Log in

Het Vlaams Blok straks veroordeeld wegens aanzet tot racisme? En dan?

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 12

Met spanning wordt uitgekeken naar de afloop van het proces tegen de Vlaams Blok-vzw’s wegens inbreuk op de antiracismewet. Nu het Hof van Cassatie de zaak heeft doorverwezen naar het hof van beroep te Gent en de feiten uitdrukkelijk niet als een politiek misdrijf zijn te beschouwen, kan eindelijk een uitspraak worden verwacht over de grond van de zaak: heeft het Vlaams Blok kennelijk en herhaaldelijk discriminatie en segregatie (rassenscheiding) verkondigd en aangezet tot vreemdelingenhaat? Alvast dringt zich ook de vraag op welke directe en indirecte gevolgen een veroordeling van de drie vzw’s kan hebben.

Inbreuken op de antiracismewet, drukpersmisdrijven en het hof van assisen

In België is sedert de antiracismewet van 30 juli 1981 (de zogenaamde wet ‘Moureaux’ naar de toenmalige minister van justitie) het aanzetten tot racisme en vreemdelingenhaat strafbaar. De bestraffing van dit soort uitingen in brochures, tijdschriften, via affiches of verkiezingspropaganda was tot voor kort evenwel onbestaande. De reden hiervoor is dat publicaties die aanzetten tot racisme, discriminatie of vreemdelingenhaat als drukpersmisdrijven moesten voorgelegd worden aan het hof van assisen. Artikel 150 van de Grondwet onttrekt immers de drukpersmisdrijven, samen met de misdaden en politieke misdrijven, aan de bevoegdheid van de correctionele rechtbanken. In de praktijk zorgde deze bevoegdheid van het hof van assisen voor een al te hoge drempel waardoor het opstarten van een procedure voor het assisenhof voor drukpersmisdrijven de facto in onbruik is geraakt. Racistische uitingen via gedrukte publicaties konden daarom, net als alle andere drukpersmisdrijven, genieten van een feitelijke strafrechtelijke immuniteit. Dit kon de indruk wekken dat een bepaalde soort publicaties inhoudelijk niet strijdig was met de antiracismewet, hoewel de reden hiervoor dus niet te vinden was in de niet-strafbare inhoud van de publicatie maar eerder in formele, procedurele redenen.
Dat verklaart meteen ook waarom het Vlaams Blok en bepaalde kopstukken van deze partij, in het verleden nooit zijn veroordeeld wegens aanzet tot racisme of vreemdelingenhaat: eerdere rechtszaken liepen vast op het dode spoor van de assisenprocedure. De correctionele rechtbank te Brussel bijvoorbeeld achtte zich in een vonnis van 6 september 1994 onbevoegd om uitspraak te doen over het racistisch karakter van een aantal publicaties van het Vlaams Blok. De rechtbank was van oordeel dat het om drukpersmisdrijven ging ‘die tot de uitsluitende bevoegdheid behoren van het hof van assisen.’
Dat het Vlaams Blok en zijn mandatarissen weinig hinder ondervonden van de antiracismewet heeft ook nog andere redenen. Mondelinge uitingen van aanzet tot racisme of vreemdelingenhaat door mandatarissen van het Vlaams Blok waren dan wel geen drukpersmisdrijven en konden dus in principe voor de correctionele rechtbank worden vervolgd, maar de parlementaire onschendbaarheid van de Vlaams-Blokpolitici bemoeilijkt dit. Overigens kan ook nog de eveneens grondwettelijk gewaarborgde parlementaire onverantwoordelijkheid in stelling worden gebracht, volgens dewelke strafvervolging tegen parlementairen niet mogelijk is ‘naar aanleiding van een mening of een stem, uitgebracht in de uitoefening van hun functie’ (art. 58 Grondwet). Een procedure voeren tegen het Vlaams Blok als politieke partij was al even problematisch, omdat de partij zelf geen rechtspersoonlijkheid bezit.
De opmerkelijke vaststelling was dat het via een politieke partij, georganiseerd en systematisch aanzetten tot racisme en vreemdelingenhaat door middel van tijdschriftartikels, pamfletten en brochures schijnbaar kon rekenen op een feitelijke straffeloosheid, terwijl in een aantal strafzaken individuele personen wél werden veroordeeld wegens inbreuk op de antiracismewet naar aanleiding van het incidenteel, mondeling uiten van een racistische belediging.

