Log in

Hou op over laaggeschoolden

Heropflakkering van de klassenstrijd?

Enkele tijd geleden gijzelden werknemers de directie van hun bedrijf. Ze waren het beu om te onderhandelen met mensen zonder mandaat. Iedere keer opnieuw moesten deze immers informeren bij de bazen in het buitenland. Ze deden ook beloften, die ze na een telefoontje weer moesten inslikken. De maat was vol en ze werden in hun directiebureaus geblokkeerd. Er kwam geen geweld aan te pas, een van de heren mocht zelfs naar huis toen het bericht kwam dat er op zijn thuisfront problemen waren. Is dit klassenstrijd? Je hebt aan de ene kant mensen die vechten voor hun boterham, ook al is dat de boterham van het brugpensioen. Ze wonen in een streek waar het vinden van werk uitzichtloos is. Niemand kan hen kwalijk nemen dat ze wanhopig zijn. Aan de andere kant heb je een bedrijf dat vanuit een verre hoofdzetel vrij cynisch beslist in functie van de winstcijfers. Zoals een piloot van een gevechtsvliegtuig niet meer ziet wat zijn bommen uitrichten, ziet dit niet eens meer wie het afdankt. De werknemers gaan inderdaad een gevecht aan. Maar iedereen, zij op de eerste plaats, weet dat het een verloren strijd is. Het is een gevecht dat finaal de logica van de economie aanvaardt, dat alleen probeert het eigen bestaan iet of wat veilig te stellen. In die zin is iedere werknemersactie eigenlijk een symbolenstrijd geworden, een soort theateropvoering. Alleen wanneer de werkgevers het spel niet langer eerlijk spelen, dreigt het kortstondig te escaleren. De gijzelingsactie heeft veel kwaad bloed gezet, men vindt dit net een brug te ver. Staken, piketten plaatsen, hoogstens een beetje duwen en trekken… dat mag. Maar mensen gijzelen? Ach, ook die actie was symbolisch. Ik geloof echt niet dat de directie ook maar een moment in zijn bestaan of integriteit bedreigd werd. Het was gewoon een wanhopige reactie op bedrog. Dat men het kort daarop in een ander bedrijf nog eens overdeed is een ander paar mouwen. Daar deed men het alleen om in de media te komen. Dat is spelen met vuur. Men kan er donder op zeggen dat de volgende keer de politie zeer vlug en zeer hard zal optreden. Het ideale voorwendsel is gegeven. Maar in geen van beide gevallen moet men een opflakkering zien van de klassenstrijd. Meestal reageert men zoals in Ford Genk: gelaten ten aanzien van de sluiting, bang afwachtend of men er zelf bij zal zijn. Als er ooit nog strijd van komt, dan zal die zich op een ander terrein dan dat van het bedrijf afspelen. Ik heb het over de verhouding tussen hoog- en laaggeschoolden. Mark Elchardus en Koen Pelleriaux hebben het daar in verschillende werken uitvoerig over. Ik vat hier zeer schematisch samen.1

