Log in

Voedselveiligheid in de Europese Unie

In de aanloop naar de Europese verkiezingen van juni lijkt euroscepticisme een nieuwe trend. De publicatie van het boekje Beste Europa van sp.a-ondervoorzitster Caroline Gennez is daar het laatste voorbeeld van. Gennez trekt van leer tegen de liberaliseringsplannen van de Europese Commissie binnen het openbaar vervoer (spoor, tram, bus) en de gezondheidszorg. Ze verwerpt de blinde toepassing van concurrentieregels op sociale maatregelen waarmee kansarmen aan werk worden geholpen. Ze laakt de excessen van het Europees landbouwbeleid en de ondoorzichtige wijze waarop de Europese regels totstandkomen. Goed zo, het zijn allemaal onderwerpen die in het Europees Parlement zorgden voor heel wat controverse.

Natuurlijk heeft Europa zijn scherpe kantjes. Natuurlijk moet er nog heel wat verbeteren, zeker als het over de ontwarring van het Europese kluwen gaat. Maar grotendeels voorbijgaan aan de positieve realisaties van de EU is een grove nalatigheid. De Europese Unie is het beste wat ons de laatste vijftig jaar is overkomen. Bijvoorbeeld op het vlak van voedselveiligheid. We hebben in België, en met uitbreiding ook in de Unie, het veiligste voedsel van de hele wereld. Er is een lange weg afgelegd om daartoe te komen, en daar heeft de Europese Unie een belangrijke rol in gespeeld.
De Europese Unie is een werk in opbouw - nog altijd. De uitbreiding van de Unie met tien nieuwe lidstaten komt eraan. De regelgeving moet beter gestroomlijnd worden, meer op mensenmaat, meer op maat van de regio’s. Dat geldt ook voor het voedselveiligheidsdebat. Europese regels mogen er niet voor zorgen dat producenten van lokale specialiteiten, zoals onze eigen Geuze- Lambiek-stekers, het hoofd niet langer boven water kunnen houden. Of dat onze voeding hyperindustrieel wordt, en al haar eigenheid verliest. Dat is echter een opdracht voor de hele Unie - de Europese Commissie, het Europees Parlement en de verschillende nationale en regionale regeringen. Een opdracht die we dus samen moeten waarmaken.
Daarom pleit ik in deze bijdrage voor een deïndustrialisatie van onze voeding. Want zowel de PCB-crisis, de gekkekoeienziekte als het hormonenmisbruik waren het gevolg van een doorgedreven industrialisering in de hele voedselsector. Ik pleit ervoor dat voedselproducenten opnieuw voeling krijgen met de mensen die hun producten consumeren. Dat zal zeker en vast helpen om toekomstige voedselcrisissen te voorkomen.