Racistische drukpersmisdrijven sedert 1999 niet langer voor het hof van assisen

Mede onder internationale druk en op aandringen van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding (CGKR) is geprobeerd om een einde te maken aan deze feitelijke straffeloosheid van het aanzetten tot racisme of vreemdelingenhaat. Met de grondwetswijziging van 7 mei 1999 is namelijk de problematische proceduredrempel weggenomen inzake racistische persmisdrijven. Artikel 150 van de Belgische Grondwet bepaalt voortaan: ’De jury wordt ingesteld voor alle criminele zaken, alsmede voor politieke misdrijven en drukpersmisdrijven, behoudens voor drukpersmisdrijven die door racisme en xenofobie zijn ingegeven.’ Het aanzetten tot racisme of vreemdelingenhaat via de persmedia kan nu wel aanleiding geven tot effectieve vervolging voor de correctionele rechtbank.
Dit betekent niet dat deze grondwetswijziging de poort onbeperkt heeft opengezet voor de vervolging van allerlei publicaties en uitingen via de media die een eng-nationalistisch of extreemrechts discours bevatten of een muffe ‘eigen volk eerst’-ideologie propageren. Enkel het (bewust) aanzetten tot discriminatie, racisme en vreemdelingenhaat is strafbaar en kan voortaan effectief tot sanctionering aanleiding geven.

Wat stelt de antiracismewet nu precies strafbaar?

In essentie stelt de antiracismewet van 30 juli 1981 drie soorten van gedrag strafbaar in verband met uitingen van racisme en discriminatie.
· Het in het openbaar aanzetten tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep of een gemeenschap of de leden ervan, wegens het zogenaamd ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming van deze persoon of van (de leden van) deze groep of gemeenschap;
· Het in het openbaar publiciteit geven aan een voornemen tot discriminatie, haat of geweld jegens een persoon, een groep of een gemeenschap of de leden ervan, wegens het zogenaamd ras, de huidskleur, de afkomst of de nationale of etnische afstamming van deze persoon of van (de leden) van deze groep of gemeenschap;
· Strafbaar is ook het lidmaatschap van of de medewerking aan een groep of vereniging die in het openbaar, kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt of bedrijft

Onder discriminatie verstaat de wet ‘elke vorm van onderscheid, uitsluiting, beperking of voorkeur, die tot doel heeft of ten gevolge heeft of kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt tenietgedaan, aangetast of beperkt.’ Ook elke ‘handelswijze die erin bestaat om het even wie opdracht te geven tot discriminatie jegens een persoon, een groep, een gemeenschap of de leden ervan’ wordt beschouwd als een discriminatie in de zin van de wet van 30 juli 1981.
Tegen drie vzw’s werd enige jaren geleden een procedure op gang gebracht, op verdenking van strafbare medewerking aan het Vlaams Blok, waarvan wordt aangevoerd dat deze partij in het openbaar, kennelijk en herhaaldelijk discriminatie of segregatie verkondigt en aanzet tot vreemdelingenhaat. Het betreft meer bepaald de vzw Vlaamse Concentratie, de vzw Nationalistisch Vormingsinstituut en de vzw Nationale Omroep Stichting, drie vzw’s die nauw verbonden zijn met de financiering en de werking van het Vlaams Blok. De rechtszaak tegen de drie vzw’s is in gang gezet, niet na vaststellingen van strafbare feiten door de politie of het openbaar ministerie, maar na klacht door het CGKR en de Liga voor Mensenrechten. Een bijzonder kenmerk van de antiracismewet is immers dat de strafvervolging ook kan worden in gang gezet door instellingen van openbaar nut en verenigingen die zich statutair tot doel hebben gesteld de mensenrechten te verdedigen of discriminatie te bestrijden en minstens vijf jaar rechtspersoonlijkheid bezitten. Dit verklaart waarom een vereniging als de Liga voor Mensenrechten in rechte kan optreden door het indienen van klacht, rechtstreekse dagvaarding of burgerlijke partijstelling. Sedert de wet van 15 februari 1993 bezit ook het CGKR deze bevoegdheid.
Het CGKR en de Liga verwijzen in hun dagvaarding uitgebreid naar passages uit boeken, brochures, pamfletten, tijdschriften en congresteksten van het Vlaams Blok, passages waarin wordt aangezet tot discriminatie zoals bedoeld in de antiracismewet. Het gaat om discriminaties in verband met sociale zekerheid, tewerkstelling, huisvesting, onderwijs, verblijf en uitzetting, discriminaties telkens op basis van afkomst of nationaliteit. Aan de correctionele rechtbank werd gevraagd om het strafbaar karakter van deze publicaties en teksten, die vooral dateren uit de periode 1996-2000, vast te stellen en de vzw’s te veroordelen wegens hun medewerking aan een politieke partij die dus inbreuk pleegt op de antiracismewet. Meteen werd deze zaak een belangrijke test voor de strafvervolging van drukpersmisdrijven die door racisme of vreemdelingenhaat zijn ingegeven.

