Log in

'De nieuwe sociale kwesties'

Uitgelezen

De nieuwe sociale kwesties

Bea Cantillon, Mark Elchardus, Pierre Pestieau, Philippe Van Parijs e.a.
Garant, Antwerpen-Apeldoorn, 2003

De nieuwe sociale kwesties is de resultante van 5 jaar gedachtewisselingen over de toekomst van de verzorgingsstaat in het kader van het IUAP-project ‘The new social question’ onder leiding van Bea Cantillon (UFSIA), Mark Elchardus (VUB), Pierre Pestieau (ULg) en Philippe Van Parijs (UCL).
Het is een boek waar heel wat mensen aan gewerkt hebben, want naast de vier genoemden zijn er nog tien auteurs te vermelden.

Daardoor is het boek een bundeling geworden van op zichzelf staande teksten. Elk hoofdstuk kan apart gelezen worden, maar de 9 hoofdstukken hebben wel een gemeenschappelijke leidraad en de slotconclusie van Bea Cantillon zorgt voor de ultieme convergentie.
Alle auteurs vertrekken van het gegeven dat onze sociale zekerheid werd opgebouwd om een antwoord te geven op de toenmalige sociale risico’s (ziekte, werkloosheid, ouderdom) die we vandaag ‘oude’ sociale risico’s noemen. Dat mag niet doen vergeten dat die risico’s vandaag nog steeds heel belangrijk zijn en dat ook zullen blijven. Maar de term ‘oud’ wordt gebruikt om aan te geven dat er vandaag een aantal risico’s zijn bijgekomen, de ‘nieuwe’ sociale risico’s (langdurige zorgbehoevendheid met hoge onkosten, economische marginalisering van laaggeschoolden,…), waarop onze welvaartsstaat een veel minder afdoend antwoord weet te geven.

De nieuwe risico’s komen voort uit een aantal veranderingen op demografisch en sociaaleconomisch vlak: de economische globalisering, de overgang naar een kenniseconomie, de grotere participatie van vrouwen op de arbeidsmarkt, de tendens tot een steeds grotere individuele responsabilisering, … en het lijkt erop dat die veranderingen de oorspronkelijke uitgangspunten waarop onze welvaartsstaat steunt, hebben aangetast.
Welke zijn die oorspronkelijke uitgangspunten of basishypothesen?
Er is in de eerste plaats de zelfredzaamheidshypothese: elke arbeidsgeschikte kan op eigen kracht voor de bestaanszekerheid van zijn gezin zorgen.

Er is de monetaire hypothese: door inkomensherverdeling zullen de sociale ongelijkheden verdwijnen. Vervolgens is er de zorghypothese: er zijn voldoende werkende mannen om de pensioenen te betalen en niet-werkende vrouwen om te zorgen voor ouderen, kinderen en zieken. En ten slotte is er de natiestaathypothese: de sociale correcties op de markt kunnen georganiseerd worden in het kader van de natiestaat.

De auteurs brengen bij de behandeling van de nieuwe sociale problemen heel wat materiaal aan om de houdbaarheid van de vier basishypothesen inderdaad in vraag te stellen. Zij doen dat elk op hun domein, op hun vakgebied waarop ze zich in de loop van de jaren hebben gespecialiseerd. Dat maakt dat het ene hoofdstuk wat meer economisch, het andere wat meer sociaal en een derde wat meer politiek van inslag is.

‘Het gaat dus in feite om een wetenschappelijk vorderingsverslag, dat de balans opmaakt van getoetste kennis en tevens een lijst van nog te verrichten werk aanlegt’, stellen Mark Elchardus en Koen Pelleriaux terecht (p 63).