De nieuwe sociale kwestie

Men kan een structurele toename waarnemen van de ongelijkheid tussen hoog- en laaggeschoolden. De kennismaatschappij heeft een kringloop op gang gebracht, waarbij de behoefte aan kennis steeds groter wordt. Wie achterblijft wordt steeds meer individueel verantwoordelijk gesteld voor zijn achterstand. Hoog- en laaggeschoolden leven steeds meer in gescheiden werelden. Daar zit een potentieel conflict, dat in de plaats kan komen van het traditionele klassenconflict dat arbeiders en patroons tegenover elkaar zette. Even zag het er naar uit dat alle klassentegenstellingen opgelost werden in één grote middengroep. De groep van de laaggeschoolden valt daar echter buiten. Het is een gesegregeerde groep, waar duidelijk onbehagen heerst, dat gekenmerkt wordt door negatieve toekomstverwachtingen en gevoelens van onveiligheid. Laaggeschoolden voelen zich niet goed, omdat ze beseffen dat ze een voorspelbaar risico lopen op langdurige werkloosheid, zelfs op armoede. Dat onbehagen hangt effectief samen met het onderwijsniveau: hoe lager dat niveau, hoe hoger het onbehagen. Het begint trouwens niet een keer de school verlaten werd, maar reeds tijdens de schoolopleiding. Dat hoeft niet te betekenen dat deze groep reële armoede gekend zou hebben, dat haar onbehagen met andere woorden terug zou gaan op effectieve ervaringen. Reële armoede blijkt daar helemaal geen effect op te hebben. Het gaat om een lage graad van maatschappelijke participatie, vooral aan cultuurparticipatie. Lage scholing voert binnen in een subcultuur, met eigen verenigingen, smaken en cultuurconsumptie. Aan die cultuur beantwoordt een heuse ideologie, op te vatten als een samenhangend geheel van houdingen. Het is een cultuur die rechts staat op de nieuwe breuklijnen, met een mens- en maatschappijbeeld waarin de mens verschijnt als een wezen dat enkel zijn eigenbelang nastreeft, dat louter uit is op macht, dat autoritair is, onmiddellijk naar repressie grijpt, geen vertrouwen heeft in de politiek en op de eerste plaats wil zorgen voor het eigen volk. Vroeger bood de socialistische ideologie die groep nog een waardigheid, maar vandaag doet die ideologie het niet meer. De cultuur van de arbeiders heeft alle aanzien verloren. Daarom loopt die groep zo makkelijk naar het Vlaams Blok, vooral zij die vroeger in het socialistische huis opgevangen konden worden.

Zijn laaggeschoolden kansarm?

Laaggeschoolden hebben negatieve toekomstverwachtingen. Dat zal wel zijn. Ze zijn effectief een risicogroep. Het zou van weinig realisme getuigen als men bij hen een groot optimisme zou vaststellen. Het kan niet verwonderen dat het onbehagen bij die groep groot is. Maar aan de andere kant is het heel belangrijk stil te staan bij de vaststelling dat hun onbehagen inderdaad niet noodzakelijk teruggaat op reële ervaringen. Lang niet alle laaggeschoolden hebben met armoede en uitsluiting te maken, integendeel. Mieke Van Haegendoren2 wijst erop dat 73% van de laaggeschoolden werk hebben. Zij zijn in de feiten helemaal niet kansarm. Bij die laaggeschoolden zitten trouwens ook maatschappelijk zeer geslaagde mensen: bakkers, beenhouwers … Het klopt dat laaggeschoolden meer kans hebben om werkloos te worden en het klopt ook dat langdurig werklozen overwegend laaggeschoold zijn. Maar de hoge werkloosheid van de laaggeschoolden is vooral toe te schrijven aan de vrouwen, die er dikwijls de voorkeur aan geven om in de werkloosheid te blijven (omdat zij het huishouden moeten doen, omdat het socialezekerheidssysteem en zelfs de fiscaliteit hen daartoe aanmoedigt). Meer dan 90% van de Belgen is (zeer) tevreden over zijn sociale relaties. Noch het onderwijsniveau, noch het inkomen hebben daar een grote impact op. Dat betekent dat de grote groep van de laaggeschoolden feitelijk helemaal niet uitgesloten is. En toch voelt die groep zich zo! Het zit misschien in de hoofden, maar het is niettemin een realiteit. Dat heeft er mee te maken dat onze samenleving hen in die hoek duwt. Zij voelen zich achtergesteld, minderwaardig, omdat de samenleving laaggeschoolden minacht. Zij noemt zich graag een kennissamenleving. Dat is voor een groot stuk bluf, maar het zadelt de laaggeschoolden wel op met een minderwaardigheidscomplex, waarvoor zij zichzelf verantwoordelijk achten. Er is immers ook een duidelijke maatschappelijke evolutie om personen individueel te responsabiliseren en te culpabiliseren.