Politiek misdrijf?

Algauw is gebleken dat er nog een angel verborgen zat in de ‘correctionalisering’ van de racistische drukpersmisdrijven. Door de grondwetswijziging in 1999 waren voortaan wel de drukpersmisdrijven onttrokken aan de rechtsmacht van het hof van assisen, maar de politieke misdrijven waren blijven behoren tot de bevoegdheid van de volksjury, inclusief de politieke misdrijven die zijn ingegeven door racisme of xenofobie.
In eerste instantie leken de rechtscolleges die de zaak CGKR/Liga tegen de Vlaams Blok-vzw’s voorgelegd kregen niet echt bereid om een antwoord te zoeken op de moeilijke vraag of sprake was van de strafbare medewerking door de drie vzw’s aan een vereniging die kennelijk en herhaaldelijk discriminatie en segregatie verkondigt. Zowel de correctionele rechtbank in een vonnis van 29 juni 2001 als het hof van beroep in een al even omstreden arrest van 26 februari 2003 hebben zich namelijk onbevoegd verklaard en hebben daarmee de zaak van zich weggeschoven als betrof het een wel erg hete aardappel. Zowel rechtbank als hof van beroep waren van oordeel dat de ten laste gelegde feiten als politiek misdrijf te beschouwen waren. Essentieel is dat de vereniging van wie aangevoerd wordt dat deze in het openbaar, kennelijk en herhaaldelijk discriminatie heeft verkondigd, nl. het Vlaams Blok, een politieke partij is. In casu is volgens het arrest sprake van een politiek misdrijf ‘omdat derhalve het (onder meer omwille van bepaalde activiteiten van de politieke partij) misdadig behoren (zelf) tot een politieke partij wordt ten laste gelegd, misdadig behoren dat (uiteraard) rechtstreeks afbreuk doet aan de politieke instellingen.’ Zeer helder is het niet geformuleerd, de krant De Standaard schreef het arrest een hoog ‘Orakel van Delphi’-gehalte toe, maar het kwam erop neer dat het bestaan en de werking van politieke partijen cruciaal is voor de instellingen van het land, ‘onder meer omwille van de essentiële rol van deze partijen om het behoorlijk functioneren van de democratie te verzekeren.’ Omdat de zaak dus in essentie over een politiek misdrijf ging, moest deze voorgelegd worden aan de volksjury van het assisenhof. En daarom achtten respectievelijk de rechtbank en het hof van beroep te Brussel zich in deze zaak onbevoegd.