Daardoor zal de lezer die voldoende vertrouwd is met de behandelde problemen, heel veel herkenningspunten ontwaren. Maar verrassingen zijn niet uitgesloten. De linguïstische invalshoek van Philippe Van Parijs bijvoorbeeld leidt tot heel interessante hypothesen.
Vertrekkend van de vaststelling dat het Engels de lingua franca van de wereld wordt (of reeds is), ziet hij de Engelstalige landen een enorme aantrekkingskracht uitoefenen op geschoolde talenten. Anderstalige landen die deze brain drain willen stoppen, zien zich daardoor voor het dilemma geplaatst: of ze geven de bescherming van hun eigen taal op en laten het gebruik van de lingua franca op hun eigen grondgebied stelselmatig toenemen of ze beschermen hun taal maar houden hun hogergeschoolden in eigen land met toenemende fiscale voordelen die de financiering van hun sociaal stelsel in gevaar dreigen te brengen. Een interessant vraagstuk dat we hier te gesimplifieerd weergeven, maar waarvan de lezing zeer aan te bevelen valt.

Toch nog iets over het fragmentair karakter van het boek. Vermits alle auteurs een facet, een nieuw sociaal probleem vanuit hun wetenschappelijke invalshoek hebben belicht, is dit boek niet de encyclopedie van de nieuwe sociale kwesties geworden. Wie volledigheid zoekt, zal die niet vinden. Of zoals Bea Cantillon het stelt: ‘Het geheel geeft op exemplarische wijze een overzicht van het denken in onderscheiden wetenschapsdisciplines (sociologie, economie, ethiek) over de actuele problemen van de verzorgingsstaat’ (p. 209).

Maar dat ‘tekort’ wordt ruimschoots gecompenseerd door de veelheid aan inzichten. Vaak nuanceert de ene auteur de andere en dat illustreert vooral hoe complex de probleemstelling wel is, hoe veelomvattend de problemen en hoe gewaagd het trekken van conclusies. Wat te denken van de volgende passages bijvoorbeeld?

‘Personen met weinig (formele) kwalificaties falen in toenemende mate om economische zelfstandigheid en financiële bestaanszekerheid op te bouwen door middel van marktarbeid’ stelt Lieve De Lathouwer (p. 180), daar waar Ive Marx en Liv Passot met dezelfde cijfergegevens in de hand besluiten: ‘De empirie, zoals die nu voorligt, biedt te weinig basis om vandaag met enige stelligheid te mogen gewagen van een groeiend probleem van ‘economische overbodigheid’ van lagergeschoolden in de post-industriële economieën’ (p 59).
Het boek bevat - en daar speelt de gefragmenteerde aanpak zeker een rol in - zowel goed nieuws, als slecht nieuws. Het slechte nieuws is dat er wel heel dringende problemen zijn, zoals de betaalbaarheid van de pensioenen, die onmiddellijke actie, in concreto een verhoging van de feitelijke pensioenleeftijd vereisen. Geen groot nieuws natuurlijk, maar de leeftijdscurve noopt tot een politiek optreden op korte termijn.

Maar er is ook goed nieuws. Buitenlandse voorbeelden en de recente evolutie in eigen land tonen aan dat onze welvaartsstaat een heel robuust gebouw is dat met de nodige accurate verbouwingen best de sociale problemen van de post-industriële samenleving aankan. De zorgverzekering bijvoorbeeld kan als een dergelijke geslaagde verbouwing worden vermeld.
Kortom: als de vaklui aan de slag kunnen gaan, is er geen reden tot paniek, maar we mogen wel niet dralen.

Tot besluit: De nieuwe sociale kwesties zal geen bestseller worden, maar is een uitstekend, veelzijdig boek waarvan we mogen hopen dat het door heel wat politiek en sociaal geïnteresseerden zal gelezen worden. Maar mag men van al die mensen verwachten dat zij statistisch onderlegd zijn? Een ietsje minder gegoochel met statistische termen en symbolen in de tekst (en het uitgesproken statistisch deel als bijlage toevoegen bijvoorbeeld), zou de leesbaarheid van sommige passages voor niet-wetenschappers zeker verhogen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 55 tot 56