Eigen schuld, dikke bult

Wie werkloos wordt heeft dat aan zichzelf te danken. Wie lang werkloos is, moet toch een profiteur zijn! Het werd een tijdlang niet meer luidop gezegd, maar vandaag hoor je het weer, waarschijnlijk naarmate de werkloosheid hardnekkiger blijkt te zijn en naarmate de politiek machtelozer is om deze terug te dringen. Het zal je maar overkomen om als vijfenveertigjarige of vijftigjarige je werk te verliezen. In het begin ben je er vast van overtuigd dat het niet lang zal duren. Hoe vaak heb je trouwens niet aan de toog meegedaan met de verhalen over die doppers? Bij die groep wil je niet gerekend worden. En je schrijft nog een sollicitatiebrief. Of je probeert nog een bijscholing, als je er ten minste niet te oud voor bevonden wordt. Maar na verloop van tijd dringt het tot je door dat het wel eens zeer lang kan duren, dat je wel eens nooit meer werk zult vinden. Waarom toch was je net te jong voor brugpensioen of kon het kleine bedrijf waar je werkte geen brugpensioen betalen? Je sluit je op in je situatie, je sluit je af van je vroegere vrienden. Veel moeite hoef je daar trouwens niet voor te doen, want die hebben het zo druk! Het zal je maar overkomen om te horen dat het je eigen schuld is. Maar eigenlijk hoef je het niet te horen, diep in je binnenste ben je daar wel van overtuigd. Iedereen weet dat toch? Kijk naar de cijfers in het buitenland. Nergens in de landen om ons heen is de werkzaamheidsgraad zo laag als bij ons. Dat komt omdat men er minder lang uitkeringen krijgt, veel vlugger gedwongen wordt om een opleiding of een job te aanvaarden, er veel te makkelijk brugpensioen toegestaan wordt, de arbeidsmarkt er flexibeler is … Ja natuurlijk is dat zo, maar is er dan voor al die werklozen bij ons een job? Het is een naïeve vraag, maar ik stel ze nu al maanden en krijg er nooit echt een antwoord op. Ik bedoel de vraag letterlijk zo: schop al de werklozen van de dop, zullen ze op de kortste keren werk vinden? Of zullen ze misschien wel werk vinden, maar ten koste van anderen? Of zullen ze misschien wel werk vinden, maar in sociaal toch wel zeer belabberde omstandigheden of zelfs in de illegaliteit? In de Scandinavische landen zijn er blijkbaar meer jobs, maar de overheid - en dus de belastingbetaler - betaalt er ook voor. In de Angelsaksische landen zijn er meer zogenaamde precaire jobs, kortstondige jobs die zeer weinig betalen en nauwelijks rechtszekerheid bieden. Maar het is helemaal niet duidelijk of hiermee alles gezegd is.3 Wel blijkt in ons land een kleiner percentage van de werklozen bereid tot werken dan bijvoorbeeld in de Scandinavische landen. Goed, maar opnieuw: zullen zij werk vinden als we ze kunnen overtuigen of zelfs dwingen om dat wel te willen? Sommigen beweren effectief dat er werk gecreëerd wordt door werklozen te schrappen en door oudere werknemers juist geen brugpensioen aan te bieden. En dat zal inderdaad wel zo zijn. Sommigen zullen een zelfstandige activiteit beginnen. Anderen zullen bereid zijn tegen slechte voorwaarden te werken, zodat ze een werkgever over de brug halen om toch maar iemand bij aan te werven. En misschien zullen er ook nog op andere manieren spontaan jobs bijkomen. Maar massaal? Dat is niet denkbaar. Als ze jobs vinden zal dat ten koste zijn van anderen, jongeren vooral. Het Centrum voor Sociaal beleid heeft in april 2003 een studie gepubliceerd over artikel 80. Blijkt dat veel langdurig werklozen die van de dop gesmeten worden zich niet langer voor de arbeidsmarkt ter beschikking houden. Blijkt ook dat die groep niet zo vlug in de bestaansonzekerheid terecht komt.4 Het is overigens maar voor een deel een groep van laaggeschoolden. Ongeveer de helft is hoger geschoold. Maar het is tegelijk ook een groep die door de arbeidsbemiddeling met rust gelaten werd, die op een bepaald moment niet aangespoord werd om te solliciteren of zich bij te scholen. De waarheid is dat het tot voor kort een afgeschreven groep was, die zich in zijn lot geschikt heeft. Want die kleine aanvulling van het gezinsinkomen is mooi meegenomen en men kan zelf voor de kinderen zorgen. Goed te praten valt dat niet, want het blijft een oneigenlijk gebruik van een uitkering. Het beleid van Frank Vandenbroucke om ook hen te activeren is daarom een goed beleid. Door die groep er gewoon uit te schoppen creëer je geen werk! Je bevestigt wel het vooroordeel dat werkloosheid jouw eigenste fout is. Misschien moet men eens anders gaan redeneren.