Hof van Cassatie maakt juridisch brandhout van kwalificatie politiek misdrijf

Het arrest van het Hof van Cassatie van 18 november 2003 heeft deze al te ruime interpretatie van de kwalificatie politiek misdrijf evenwel gecorrigeerd, geheel in aansluiting trouwens op vroegere cassatierechtspraak. Volgens het Hof van Cassatie kan onder een politiek misdrijf enkel worden verstaan, het misdrijf dat door zijn aard ‘zelf noodzakelijk bestaat in een rechtstreekse aantasting van de politieke instellingen in hun bestaan, hun inrichting of hun werking, hetzij indien het gepleegd wordt met het oogmerk om zulke aantasting op de politieke instellingen te plegen en het feit, gelet op de bijzondere omstandigheden waaronder het gepleegd wordt, rechtstreeks zulke aantasting tot gevolg heeft of kan hebben.’ Volgens het Hof van Cassatie omvatten deze politieke instellingen onder meer de staatsvorm, de parlementen, het gezag en de grondwettelijke prerogatieven van de Koning, de volgorde van de troonopvolging, de machtsuitoefening van de minister en de politieke rechten van de burgers. Een politieke partij is zelf geen politieke instelling, al kan ze een medium zijn voor de werking van de politieke instellingen. Het feit dat een politieke partij slechts kan voortbestaan mits het plegen van een bepaald strafbaar feit, namelijk het aanzetten tot discriminatie of segregatie, maakt volgens het Hof van Cassatie nog niet dat men daarom te doen heeft met een politiek misdrijf. Met het arrest van 18 november 2003 is de zaak doorverwezen naar het hof van beroep te Gent.
Ook in enkele andere gevallen is de rechtspraak niet bereid gevonden bepaalde publicaties met een racistische inhoud, uitgaande van een politieke partij, als politiek misdrijf aan te merken. In een vonnis van 23 april 2002 heeft de correctionele rechtbank te Brugge geen toepassing gemaakt van de kwalificatie van politiek misdrijf, hoewel de beklaagden dit aanvoerden. In casu ging het om de publicatie van bepaalde advertenties in een weekblad en een pamflet dat uitging van een nieuw opgerichte politieke partij in Oostende (‘Burger’) die haar oorsprong vond in het zogenaamde Burgerinitiatief dat protesteerde tegen een gepland opvangcentrum in Oostende. Geen politiek misdrijf volgens de rechtbank, een zienswijze die ook is bijgetreden in het arrest van het hof van beroep te Gent van 30 september 2003, arrest dat de veroordeling in toepasssing van de antiracismewet bevestigde.
In een (tussen)vonnis van 4 juni 2003 van de correctionele rechtbank te Brussel is het verweer op basis van de kwalificatie van de feiten als politiek misdrijf eveneens afgewezen. De klacht is gericht tegen de voorzitter van de partij, Daniel Feret en tegen de vzw Front National - Nationaal Front en betreft een aantal pamfletten en het programma van het Front National, waarin volgens het CGKR wordt aangezet tot haat tegenover niet-Europese vreemdelingen. In het vonnis van 4 juni 2003 is beklemtoond dat aan de notie politiek misdrijf een enge interpretatie moet worden gegeven en de ten laste gelegde feiten als drukpersmisdrijven door de correctionele rechtbank in toepassing van artikel 150 van de Grondwet moeten worden getoetst aan de antiracismewet.
In de zaak van het CGKR en de Liga tegen de drie vzw’s van het Vlaams Blok gaat het dus niet om een politiek misdrijf, zo is nu gebleken. Het Gentse hof van beroep zal hierin (allicht) het Hof van Cassatie volgen zodat nu eindelijk, na jarenlang procederen, een uitspraak kan worden verwacht over de grond van de zaak: heeft het Vlaams Blok aangezet tot discriminatie en vreemdelingenhaat? En volgt hieruit dat de vzw’s strafbaar zijn wegens hun medewerking aan het Vlaams Blok?

Wat zijn de gevolgen van een veroordeling wegens inbreuk op de antiracismewet?