Ontstaan EU-beleid voedselveiligheid

Om de impact van de Europese politiek op voedselveiligheid te begrijpen, moeten we terugkeren naar de periode van voor 1999 - het jaar waarin de huidige samenstelling van het Europees Parlement werd vastgelegd. De consumenten hadden op grote schaal hun vertrouwen verloren in de voedingsindustrie door het illegaal gebruik van hormonen in de veeteelt, het misbruik van antibiotica, het onveilig gebruik van pesticiden bij de teelt van fruit en groenten. De BSE-crisis en de dioxinecrisis veroorzaakten een schokgolf in Europa en de rest van de wereld. Het besef rees dat het grondig fout zat met de manier waarop we met ons voedsel omgingen. Impulsief reageerde de maatschappij daarop. Biologisch voedsel en de groene ideologie werden plots enorm populair. Het Europees Parlement kreeg een grote groene fractie. In eigen land stapten de groenen in de regering.
Na het aantreden van de nieuwe Commissie onder leiding van de Italiaan Prodi was het overduidelijk dat ook de Europese wetgeving met betrekking tot voedsel aan herziening toe was. David Byrne, Europees Commissaris voor Consumentenbescherming en Volksgezondheid, beschreef de situatie als volgt: ‘Onze voedselwetten zijn zoals een oud model van een wagen, door de jaren heen overal aangepast om zo gelijke tred te houden met de nieuwe tijden en nieuwe ontwikkelingen. Veiligheidsgordels voor de passagiers, airbags, een katalysator, nieuwe banden, een servostuur, een cd-speler. Na jaren van oplapwerk is dat oude model veranderd in een vreemd gedrocht, ver van zijn oorspronkelijke vorm en opzet.
Daar komt dan nog bij dat zijn betrouwbaarheid begint te wankelen. Door al die nieuwe gadgets is hij minder vlot bestuurbaar; hij weigert soms helemaal dienst. Het kan dan ook nauwelijks verwonderen dat de meeste mensen er niet meer mee willen rijden. We hebben nood aan een compleet nieuw model. Modern, gestroomlijnd, efficiënt, goed ontworpen, met verschillende componenten die goed op elkaar zijn afgestemd en die samen zorgen voor een optimale werking.’
Het eerste werk van de EU-Commissaris was na te gaan waar het systeem gaten vertoonde en tegelijk om iedereen op te roepen met voorstellen op de proppen te komen om ze te dichten. Al in januari 2000 leidde dit tot een Actieplan Voedselveiligheid, gepubliceerd in het Witboek Voedselveiligheid van de Europese Commissie. Voor de eerste keer werden alle aspecten van voedselveiligheid in de hele voedselketen samengebracht; van hygiëne tot dierenwelzijn, van productie tot consumptie. Sindsdien is er een aanzienlijke vooruitgang geboekt bij het verwezenlijken en toepassen van de meer dan 80 verschillende actieterreinen en wetgevingsvoorstellen die in het Witboek werden opgesomd. Het gaat onder meer over: (vee)voeder, de gezondheid en het welzijn van dieren, de hygiëne, de aanwezigheid van vervuilende stoffen en residuen en de verpakking van voedsel.
De eerste pijler van het nieuwe systeem was de oprichting van een Europese Autoriteit voor Voedselveiligheid (EAVV). De EAVV is de hoeksteen van de Europese voedselveiligheidspolitiek. Het laat zich leiden door wetenschappelijke bevindingen. Eén taak van de EAVV is het inschatten van risico’s, nagaan aan welke chronische en acute gevaren ons voedsel is blootgesteld. Een tweede aak bestaat erin om - in geval van problemen - een geschikte communicatie op te zetten.
De EAVV zal de wetenschappelijke basis van onze voedselveiligheidsbeleid versterken en coördineren en ze zal op Europees niveau een onafhankelijke, wetenschappelijke stem laten horen in deze materie. Het is ook belangrijk dat de EAVV aantoont dat ze in nauw contact staat en op een dynamische manier samenwerkt met de nationale agentschappen voor voedselveiligheid. Zo wordt het mogelijk om een 100% effectieve politiek van crisiscommunicatie en -aanpak te voeren.
De tweede belangrijke pijler van de Europese aanpak is de Europese levensmiddelenwet. Deze Verordening zet de algemene lijnen uit van de principes en vereisten van een levensmiddelenwetgeving en schrijft de procedures voor die moeten worden toegepast inzake voedselveiligheid. De levensmiddelenverordening gaat ervan uit dat de verantwoordelijkheid voor de levering van veilige voeding en voeder bij de producenten ligt. Onveilig voedsel en voeder moet van de markt worden gehaald. Voedingsproducten, veevoeder en ingrediënten ervan moeten traceerbaar zijn. Voedingsproducten moeten worden opgevolgd door een snel waarschuwingssysteem, het Rapid Alert System, dat in werking moet treden vanaf het moment dat er twijfel ontstaat over de veiligheid van voedsel. Het is van toepassing op alle voedsel dat in de EU wordt geproduceerd maar geldt ook voor voedsel en veevoeder dat vanuit derde landen de EU binnenkomt. Het verplicht de melding van elke directe of indirecte bedreiging van de volksgezondheid, de gezondheid van de dieren en de aantasting van het milieu. En belangrijk: voor de eerste keer in de geschiedenis worden deze principes ook toegepast op veevoeder. Dit is essentieel omdat veel van de problemen met voedingsproducten voor mensen hun oorsprong kennen in veevoeder (BSE, dioxines, groeihormonen, rioolslib, ...).
Naast het EEAV en de Levensmiddelenwet voorzag de Commissie in het Witboek een heel gamma voorstellen, waarvan sommige nog steeds in de wetgevende fase zijn. Het gaat om zowat 80 Europese wetten, richtlijnen en verordeningen. Al deze initiatieven beslaan het hele spectrum van voedselgerelateerde onderwerpen zoals voedselhygiëne, voedingssupplementen en genetisch gemanipuleerde organismen.