Handarbeiders zijn kenniswerkers

In het laatste regeerakkoord is een doelgroep ‘kenniswerkers’ opgenomen. Wie zijn dat eigenlijk? Is die jongen die zes jaar opgeleid werd tot steenkapper een kenniswerker? Het is in elk geval ongelooflijk met hoeveel kennis hij stenen kapt, polijst, in elkaar zet en wat al niet. Men moet hem eens bezig zien! Iemand die zijn kennis niet verworven heeft, kan niet eens behoorlijk benoemen wat hij doet. Of die andere jongen, die violen leerde bouwen? Al eens gehoord hoeveel lagen vernis op zo’n instrument moeten? Heel veel, met telkens een andere samenstelling. Je moet ook heel veel weten om die te kunnen aanbrengen. Alleen reeds om het hout voor de instrumenten te kunnen kopen, moet je een encyclopedie in je hoofd hebben. Zijn dat kenniswerkers? Zijn bakkers, beenhouwers, naaisters, vroedvrouwen, … kenniswerkers? Natuurlijk gaat het in het regeerakkoord niet over hen. Kennis is niet gelijk aan kennis. Er is de kennis van de handarbeider en de hoofdarbeider. En er is de kennis van de alfa- en de bètawetenschap, de zachte en de harde kennis. Harde kennis bij uitstek is die van de ingenieur: hij vindt uit, is creatief, maar hij maakt iets. Hij levert een product af. Ook de steenkapper en de vioolbouwer leveren een product af. Zij doen het trouwens eigenhandig. De ingenieur doet het op papier. Hij is een hoofdarbeider die anderen ertoe kan brengen iets voort te brengen. Dat hoeft niet noodzakelijk iets materieels te zijn. De meest gerespecteerde ingenieur maakt computerprogramma’s. Kenniswerkers zijn hoofdarbeiders en de beste kenniswerkers leveren dingen op die anderen voor hen maken. In het regeerakkoord zit, een beetje verscholen, de klassieke minachting voor handarbeid. Lager geschoolde arbeid moet ondersteund worden, dat wel. Maar je moet het alleen doen omdat helaas niet iedereen kenniswerker kan worden. Je moet het niet doen omdat die handarbeid op zich belangrijk is. Hoe gaan we ooit die groep van het Vlaams Blok weghouden als we er niet mee ophouden hen te minachten?