In geval van veroordeling dreigt de antiracismewet met correctionele geldboetes tot 5.000 euro of mogelijke gevangenisstraffen van een maand tot een jaar. Personen die worden veroordeeld riskeren daarbovenop ook nog eens de veroordeling tot de ontzetting van de uitoefening van de rechten overeenkomstig artikel 33 van het Strafwetboek, waaronder het recht om openbare ambten te vervullen en het recht om verkozen te worden. In de zaak van het CGKR/Liga tegen de Vlaams Blok-vzw’s is de inzet (beperkt tot) de veroordeling van de vzw’s tot een correctionele geldboete en tot een forse schadevergoeding aan het CGKR en de Liga voor Mensenrechten.
Een veroordeling van de vzw’s, maar dus vooral de vaststelling dat het Vlaams Blok kennelijk en herhaaldelijk heeft aangezet tot discriminatie of segregatie, kan ook aanleiding geven tot toepassing van artikel 3 § 1 van de zgn. Cultuurpactwet van 17 juli 1973 dat het mogelijk maakt een aantal participatierechten van politieke, ideologische of filosofische organisaties of verenigingen te ontnemen. Een veroordeling wegens inbreuk op de antiracismewet kan immers impliceren dat het Vlaams Blok ‘de principes en de regels van de democratie’ niet aanvaardt of naleeft zoals artikel 3 § 1 van de Cultuurpactwet dat vereist. In dit geval kan het Vlaams Blok niet langer aanspraak maken op bepaalde participatierechten, zoals bijvoorbeeld het lidmaatschap in de Raad van Bestuur van de openbare omroep VRT (art. 19 Cultuurpactwet) of de toegang tot VRT-zendtijd in aanloop naar de verkiezingen (art. 18 Cultuurpactwet). Toepassing makend van artikel 3 § 1 van de Cultuurpactwet weigerde de RTBF eerder al politieke zendtijd toe te kennen aan enkele extreemrechtse partijen in Wallonië.
Een veroordeling in toepassing van de antiracismewet kan nog verderstrekkende gevolgen hebben en als basis dienen voor toepassing van artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 betreffende de verkiezingspropaganda en de financiering van de politieke partijen. Artikel 15ter van de wet van 4 juli 1989 bepaalt dat indien een politieke partij door eigen toedoen of door toedoen van haar componenten, lijsten, kandidaten of gekozenen, duidelijk en door middel van verscheidene, met elkaar overeenstemmende tekenen, aantoont dat ze vijandig staat tegenover de rechten en vrijheden gewaarborgd door het Europees Mensenrechtenverdrag (EVRM) haar dotatie ingetrokken kan zien voor een periode van drie maand tot een jaar. Daartoe is een beslissing nodig van de algemene vergadering van de afdeling administratie van de Raad van State, op klacht van ten minste een derde van de leden van de Controlecommissie in het kader van de wet op de verkiezingspropaganda en de partijfinanciering. Dit artikel 15ter werd begin 1999 in de wet ingeschreven en door het Vlaams Blok onmiddellijk aangevochten bij het Arbitragehof. In een arrest van 7 februari 2001 liet het Arbitragehof deze zogenaamde ‘droogleggingswet’ overeind, wel benadrukkend dat het schorsen van de partijfinanciering enkel mogelijk is ingeval van aangetoonde vijandigheid tegenover en aanzetting tot schending van EVRM-grondrechten, onder meer het aanzetten tot het plegen van geweld.
Hoewel dit artikel 15ter reeds dateert van 1999, blijft het wachten op de uitvoeringsmodaliteiten alvorens effectief toepassing kan gemaakt worden van deze bepaling. In het voorjaar van 2004 is ervoor geopteerd om artikel 15ter aan te passen, maar het blijft wachten op de afkondiging bij koninklijk besluit van de bijzondere regels inzake de termijnen en procedure voor de behandeling van de zaken die in toepassing van artikel 15ter aan de Raad van State worden voorgelegd.
Hoe dan ook is het nog maar de vraag of de Controlecommissie inzake de partijfinanciering en de verkiezingspropaganda én vervolgens de Raad van State de (eventuele) veroordeling van de vzw’s wegens inbreuk op de antiracismewet en de daarmee gepaard gaande vaststelling dat het Vlaams Blok discriminatie en segregatie heeft verkondigd en mogelijks heeft aangezet tot vreemdelingenhaat, ooit zullen aanmerken als een voldoende duidelijk teken dat het Vlaams Blok vijandig staat tegenover bepaalde rechten en vrijheden van het EVRM of de protocollen bij dit Verdrag. Indien de Raad van State tot dit oordeel zou komen, kan beslist worden om de overheidsfinanciering aan het Blok tijdelijk te schorsen. Tegen het arrest van de Raad van State kan overigens ook nog een voorziening in cassatie worden ingesteld bij het Hof van Cassatie. Er zijn dus nog heel wat stappen te nemen alvorens eventueel de overheidsfinanciering van het Vlaams Blok in gevaar komt naar aanleiding van een veroordeling wegens inbreuk op de antiracismewet door de drie genoemde vzw’s. De vaststelling van inbreuk op de antiracismewet is overigens één zaak, de beoordeling of het Vlaams Blok vijandig staat tegenover de EVRM-grondrechten betreft een heel andere juridische vraagstelling. En hoe dan ook veronderstelt dit nog vooraf enkele uitvoeringsbesluiten en noodzakelijke procedurestappen. Zelfs indien de Raad van State, op basis van of rekening houdend met het arrest van het hof van beroep te Gent, tot de conclusie zou komen dat het Vlaams Blok vijandig staat tegenover de EVRM-grondrechten zoals bedoeld in art. 15ter, dan nog is de enige sanctie die wettelijk mogelijk is een tijdelijke schorsing van de dotatie, voor een periode die niet korter mag zijn dan drie maanden noch langer dan één jaar. Van een partijverbod is hoe dan ook geen sprake.