Fundamenten gelegd

Op het Europese niveau zijn de voorbije vierenhalf jaar bergen werk verzet. Europees Commissaris Byrne stelt - en hij heeft gelijk - dat veel van de bouwstenen naar een modern, samenhangend Europees systeem van voedselveiligheid stilaan op hun plaats beginnen te vallen.
Neem bijvoorbeeld de gekkekoeiencrisis (BSE). Sinds 2001 worden alle risicodieren getest, in de hele Unie. Daarmee werd het in hoofdzaak Brits probleem op Europees niveau getild. Later werden die tests uitgebreid naar schapen. Dat was nodig, want er bestaat een ernstig risico dat schapen geïnfecteerd raken met de gevaarlijke variant van de ziekte. Omdat bij schapen echter ook veel onschuldige scrapiegevallen voorkomen, waren de testen noodzakelijk om die twee van elkaar te kunnen scheiden. Naast de testen om de gekkekoeienziekte zo efficiënt mogelijk op te sporen, heeft de EU ook werk gemaakt van het bestrijden van de oorzaken van het probleem. Vlees- en beendermeel mogen niet langer als veevoeder gebruikt worden. Het was net die praktijk die de hele BSE-crisis heeft veroorzaakt.
Een andere belangrijke verwezenlijking is dat de vier overblijvende antibiotica die nog zijn toegelaten in veevoeder vanaf 2006 verboden worden. Door het overdreven gebruik van antibiotica in de veeteelt zijn er heel wat bacteriën resistent geworden, waardoor de strijd tegen infecties steeds moeilijker wordt. Dat heeft ook gevolgen voor de mens, want bacteriën kunnen zulke eigenschappen makkelijk uitwisselen. Nu al worden ziekenhuizen geteisterd door superbacteriën, die nog slechts met de grootste moeite bestreden kunnen worden. De enige reden daarvoor is het overmatig gebruik van antibiotica, zowel in de ziekenhuissector als elders. Het verbod op het preventief gebruik van antibiotica in de veesector komt dus niets te vroeg.

Vervreemd voedsel

Bij alle technische verbeteringen, waarschuwingssystemen en verbodsregels is het echter belangrijk één zaak niet uit het oog te verliezen. We zijn aan het vervreemden van ons eigen voedsel. De hele voedselsector vervlakt en krijgt steeds meer een industrieel karakter. Dat is niet enkel een probleem voor de nostalgicus die hunkert naar een portie zeldzame schorseneren, of naar wat opgelegde Kleine Groene Scherpe Parijse - een vergeten augurkenras. Neen, de industrialisering van ons voedsel heeft een invloed op onze voedselcultuur en op onze gezondheid.

Gezondheidseffecten industrialisering voedsel

Het aandeel industrieel verwerkte producten in onze dagelijkse voeding neemt nog altijd toe. We slikken een dagelijkse portie artificiële bewaringsmiddelen, smaakstoffen, zoetstoffen en kleurstoffen. Voor het grootste deel gaat het hier over de E-toevoegingen - toegestane, geteste additieven die onschadelijk zouden zijn voor onze gezondheid. Dat is slechts gedeeltelijk waar. De meeste van die stoffen zijn nooit getest in Europa. Vaak worden de resultaten van de FDA (het Food and Drug Agency van de VS) klakkeloos overgenomen. Alhoewel wetenschappelijk erg befaamd, is de onafhankelijkheid van de FDA al verschillende malen in vraag gesteld. Komt daarbij dat die additieven vaak samen gebruikt worden in voedingsmiddelen. Ze worden vermengd tot één grote, artificiële cocktail. De synergie tussen de additieven is nog nooit onderzocht.
Een ander probleem met de verindustrialisering van ons voedsel is de vermindering van de voedingswaarde van verwerkte producten. En dan gaat het niet over vitaminen en mineralen, die en masse toegevoegd worden bij drankjes, ontbijtgranen en bereide maaltijden. Neen, uit steeds meer internationaal onderzoek blijkt dat heel wat nog onbekende stoffen ons lichaam beschermen - onder andere de befaamde antioxidantia uit rode wijn of broccoli. En die stoffen worden door de verwerking van het voedsel vernietigd. Niet voor niets krijgen we in de supermarkt de boodschap dat we dagelijks vijf stuks vers fruit of groente moeten eten. De hygiëne van ons voedsel is belangrijk, maar de voedingswaarde ervan is van even cruciaal belang.