Werkers verdienen ondersteuning

Tot voor kort hoorde je alleen dat handarbeiders moeten ondersteund worden. Vandaag moeten kenniswerkers ondersteuning krijgen, want anders lopen ze naar het buitenland. Wie loopt naar het buitenland? Dacht je dat iedere ingenieur van vandaag op morgen een job vindt in Silicon Valley? Enkel topmensen kunnen naar het buitenland en die zijn gewoon uitzonderlijk. Dat is altijd zo. Ook steenkappers zijn bij uitzondering steengoed. En van alle opgeleide vioolbouwers zijn er maar een handvol die meesterlijk zijn in hun vak. Dat is ook zo met die zo opgehemelde ingenieurs. De grote meerderheid van de afgestudeerde ingenieurs zijn vrij routinematig bezig. Zij doen in hun loopbaan zelden of nooit een belangrijke ontdekking. Ze doen gewoon - op een heel ambachtelijke manier - hun werk. Dat is inderdaad het verschil tussen een ambacht en een kunst. Kunstenaars zijn parels, zijn per definitie uitzonderlijk. En er is niets tegen ambachtelijke ingenieurs. Een doorsnee bedrijf, neem nu een textielbedrijf of een gewoon metaalbedrijf, heeft niets meer nodig. Maar niemand mag zichzelf wijsmaken dat die ambachtelijke kenniswerker in het buitenland gegeerd is. Het is veel meer omgekeerd. Want eigenlijk heeft hij hetzelfde probleem als de handarbeider. Zijn werk dreigt meer en meer overgenomen te worden door buitenlandse werknemers. In India, China … zijn miljoenen goed opgeleide ingenieurs te vinden. Zij kunnen dat werk van de ambachtelijke ingenieur best wel overnemen. Vooral omdat vandaag zoveel per computer kan gebeuren. Je kan tegenwoordig zelfs je computer op internet laten herstellen. En je hebt er net hetzelfde probleem mee als met de handarbeider: als je echt wil concurreren met het buitenland moet je wel verschrikkelijk lage lonen gaan betalen. Moeten we dan alleen iets doen voor de meest uitzonderlijke vorsers? Ach, zij gaan niet voor het geld naar het buitenland. Zij gaan voor goed uitgeruste labo’s. Zij gaan voor een omgeving waarin heel veel uitzonderlijke mensen samengekomen zijn. Zij kunnen nu eenmaal alleen maar uitzonderlijk zijn, ook al verdienen ze niet veel. En dat is ook zo voor uitzonderlijke handarbeiders. Weet je waarom er zoveel steenkappers rond de groeven van het Italiaanse Carara werken? Natuurlijk omdat er zoveel mooie stenen te vinden zijn, maar ook en waarschijnlijk vooral omdat ze daar kunnen samenzijn, elkaar kunnen inspireren. Met geld heeft dat niets te maken. Kunstenaars zijn parels, maar dat belet niet dat ambachtslui niet kunnen gemist worden. Iets dergelijks zei Herman Decroo in een interview in De Morgen (20/12/02), toen hij het had over de onontbeerlijke middenmoot in het parlement. Die staat wel niet in het zonnetje, maar doet wel het echte en vaak vervelende parlementaire werk. Zonder hen wordt dat parlement een voorwendsel, voor mediasterren die totaal afhankelijk geworden zijn van medewerkers.