Wanneer is er een inbreuk op de antiracismewet?

Of het tot een strafrechtelijke veroordeling komt van de drie vzw’s is overigens nog een open vraag. De toepassingsmogelijkheden van de antiracismewet hangen namelijk in sterke mate af van de invulling van begrippen als ‘aanzet tot discriminatie, segregatie, haat of geweld’, en ‘voornemen tot discriminatie, haat, geweld of segregatie.’ De uiteindelijke invulling van deze begrippen en het daaraan verbonden strafbaar karakter gebeurt ultiem bij de interpretatie door de rechter. De nadruk moet hierbij worden gelegd op het feit dat men in deze materie met strafrecht te maken heeft, wat betekent dat het strafbaar gedrag eng moet worden geïnterpreteerd. Aangezien het de strafbaarstelling van de uitoefening van een fundamenteel grondrecht betreft, te weten de expressievrijheid, is bijgevolg een grote mate van omzichtigheid vereist. Een bijkomend element is dat de expressievrijheid van politieke kritiek, het publieke debat en de maatschappelijke polemiek betreffende actuele politieke controverses een bijzonder hoge beschermingsgraad genieten volgens de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te Straatsburg. Alvorens repressief op te treden wegens inbreuk op de antiracismewet moet men dus rekening houden met het basisprincipe van de vrijheid van (politieke) meningsuiting zoals o.m. verregaand gewaarborgd door artikel 10 EVRM. Niet wat als politiek incorrect wordt beschouwd kan het voorwerp zijn van strafrechtelijke vervolgingen. Enkel die uitingen die daadwerkelijk in strijd zijn met de antiracismewet kunnen in aanmerking komen voor correctionele bestraffing.

Zijn er precedenten van veroordelingen wegens aanzet tot racisme en vreemdelingenhaat?