Voedsel als cultuur met grote C

Voeding maakt deel uit van onze dagelijkse cultuur. Elk volk, elke regio heeft zijn eigen voedingspatroon. Die diversiteit is van onschatbare waarde, al dreigt ze in de verdrukking te komen door de industrialisering en de globalisering van de voedingssector. Heel wat voedingsconcerns verkopen hun producten wereldwijd, en kunnen door hun schaalgrootte de prijzen onwaarschijnlijk laag houden. Dat brengt de lokale kleinschalige producenten vaak in de problemen. Om tot een volwaardige voedselcultuur en voedselveiligheid te komen, is een terugkeer naar de kleinschaligheid een conditio sine qua non. De crisis in de kippensector van vorige zomer en de huidige vogelpestcrisis in Azië zijn daar het beste voorbeeld van. Kippen worden op veel te grote schaal gekweekt, ze zitten met te veel, te dicht op elkaar gepakt. Dat is een gevolg van de lage voedselprijzen. Kippen zijn goedkoop, veel te goedkoop.
Bij ons is de vogelpestcrisis dankzij het optreden van toenmalig minister van Volksgezondheid Jef Tavernier en het federaal Voedselagentschap bedwongen, alle geleden schade voor mens en dier ten spijt. De verkoop van gevogelte was, als gevolg van die vogelpestplaag, ernstig gedaald. Dat heeft de landbouwsector nog meer onder druk gezet, terwijl die al van de ene crisis in de andere belandt. Door alle voedselcrisissen loopt een rode draad: de landbouwsector moet steeds meer produceren tegen een lagere prijs. De ‘vrije’ markt, het openstellen van de grenzen, heeft tot nooit geziene prijsdalingen geleid. Boeren in Noord en Zuid zijn daarvan de dupe. Ze worden verplicht roofbouw te plegen op de natuur en verdienen het ‘zout op hun patatten’ niet.
Vast staat dat de prijzen voor voedsel laag liggen. Te laag om gezond te zijn. De afgelopen veertig jaar is de prijs van het voedsel amper gestegen. Terwijl in de jaren vijftig ongeveer de helft van het gezinsbudget werd gespendeerd aan voedsel, is dat tegenwoordig nog slechts 10 tot 15 procent. Wonen, vervoer en gezondheidszorg zijn allemaal duurder geworden, maar de prijs van het voedsel in verhouding niet. Een kip kost bijvoorbeeld nog geen 2,48 euro bij een discountzaak, een ei maar 8,5 eurocent. Dat betekent dat we voor een ei evenveel betalen als veertig jaar geleden. Inflatie meegerekend kost het ei van nu maar 15 procent van wat het in 1960 kostte. Eten de kippen in 2003 dan minder dan de kippen van toen? Of zorgen grootschalige en intensieve veehouderij voor een lagere kostprijs? In het verleden is fel bezuinigd op het welzijn van de landbouwdieren en de concentratie van productie gekoppeld aan transporten. Dat heeft niet alleen geleid tot een globalisering van de markt, ook de dierenziekten hebben zich geglobaliseerd.
Tegelijkertijd is het milieu slachtoffer van de vervuiling, onder andere door nitraten, zware metalen en bestrijdingsmiddelen in het grondwater. De landbouwers zelf delen in de klappen. Het inkomen in de sector ligt voor velen laag en de toekomst is erg onzeker. De financiële speelruimte voor landbouwers om te kiezen voor duurzamere vormen van landbouw is klein geworden.
De concurrentieslag die de distributiesector voert, duwt de voedselprijzen nog verder naar beneden. Zowel de landbouwers als de kwaliteit van het milieu en het welzijn van landbouwdieren lijden daar fel onder. De consument betaalt in de winkel weinig geld voor zijn etenswaren, terwijl de belastingbetaler opdraait voor de effecten van de huidige landbouw op vlak van milieu, voedselveiligheid, welzijn van landbouwdieren en de sociale onzekerheid bij landbouwers. De kosten van de opruiming van dieren tijdens de epidemie van vogelpest of het zuiveren van bestrijdingsmiddelen en nitraat in drinkwater zijn duidelijke voorbeelden van kosten waarvoor de maatschappij als geheel betaalt. Omdat die kosten niet gedekt worden - geïnternaliseerd heet dat in economische termen - door de prijs van het product, ontsnapt de consument aan zijn verantwoordelijkheid. Niet de vervuiler betaalt hier, maar de vervuilde.
Aan de ene kant pleiten politiek, media en opiniemakers voor gezonde en gelukkige kippen. Aan de andere kant wordt de consument voortdurend verleid om koopjes te doen in grootwarenhuizen. Daarom kiezen kippenkwekers ‘eieren voor hun geld’ en besparen op dierenwelzijn, milieu en volksgezondheid.
Om die paradox op te lossen is er een meersporenbeleid nodig. De kostprijs van de productie, inclusief de kostprijs aan de gemeenschap van vervuilende productiemethoden, moet doorgerekend worden. Daarenboven moeten de inspanningen van landbouwers om over te schakelen op biologische en meer duurzame landbouw ondersteund worden. Tegelijkertijd zal op Europees niveau de productie beheerst moeten worden. Meer dan in andere sectoren leidt massaproductie immers tot prijsdalingen. Maar het gaat niet om goedkoop voedsel tegen elke prijs. Eerlijke prijzen, daar draait het om, zowel voor de landbouwers in Vlaanderen, België en Europa als overal ter wereld.