Nico leert metsen

Ondertussen behandelen we onze handarbeiders schabouwelijk, zoals blijkt uit dit waar gebeurd verhaaltje. Nico is zelfstandig hovenier. Om allerlei persoonlijke en familiale redenen wil hij van stiel veranderen. Hij wil in het bedrijf van zijn schoonouders schouwen plaatsen. Hij vraagt raad aan een vriend van de familie die in de VDAB werkt. Die raadt hem aan een metsersopleiding te volgen. Zes maand zou dat duren, maar dan zou hij wel iets kennen! Zo gezegd, zo gedaan. Het weze benadrukt dat hij dat niet doet als werkloze. Hij wil geen uitkering, hij wil iets leren. Hij komt terecht in een ongelooflijke toestand. Zowat al zijn collega’s in het opleidingscentrum zijn gedetineerden of net ontslagen gedetineerden. Dat is op zich niet erg, maar het werd al vlug duidelijk dat die mensen daar niet kwamen om iets te leren. Zij kwamen omdat ze op die manier de laatste zes maanden van hun gevangenisstraf buiten konden doorbrengen. Ze vergeleken fier de band om hun enkel, die hun vrijheid onder controle moet houden. Of ze kwamen in afwachting van een uitkering of om wat voor reden dan ook. Maar ze kwamen niet omdat ze wilden metsen. Nico wel, maar hij werd aangepakt als een jongen van twaalf, die voor het eerst naar de vakschool gaat. Eerst moest hij leren omgaan met mortel, dan moest hij een rijtje metselen en dat daarna weer afbreken, dan moest hij een ander rijtje zetten … De instructeur was telkens heel kortstondig te zien. Hij ging koffie drinken of zijn gazet lezen en kwam dan eens kijken. Dat zijn leerling zijn methode rap beu was had hij niet door. Of hij had lang geleden de moed verloren. Volgens Nico was de instructeur nog veel slechter dan de leraars die hij in het beroeps gekend had. Toen hij het echt niet meer kon harden liet hij de VDAB weten dat hij ermee wilde kappen. Men was ontzettend verontwaardigd. Dat mocht niet! Hij moest zijn opleiding afmaken! Hij moest in elk geval zijn afhaken persoonlijk komen motiveren. Dat het probleem bij de aanpak van de VDAB zelf ligt kwam niet bij hen op. Natuurlijk mag men deze ervaring niet veralgemenen. Er zijn ongetwijfeld ook positieve voorbeelden. Maar we hebben het hier wel over een belangrijk centrum. We hebben het hier ook over de VDAB die de mond vol heeft over op maat gesneden trajecten. Toen alles voorbij was kwam Nico erachter dat de bouwsector een eigen opleidingscentrum heeft. Daar kan hij een aantal heel specifieke opleidingen volgen, die beter passen bij wat hij uiteindelijk wil doen. Een paar dagen les volgen en dan weer in de praktijk. Toch godgeklaagd dat hij eerst frustraties moest oplopen? Waarom heeft de VDAB hem niet verwezen naar de sectorale opleidingen? Er wordt al veel samengewerkt tussen VDAB en andere opleidingscentra, inclusief scholen. Maar blijkbaar is het er nog niet helemaal uit dat men elkaar als concurrenten ziet. Wat mij echter vooral stoort is dat de handarbeider in dit verhaal er niet echt toe doet. Opnieuw zie ik minachting.

Anders gaan redeneren

De opdeling in hoog- en laaggeschoolden dreigt tot een maatschappelijk conflict uit te groeien. Aan de basis ligt complementair een houding van minachting en gevoelens van minderwaardigheid. Laten we daar eens mee ophouden. Of een mens hoog- of laaggeschoold is, zegt eigenlijk weinig over die persoon en nog minder over de capaciteit die hij of zij bezit om zich nuttig te maken voor de samenleving. Iedere samenleving heeft verschillende soorten talent nodig. En waar je het ook over hebt, slechts weinigen kunnen uitmunten in creativiteit en vernieuwing. Maar dat hoeft geen enkel probleem te zijn, als je er maar vanuit gaat dat een ambachtelijk niveau onontbeerlijk is. Dat is de eerste stap voor een andere redenering. In een tweede stap moet je afzien van het diplomafetisjisme. Je moet mensen waarderen om wat ze kunnen, niet om wat ze op een school geleerd hebben. Je leert op school trouwens hoe dan ook maar een klein stukje van de vaardigheden die je nodig hebt om je ambacht uit te voeren. Je moet effectieve capaciteiten durven gebruiken. Je moet gediplomeerden durven afwijzen omdat ze daar niet over beschikken. Je moet ook ophouden mensen te culpabiliseren voor hun lage scholing. De media moeten daarin het voortouw nemen. Nu nemen zij misschien al te makkelijk een voortrekkersrol in het beeld dat alleen hooggeschoolden succesvol kunnen zijn. De tweede stap veronderstelt noch min noch meer een maatschappelijke of zelfs culturele ommezwaai. Het probleem daarbij zal wel zijn dat zij die in die ommezwaai aan de kar moeten trekken hooggeschoolden zijn. Als zij politici zijn, moeten zij tot het besef komen dat een sociaal beleid op de eerste plaats moet ingrijpen op de cultuur. Iedereen moet bereikt worden, moet in zijn hoofd bijgesteld worden. Een cultuurbeleid zou geen secundair beleid mogen zijn, maar bijna een integraal onderdeel van het sociaal beleid. En natuurlijk moet dat zijn implicaties hebben op het onderwijs. Alleen mag men het onderwijs niet op de eerste plaats noemen. Dat is al te makkelijk, want het geeft aan dat onderwijs de opdracht om bij te sturen, om te corrigeren. Eigenlijk is het kwaad dan al geschied. Men moet eraan beginnen vooraleer jongeren de poort van de scholen binnenkomen. Pas dan zal men erin slagen jongeren niet vanaf de eerste dag het gevoel te geven dat zij zo kort mogelijk in dat onderwijs mogen of zullen vertoeven. Pas dan zal men erin slagen jongeren en vooral hun ouders uit het hoofd te praten dat ze zo ‘hoog’ mogelijk moeten beginnen, dat iedere richting die geen ASO is een minderwaardige richting is. Je kunt dat niet decreteren, je moet het uit de hoofden krijgen. Want wat gebeurt er anders? De hele onderwijsdiscussie dreigt uit te draaien op een nieuw soort technisch onderwijs, een nieuwe tussenvorm tussen het huidige beroeps- en technisch onderwijs en het ASO. En wie er vandaag uitvalt, wie vandaag zonder of in het beste geval met een heel ‘laag’ diploma eindigt, wordt verdrongen naar weer een lager soort onderwijs. Dat moet uit de hoofden. Maar dat zal natuurlijk maar kunnen als we ermee ophouden de beste leerkrachten naar het ASO te laten gaan. We moeten daar kost wat kost vanaf. Geef leraars in het beroeps meer loon, geef hen minder uren, … maar doe er iets aan. Vandaag is het erbarmelijk. Niet dat er in het beroeps geen idealistische leraars rondlopen. Die zijn er wel, maar er zijn er te veel die het beroeps als een strafkamp uitzitten. Om het nog niet te hebben over de praktijkleraars die alles doen, behalve de liefde voor een vak doorgeven, die alles doen om het beeld van de laaggeschoolde als sociale minder geslaagde door te geven. Praktijkleraars moeten eliteleraars zijn. Geef hen faciliteiten. Laat hen cumuleren, laat hen vlot van de privé naar het onderwijs en terug komen. Maar pak hen hoe dan ook aan wanneer ze hun werk niet behoorlijk doen. Waarop wachten we?