Een duidelijk voorbeeld dat de antiracismewet effectief kan worden toegepast betreft de veroordeling in de zaak Elbers in 1999. De correctionele rechtbank te Brussel tilde zwaar aan de feiten en veroordeelde de verdachte voorwaardelijk tot 6 maand gevangenisstraf en een geldboete van 100.000 frank met daarbovenop een schadevergoeding van 100.000 frank te betalen aan de burgerlijke partij, het CGKR. Aanleiding tot de vervolging en reden van de veroordeling waren een aantal teksten met racistische inhoud die via internet waren verspreid en via een nieuwsgroep konden geconsulteerd worden. De Brusselse rechtbank maakt duidelijk dat de straffeloosheid van racistische drukpersmisdrijven tot het verleden behoort. De rechtbank is van oordeel dat de gewraakte tekst op internet ‘indique la volonté publique de l’intéressé de rejeter toute intégration interraciale dans notre société.’ Volgens het vonnis is er sprake van het aanzetten tot discriminatie, segregatie, haat en geweld ‘à l’égard de la communauté marocaine en Belgique ainsi qu’à l’égard de la communauté africaine.’ Het hof van beroep te Brussel heeft in een arrest van 27 juni 2000 dit vonnis in grote lijnen bevestigd.
Op 4 februari 2002 veroordeelde de correctionele rechtbank te Antwerpen een gemeenteraadslid van het Vlaams Blok. Tijdens de installatie van de nieuwe gemeenteraad in Boom had deze de Hitlergroet gebracht. Volgens het vonnis is ‘de Hitlergroet onbetwistbaar verbonden met een fascistisch regime dat uitgaande van een vermeende suprematie van het ene ras boven het andere overging tot het plegen van allerlei misdaden waaronder genocide. Het uitbrengen van de Hitlergroet kan niet op een andere manier geïnterpreteerd worden dan een verwijzing naar deze praktijken waardoor wordt aangezet tot discriminatie, haat, geweld en rassenscheiding jegens een groep wegens zijn ras, huidskleur, afstamming of nationaliteit.’
Een vonnis van de correctionele rechtbank te Brugge van 23 april 2002 veroordeelde de auteurs van een pamflet dat in scherpe bewoordingen opkwam tegen de inplanting van een transitcentrum voor asielzoekers in Oostende. Naar het oordeel van de rechtbank was de grens van het wettelijk toelaatbare overschreden, onder meer door de inwoners van het transitcentrum te bestempelen als ‘vreemde criminelen die hun land ontvlucht zijn.’ In beroep werd deze uitspraak door het hof van beroep te Gent bevestigd: ‘Door illegalen op willekeurige wijze te bestempelen als vreemde criminelen, hebben de beklaagden de bewoners van het Westerkwartier te Oostende aangezet tot haat en hebben zij bewust een onveiligheidsgevoel en aversie willen creëren, enkel afgaand op het feit dat de mensen die in het opvangcentrum zouden verblijven niet tot de Belgische bevolking behoorden.’

De antiracismewet: eerder symbool dan effectief strijdmiddel tegen racisme?

In de zaak van het CGKR/Liga tegen de drie Vlaams Blok-vzw’s zal ook het hof van beroep te Gent slechts tot bestraffing overgaan wanneer duidelijk kan worden afgeleid uit de voorgelegde documenten, publicaties en brochures dat bepaalde uitingen kunnen worden aangemerkt als aanzet tot racisme, discriminatie of vreemdelingenhaat.
Met de antiracismewet kunnen geen impliciete of verdoken vormen van racistisch gedachtegoed worden gestraft: een subtiel racistisch discours zal maar moeilijk via de antiracismewet kunnen gesanctioneerd worden. De repressieve aanpak van racistische publicaties waarvoor nu is gekozen kan overigens als (ongewenst) neveneffect hebben dat de in essentie discriminerende, racistische boodschap van het Vlaams Blok steeds minder herkenbaar, want meer impliciet zal worden geformuleerd. Het openlijk racisme en het aanzetten tot vreemdelingenhaat wordt dus gecamoufleerd, waardoor in essentie antidemocratische denkbeelden en beleidsopties uiteindelijk meer aanvaardbaar (salonfähig) worden geformuleerd of verpakt.
Hoe dan ook moeten de Belgische rechtscolleges die de beoordeling voorgelegd krijgen van publicaties en teksten die racisme of segregatie verkondigen, de wet toepassen en bewijzen dat de antiracismewetgeving effectief één van de instrumenten is om de manifeste negatie van het respect voor de mensenrechten, alert en kordaat te beteugelen. De maatschappelijke en politieke ontwikkelingen hebben, ook in Vlaanderen, een zodanige stroomversnelling gekend dat hoogdringend een duidelijk signaal moet worden gegeven dat racisme en vreemdelingenhaat in een democratische samenleving niet kunnen getolereerd worden. Enkele recente rechterlijke uitspraken hebben alvast duidelijk gemaakt dat de Belgische antiracismewetgeving voortaan effectief tot bestraffing kan leiden van via de gedrukte media, brochures, pamfletten of via internet openbaar gemaakte boodschappen die aanzetten tot discriminatie, racisme of vreemdelingenhaat.
Bovendien moet een antwoord worden gezocht op de onlangs geformuleerde kritiek door de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI). In een rapport dat op 27 januari 2004 werd openbaar gemaakt wordt er door het ECRI op aangedrongen dat in België op effectieve wijze werk zou worden gemaakt van de bestrijding van racistische uitingen. Het ECRI dringt vooral aan op maatregelen tegen ‘politieke partijen die racistische of xenofobe propaganda voeren’, een kwestie die het ECRI ‘veel zorgen blijft baren.’ Het ECRI vraagt ook dat ‘doortastender zou worden opgetreden tegen de hantering van racistische en xenofobe uitspraken in de politiek.’ In de slotaanbevelingen geeft het ECRI nog mee dat de Belgische autoriteiten er beter moeten op toezien ‘dat alle plegers van daden die ingegeven zijn door racisme en xenofobie, waaronder de verspreiding van racistische en xenofobe documenten, vervolgd zouden worden, evenals de politieke partijen en de organisaties die eraan verbonden zijn.’
Van de toepassing van de antiracismewet mag evenwel niet verwacht worden dat deze in staat is op zichzelf een nefast sociaal-politiek fenomeen te bestrijden: ‘En réprimant les discriminations les plus manifestes, la loi pénale participe à la prise de conscience et à l’évolution des mentalités, mais elle n’est pas un moyen massif d’intervention contre un fait social’ (J. Costa-Lascoux). De politiek, het beleid blijft de komende maanden en jaren een verpletterende verantwoordelijkheid dragen om het samenleven in een multiculturele gemeenschap te bevorderen en aan de verschillende sociale groepen in de samenleving meer kansengelijkheid te waarborgen. De veroordeling van de Vlaams Blok-vzw’s mag in dat perspectief slechts een symboolwaarde hebben. Maar sinds enkele weken weten we in Vlaanderen meer dan ooit welke waarde symbolen kunnen hebben.