Biosector als voorbeeld EU-regulering

De moderne biosector is het typevoorbeeld van hoe ons voedsel veilig en gezond kan gekweekt worden - en met respect voor dierenwelzijn en milieu. Dat heeft verschillende oorzaken, allemaal voortkomend uit het lastenboek van de biolandbouw. Dat lastenboek is vastgelegd in een Europese richtlijn. Bioboeren werken dus al helemaal volgens strenge EU-regels. Maar dat heeft zijn prijs. Bioproducten zijn, vooral in de supermarkt, duurder dan gewone, klassieke producten. Biologische boeren hebben meestal lagere gewasopbrengsten omdat ze geen kunstmest gebruiken en geen chemische pesticiden en herbiciden inzetten. Zij mesten hun dieren langzamer, geven ze uitloop en aangename stallen (met andere woorden: zij gebruiken middelen die recht doen aan het dier). Biologische boeren hebben hogere loonkosten, door de betere verzorging van de dieren en de grotere hoeveelheid werk die met de hand moet worden gedaan, bijvoorbeeld het wieden van het onkruid. Maar ook de grotere veelzijdigheid van de bedrijven zorgt ervoor dat er aan arbeid meer tijd wordt besteed. Tenslotte moet ook het omvangrijke controlesysteem, waaraan biologische boeren zich onderwerpen, gefinancierd worden. Daar moeten ze zelf voor opdraaien. Ze doen dat ook, zonder morren. Vergelijk dat eens met de klassieke vleessector, die op zijn achterste poten gaat staan wanneer hijzelf moet opdraaien voor de tests voor BSE.
De aankoop van biologische producten hoeft trouwens niet zo duur te zijn. Als een gezin van vier personen met een modaal inkomen de belangrijkste primaire levensmiddelen op biologische basis zou kopen - zo berekende het Öko-instituut in Freiburg - dan bedragen de extra kosten gemiddeld slechts 45 euro per maand voor het hele gezin. In deze modelberekening zijn melk, boter, eieren, aardappelen, tarwemeel, rijst, deegwaren, brood en zelfs koffie en bananen opgenomen. Als men bovendien een derde minder vlees, vleeswaren, suiker, zoetwaren en jam eet, zijn de totale uitgaven zelfs bijna even hoog.
Momenteel zijn bioproducten echter nog altijd een nicheproduct voor de bevoorrechte klasse. Typische bioklanten zijn de tweeverdieners, die voor de gezondheid van hun kroost wel wat meer geld op tafel willen leggen. De biosector speelt echter ook een belangrijke voortrekkersrol. Zij tonen ons hoe de controle van het voedsel kan geregeld worden, en dat productie met respect voor dier en milieu haalbaar is. Opgepast, dit is geen pleidooi om alle landbouw om te schakelen naar bioproductie. Zoiets is - zeker op korte termijn - praktisch niet haalbaar. De EU moet streven naar een gediversifieerde landbouw, met geïntegreerde productie (die veel minder pesticiden en kunstmest gebruikt dan vandaag de dag) in combinatie met bioteelt. Idealiter moeten we naar een systeem waar de veiligheid van het voedsel bewaakt wordt door de producenten zelf, zoals dat nu bij de biosector gebeurt.