Deze bijdrage is geschreven uit ergernis. Iedereen neemt te pas en te onpas het woord kennismaatschappij in de mond. Ik ben uiteraard niet tegen kennis, maar ik vind dat kennis veel te hoog wordt ingeschat of beter veel te eenzijdig. Dat leidt tot minachting voor een grote groep in de samenleving, die daar gefrustreerd op reageert. Laaggeschoolden worden meer en meer als mislukkelingen beschouwd, die daarenboven nog zelf verantwoordelijk zijn voor die mislukking. Ik pleit voor een evenwichtige waardering voor alle vaardigheden. Laten we ophouden met die kennismaatschappij. Het is veel beter het te hebben over een talentenmaatschappij, waarbij alle talenten positief gewaardeerd worden. We hebben heus niet de luxe om ook maar een talent ongebruikt te laten. Anders leggen we misschien wel een tijdbom onder de samenleving. Of rekenen we erop dat die samenleving er opnieuw een loutere symbolenstrijd van maakt?

Luc Vanneste
Directeur studiedienst sp.a

cartoon: © Arnout Fierens

Noten
1/ De nieuwe sociale kwesties, B. Cantillon en andere, Garant, Antwerpen 2003. Ik verwijs naar de hoofdstukken die door M. Elchardus en K. Pelleriaux geschreven werden.
2/ M. Van Haegendoren, ‘Land van melk en honing’ In: Jaarboek I - steunpunt gelijke kansenbeleid, M. Michielsen (uitg) - Garant, Antwerpen 2003.
3/ I. Marx en L. Passot, ‘De economische marginalisering van de lager geschoolden’ in De Nieuwe sociale kwesties, o.c. p. 49.
4/ L. De Lathouwer e.a, ‘Schorsing artikel 80 gewikt en gewogen, een evaluatie vanuit herintrede, behoefte en verzekeringsperspectief’ CSB, Antwerpen 2003.

onderwijs - gelijke kansen - scholing - levenslang leren

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 3 (maart), pagina 34 tot 41