Dirk Voorhoof
Hoogleraar Universiteit Gent

Beknopte bibliografie
- A. Backs, S. Gutwirth, K. Leus en S. Baeten(eds.) (2001), De Gordiaanse knoop van de antidemocratische partijen. De wet als tweesnijdend zwaard?, Gent, Mys & Breesch.
- E. Brems (2002), ‘Politiek misdrijf en racisme’, Driemaandelijks tijdschrift van de Stichting Auschwitz, 2002/76-77, 31-57.
- J. Costa-Lascoux (1991), ‘Des lois contre le racisme’, in P.-A. Taguieff, Face au racisme 2. Analyses, hypothèses, perspectives, Parijs, Découverte.
- H. Dumont, P. Mandoux, A. Strowel en F. Tulkens (eds.) (2000), Pas de liberté pour les ennemis de la liberté ? Groupements liberticides et droit, Brussel, Bruylant.
- Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid - ECRI (2004), Derde rapport over België, Straatsburg, Raad van Europa, CRI (2004).
- G.A.I. Schuijt en D. Voorhoof (eds.) (1995), Vrijheid van meningsuiting, racisme en revisionisme, Gent, Academia Press.
- B. Van Den Broeck (1996), ‘De democratische staat en de antidemocratische partijen’, Samenleving en politiek 1999/6, 3-13.
- D. Voorhoof (2003), Handboek Mediarecht, Brussel, Larcier (Hoofdstuk 4: Vrijheid van meningsuiting en de bestraffing van aanzet tot racisme en van negationisme, 81-107).
- L. Walckiers (ed.) (2001), Racisme. Oude kwaal, nieuwe remedies, Noord-zuid cahier, 2001/1, 57-71.

Zie ook de website van het Centrum voor Gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, www.anti-racisme.be, de website van de Liga voor Mensenrechten, www.mensenrechten.be en de website van de auteur van deze bijdrage, www.psw.ugent.be/dv

De auteur is lid van de Raad van Bestuur van het ICM (Interuniversitair Centrum Mensenrechten) en lid van de Liga voor Mensenrechten. Hij schreef deze bijdrage in persoonlijke naam.

Vlaams Blok - discriminatie - racisme - extreemrechts

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 2 (februari), pagina 4 tot 12