Hervorming van het landbouwbeleid

Landbouw heeft altijd een hoofdrol gespeeld binnen de Europese Unie. ‘Nooit meer honger’ is altijd één van de pijlers van het landbouwbeleid geweest. Europa moest volledig zelfvoorzienend kunnen zijn in zijn eigen voedsel. Die voorwaarde is vervuld, tot treurens toe zelfs. Europa is misschien nog altijd het best gekend van de boterbergen en de melkplassen - problemen die nog altijd niet helemaal opgelost zijn. Het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) met zijn productiesteun is daar de belangrijkste oorzaak van. GLB bestaat al van in 1958, is in werking van 1962 en is ingevoerd om de productie van de Europese landbouw op te voeren. Dat heeft ertoe geleid dat we in de jaren 70 bijna volledig instonden voor ons eigen voedsel. Maar alhoewel het doel bereikt was, werd de politiek nadien zeer weinig bijgestuurd. Dat heeft geleid tot enorme overproductie. Om van die overproductie af te geraken, zijn de exportsubsidies in het leven geroepen. Die zorgen voor een enorme verstoring van de lokale markt in ontwikkelingslanden. De productiesteun heeft, naast de overproductie, ook nog andere nadelen. Hij zorgt ervoor dat de intensieve landbouw erg gepromoot wordt. Dat heeft ertoe geleid dat het dierenwelzijn enorm achteruit is gegaan de laatste jaren, dat de erosie van de bodem versnelt, dat het pesticiden- en herbicidengebruik nog steeds de hoogte in gaat.
Komt daarbij dat de huidige landbouwsteun er vooral voor zorgt dat de grote landbouwers veel geld ontvangen, terwijl de kleinschalige familiebedrijven in moeilijkheden verkeren. Nochtans zijn het net de kleinschalige familiebedrijven die het best kunnen beantwoorden aan een moderne visie op landbouw (lokale productie en consumptie, zorg voor natuur en landschap, nadruk op kwaliteit en voedselveiligheid, niet op kwantiteit en export…).
De hervorming van het landbouwbeleid is een proces dat slechts schoorvoetend vooruitgaat. Toch zijn we op de goede weg. De tweede pijler van het landbouwbeleid neemt in belang toe - steun aan plattelandsontwikkeling, natuurbescherming door landbouwers, lokale verkoop van producten.
De Europese zelfvoorziening in voedsel is geen primaire voorwaarde meer. Voedsel moet geproduceerd worden op de plaats waar dat, economisch én ecologisch, het meest efficiënt gebeurt. Daarnaast mag ook de sociale functie van de landbouw niet uit het oog verloren worden, en het belang dat de landbouw heeft voor natuur en landschap. Er zal dus altijd landbouw moeten blijven in de Unie, al zal die meer functies moeten vervullen dan hij vandaag vervult. Landbouw op het ecologisch en economisch optimum betekent dat een aantal producten buiten de Unie geproduceerd zullen worden, zoals bananen, rietsuiker, rijst, etc. Maar produceren volgens het economisch en ecologisch optimum betekent ook dat er heel wat producten ook binnen de Unie geproduceerd zullen moeten worden. Waarom? De belangrijkste reden hiervoor is dat productie buiten de EU betekent dat er heel wat transport nodig is om alle producten ter plaatse te krijgen. En dat transport is momenteel veel te goedkoop. De externe kosten van het transport (uitstoot broeikasgassen, uitstoot verzurende stoffen, lawaaihinder, verkeersongevallen, aanleg wegen en infrastructuur…) worden momenteel niet ingecalculeerd.
Wordt dit principe aangehouden, dan zal er sowieso veel meer plaats zijn voor landbouwproductie binnen de Unie, en nog beter, op lokaal niveau. Daar waar landbouw minder efficiënt kan gebeuren (bijvoorbeeld in minder toegankelijke gebieden) moet hij nog wel ondersteund worden, omwille van sociale en ecologische motieven. Eén van de belangrijkste punten is dan ook dat de afstand tussen productie en consumptie liefst zo kort mogelijk moet gehouden worden. Lokale producten, van hoge kwaliteit, geproduceerd met respect voor dierenwelzijn en leefmilieu, in plaats van op export gerichte massaproductie.
Ook het landbouwbeleid heeft dus een belangrijke rol te spelen in het voedseldebat. De herziening ervan betekent zeker niet het einde van onze Europese landbouw. Het moet in tegendeel een uitdaging zijn om zich verder toe te spitsen op het produceren van kwaliteit, van een gezonde, lekkere en eerlijke voeding. Het beleid moet met andere woorden mee een antwoord kunnen bieden op al deze maatschappelijke, ecologische, economische en institutionele ontwikkelingen.

