collaborerende Unie voor Hand en Geestesarbeiders. Voor de rest probeerde een groep vanuit Londen en een groep in het bezette België de syndicale organisatie in stand te houden. Veel moet men zich daar niet bij voorstellen. De clandestiene BVV zal bijvoorbeeld ver blijven van ieder gewapend verzet. Enkel individuele syndicalisten hebben daar aan meegedaan, niet de organisatie. Het belangrijkste was dat de naoorlogse periode voorbereid werd, in de discussies over wat later het sociaal pakt zou worden. Het was duidelijk dat men het sociaal overleg na de oorlog wilde verder zetten. De pogingen om samen met ACV in zee te gaan kwamen nooit echt op gang.
Het BVV probeerde zichzelf tijdens de bezetting in stand te houden. Tegelijk groeide vanuit de bedrijven zelf en vooral in Wallonië een arbeidersverzet. Eigenlijk werden zij de echte spil van de sociale strijd, ook al omdat de patroons rechtstreeks met de bedrijfsmilitanten onderhandelden. Het BVV had er moeite mee en vreesde vooral de invloed van de communisten. De basismilitanten probeerden een nieuwe type van organisatie uit, een eenheidsvakbond die ook onafhankelijk van de politiek stond. Zij werden niet enkel door de KP gesteund, maar ook door onafhankelijke stromingen als de MSU (mouvement syndical unifié). Bij deze laatste was André Renard aangesloten. Tijdens de oorlog verscheen van hem: ‘Pour la révolution constructive’. Men merkt er nog zeer duidelijk de invloed van De Man. Renard wil via partiële structuurhervormingen uitkomen bij een nieuw maatschappijmodel. Het zijn ideeën die hem ook na de oorlog zullen blijven drijven en die vandaag nog voor een deel terug te vinden zijn in de beginselverklaring van het ABVV. Er waren nog een aantal andere stromingen, zodat de BVV op het einde van de oorlog zich zeker niet de syndicale linkerzijde kon noemen. Toch betekende het sociaal pakt uiteindelijk de overwinning van de gematigde vleugel.

Bij het einde van de oorlog bevond de socialistische vakbeweging zich in crisis. Het BVV had de helft van zijn leden verloren. In mei 1945 werd het ABVV opgericht uit een fusie van alle vakbonden, maar zonder het ACV. In de jaren onmiddellijk na de bevrijding bestond er nog een sterke communistische stroming, maar het overlegsyndicalisme kon zich doorzetten. De Nationale Arbeidsconferenties, waar met de regering en de patroons vooral over de prijzen- en loonpolitiek gepraat werd, hebben een belangrijke rol gespeeld. Maar ook de evolutie van de internationale politiek, zeg maar de opkomst van de koude oorlog, en vooral de koningskwestie waren belangrijk. Reeds eind 45 was de communistische invloed fel afgezwakt en tegen het einde van de jaren veertig waren de communisten buiten spel gezet. Wat overbleef van de radicale vakbondsvleugel werd door Renard vertegenwoordigd. Deze had reeds in de periode na de Tweede Wereldoorlog een gespannen verhouding met het ABVV, maar de grote tragedie zou natuurlijk pas in 60-61 opgevoerd worden.

Ondertussen verloor het ABVV het in ledenaantal van het ACV. De interne verdeeldheid zal daar een niet onbelangrijke rol in gespeeld hebben. Maar blijkbaar heeft het ACV zich makkelijker kunnen aanpassen aan de nieuwe omstandigheden. Hemmerijckx vraagt zich ook af of het ABVV niet te ver gegaan is in zijn verdediging van het systeem: ‘Het nationale ABVV heeft zich sterk vereenzelvigd met het herstelbeleid van de opeenvolgende regeringen, en dit is ten koste gegaan van zijn positie als een eisende, strijdbare vakbeweging, als de bezieler van een sociale omwenteling’ (p. 338).

Rik Hemmerijckx heeft de geschiedenis van de vakbonden tussen 1945 en 1948 heel nauwkeurig gevolgd. Veel aspecten blijven in mijn samenvatting onaangeroerd. Voor een lezer die minder bekend is met de vakbondswereld zal het trouwens af en toe zelfs te veel zijn. Toch is het belangrijk genoeg om die geschiedenis te bewaren. Een aantal discussies die vandaag nog steeds gevoerd worden hebben in die periode hun oorsprong.

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 1 (januari), pagina 47 tot 49