Europa als beschermheer van lokale eetcultuur

De Europese regels moeten er dan ook voor zorgen dat de lokale, kleinschalige productie gestimuleerd wordt. De hygiënestandaarden moeten daarop worden afgesteld. Het heeft geen zin om kleine producenten te onderwerpen aan dezelfde strenge regels als de grootschalige voedingsindustrie. Grote voedingsconcerns, vaak multinationals kunnen zich inderdaad alle gespecialiseerde procedures en formaliteiten veroorloven. Dat is minder of helemaal niet het geval voor de kleinschalige, maar niettemin eerzame voedselproductie. Ik denk dan onder meer aan de biologische en de streekproducten. Beide vragen en verdienen een andere benadering. Waarom? Moet lokaal geproduceerd en geconsumeerd voedsel niet even veilig zijn als industrieel verwerkt voedsel? Natuurlijk wel. Maar net omdat beide methodes ernstig verschillen, moeten beide methodes aan andere regels onderworpen worden. Basisregel moet zijn dat we veilig voedsel op ons bord krijgen. Bijvoorbeeld. De minimale hoeveelheid bacteriën in melkproducten zou moeten afhangen van het toekomstig gebruik ervan. Wanneer de melk verwerkt wordt op de boerderij zelf, om er kaas of yoghurt van te maken, moet die niet even steriel zijn als de melk die nog een lang industrieel verwerkingsproces doormaakt. Het risico op voedselvergiftiging van vlees is niet zo groot bij lokale slachthuizen als in industriële slachtinstallaties. Traditionele verwerkingsmethodes moeten beschermd worden. Daar is terdege rekening mee gehouden bij het opstellen van de Europese regels voor voedselveiligheid. Dat kan ook moeilijk anders. De Fransen, de Italianen, de Spanjaarden en alle andere Europese fijnproevers zouden nooit toelaten dat hun lokale specialiteiten door EU-wetgeving plots onhygiënisch zouden verklaard worden.
Ook de Belgische geuze- en lambiekbrouwers kunnen dus gerust zijn. Hun werkwijze wordt niet bedreigd door de strenge standaarden van de EU, in tegenstelling tot wat de media een paar maal beweerd hebben. Zij moeten basisnormen halen, uiteraard, maar hun traditionele brouwprocédé is beschermd.

Voedselveiligheid en de uitbreiding

Tenslotte ook nog een woordje over voedselveiligheid en de komende uitbreiding. Formeel gezien is Voedselveiligheid een element van het uitbreidingsproces waarbij de EU vanaf het begin duidelijk heeft gemaakt dat zij geen situatie zal accepteren die zou kunnen leiden tot lagere voedselveiligheidsnormen of gevaren voor de consumenten. De nieuwe lidstaten erkennen dat het essentieel is dat zij voldoen aan alle bestaande wetten van de Unie op het gebied van voedselveiligheid.
Het Voedsel- en Veterinair Bureau (VVB) van de Commissie dat in Ierland gevestigd is, speelt een belangrijke rol bij de controle van de mate van naleving van de wetgeving inzake voedselhygiëne en van de veterinaire en fytosanitaire wetgeving in de nieuwe lidstaten. Bezoeken aan de kandidaatlanden, waarmee in 2001 is begonnen, waren de voornaamste prioriteit van het Bureau in 2002 en 2003 en zullen intensief worden voortgezet tot de toetreding. Daarna zal het VVB inspectiebezoeken verrichten op dezelfde voet als in de ‘oude’ lidstaten. Het doel van deze inspecties is na te gaan hoe de tenuitvoerlegging van de EU-wetgeving en van hun eigen toezeggingen in de nieuwe lidstaten vordert. Dat het de Commissie menens is blijkt uit de vaststelling dat het VVB in 2003 40% van haar begroting aan dit inspectieprogramma besteedde. Daartegenover staat dat het VVB een bijzonder kleine eenheid binnen de Commissie is. Het telt nauwelijks 163 personeelsleden waarvan er maar 81 echte inspecties uitvoeren. Gelukkig staat er en serieuze stok achter de deur: bij overtredingen van de levensmiddelenwetgeving voorzien zowel de levensmiddelenverordening als het toetredingsverdrag in de mogelijkheid vrijwaringsmaatregelen te treffen die de handel in levensmiddelen of veevoeder vanuit het land dat in de fout gaat stopzetten.
Waakzaamheid is hoe dan ook geboden. De Unie kan daarvoor rekenen op een sterk Europees Parlement en op de leden van de parlementaire commissie ‘Milieu, Volksgezondheid en Consumentenbelangen’ waar de Europese Commissie quasi maandelijks ondervraagd wordt over de voedselwetgeving. Het zijn trouwens ook de leden van deze commissie die ervoor gezorgd hebben dat de meer dan 80 maatregelen die voorgesteld werden in het Witboek voedselveiligheid van de Europese Commissie binnen de gestelde termijnen als Europese wetgeving zullen gelden in het Europa van de 25.
Het is dus tijd om, naar de metafoor van Byrne, de oude opgelapte wagen vaarwel te zeggen. Tijd om het nieuwe model te gaan besturen. Modern, veilig en betrouwbaar, klaar voor de verrassingen die de reis voor ons in petto heeft. De ogen wijd open. Steeds alert voor op til zijnde of op ons afstormende nieuwe voedselcrisissen. Als alle regels in voege zullen zijn, is de Europese consument er zeker van dat het voedsel dat hier geproduceerd is en dat hij hier consumeert van de beste kwaliteit ter wereld is. En als we erin slagen om de productie opnieuw kleinschalig te maken, en lokaal, dan kunnen we er ook zeker van zijn dat ons voedsel het lekkerste van de hele wereld zal zijn. Europa heeft al veel verwezenlijkt, en hopelijk zal ze dat blijven doen.

Het vlees is zwak

Mijn eigen engagement binnen voedselveiligheid dateert nog van tien jaar voor de dioxinecrisis. Het was het jaar 1989. Tijdens een veelbesproken persconferentie belichtten oud europarlementslid Jaak Vandemeulebroucke en ik de handel en wandel van de leden van een netwerk van dierenartsen, vetmesters en apothekers. Onze onthullingen kregen enorm veel media-aandacht. Het probleem van de hormonenzwendel kwam voor het eerst op de politieke agenda te staan. Tijdens de persconferentie maakten we ook de analyse van de hormonenwet van 1985. Dat instrument was op dat ogenblik geen serieus wapen in de handen van magistraten, keurders en inspecteurs in hun vaak eenzame strijd tegen voornoemde sjoemelaars. Van de wet ging geen enkele afschrikking uit. De strafmaat beperkte zich tot gevangenisstraffen van acht dagen tot drie maanden en boetes van enkele duizenden franken.
We belichtten ook de manier waarop de Belgische overheid de strijd tegen het geknoei met ons voedsel aanpakte. De aanpak lag verspreid over niet minder dan vijf ministeries: Landbouw, Volksgezondheid, Financiën, Binnenlandse Zaken en Justitie. Bijzonder erg was dat er tussen die verschillende ministeries geen of nauwelijks sprake was van een gecoördineerde aanpak. Waar er al overleg en coördinatie plaatsvonden, gebeurde dat op het initiatief van een alerte inspecteur of keurder hier, twee rijkswachters daar en twee of drie gedreven onderzoeksrechters ginder.
Onze boodschap was klaar en duidelijk. België heeft nood aan een betere en strengere hormonenwet. Er moest een magistraat komen die de zaken coördineert binnen het gerecht. En er moest een multidisciplinaire Task-Force komen, tezamen met de reorganisatie van diensten die instonden voor de controle van ons voedsel.
De strengere hormonenwet kwam er pas in 1994 na een hele reeks intimidaties en aanslagen op keurders van het Instituut voor Veterinaire Keuring. De nationale hormonenmagistraat en de multidisciplinaire hormonencel kwamen er op 17 maart 1995, enkele weken na de moord op Karel Van Noppen. De reorganisatie van de inspectiediensten kwam slechts op gang na de PCB-crisis in de eerste helft van 1999.
Het heeft lang geduurd. En het blijft al bij al merkwaardig te moeten vaststellen dat de grote stappen vooruit steeds werden gezet naar aanleiding van heuse crisissen: intimidatie, aanslagen, een moord en een serieuze besmetting van de voedselketen. Maar het resultaat mag al bij al gezien worden. Er wordt al heel wat minder gespoten dan tien jaar geleden. Maar toch. Er moet blijvend geïnvesteerd worden in deze strijd. Het afschrikkingeffect moet blijven. Dat kan alleen door controles te blijven uitvoeren en aan preventie te doen.

Bart Staes
Europees Parlementslid Groen!

Europa - voedselveiligheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 3 (maart), pagina 45 tot 54