Abonneer Log in

Geen plaats voor feministen in België?

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 4 (april), pagina 47 tot 55

Gelijke rechten, vrijheden én kansen onder Verhofstadt II

Augustus 2003. Kort na de bekendmaking van de regeringssamenstelling krijgt de regering Verhofstadt II het aan de stok met een aantal vrouwenbewegingen. Reden is het ‘ontbreken’ van een federaal minister voor Gelijke Kansen. ‘Oei, helemaal over het hoofd gezien!’, luidt het eerst. Later meldt de regering dat Marie Arena de bevoegdheid op zich mag nemen, maar men weigert Gelijke Kansen aan haar titulatuur toe te voegen. Die zou zo te lang worden ‘en dat staat toch niet op een visitekaartje.’ Vrouwenverenigingen reageren misnoegd ‘Dat gelooft toch geen hond’ - en beloven er streng op toe te zien dat de problematiek voldoende aandacht krijgt. Ze twijfelen immers sterk aan de slagkracht van een minister voor Gelijke Kansen die niet mag uitkomen (en dus ook geen geld krijgt) voor wat ze doet.1
Was dit de eerste paarse blunder of moet de vrouwenbeweging gewoon eens onder ogen zien dat feminisme voorbijgestreefd is?2 Dit laatste wordt immers nog gesuggereerd door het negatieve beeld dat in de media van feministen wordt geschetst en door de afwezigheid van jonge vrouwen op de jaarlijkse vrouwendagen. Wanneer minister Van den Bossche er geen geheim van maakt dat feminisme haar absoluut niets zegt, vertolkt ze de mening van een hele generatie girls die
‘… geloven dat de Grote Kwaaie Strijd is gestreden, dat veel structurele doelen bereikt zijn en dat de feministische lobby van vandaag er een is van snauwende vrouwen van middelbare leeftijd die anti-man en anti-leven zijn.’3
Niet enkel de media en de houding van heel wat burgers suggereren dat een beweging, die oog heeft voor structurele ongelijkheden tussen vrouwen en mannen en deze aanklaagt - om ‘feminisme’ even anders te verwoorden - gedateerd is. Ook de regering geeft, door Gelijke Kansen quasi af te voeren, zulk signaal, want inderdaad ‘geen hond’ gelooft dat de esthetiek van een visitekaartje de ware reden was. Een volwaardige reden moet van inhoudelijke aard zijn en wie er zo geen geeft, maakt zich minstens verdacht. De vraag of het gaat om een blunder blijft dus relevant. Zijn er werkelijk afdoende inhoudelijke redenen om de bevoegdheid Gelijke Kansen te laten vallen? Heeft de Nederlandse minister van Sociale Zaken gelijk wanneer hij zegt: ‘vrouwen zijn waar ze moeten zijn, ik zie geen ruimte voor beleid’?
Dit essay wil die vraag in twee delen behandelen: is er (nog) nood aan een actief gelijkekansenbeleid en indien ja, is daar ook ruimte voor binnen een liberale democratie4 zoals de onze, of hoort de overheid dit op zich nemen? Het is belangrijk om deze empirische en politiek theoretische vragen omtrent de taken van een staat en de mogelijke rol van feminisme in een liberale democratie, te beantwoorden. Zonder zulke antwoorden kan immers geen uitspraak worden gedaan over de kwestie van het ontbreken van een federale minister voor Gelijke Kansen.

Nood aan actief gelijkekansenbeleid?

Rechten, vrijheden én kansen?

Het fabeltje dat het feminisme haar doel ruimschoots bereikt zou hebben - dat ‘vrouwen zijn waar ze moeten zijn’ omdat ze inmiddels dezelfde rechten en vrijheden genieten als mannen - kan met slechts een paar cijfers naar de vuilbak worden verwezen.5 De tewerkstellingsgraad in ons land ligt bij vrouwen 17 procent lager dan bij mannen en bijna 40 procent van de werkende vrouwen werkt slechts parttime. De twee voornaamste redenen die worden opgegeven zijn de ‘zorg voor kinderen’ en ‘familiale omstandigheden’. Vrouwen nemen dan ook een onevenredig groot deel van de onbetaalde arbeid binnen het gezin voor hun rekening: niet alleen bijna alle handenarbeid, maar ook de zorg voor kinderen komt vaker op vrouwen dan op mannen terecht (dit laatste in een verhouding van meer dan zes tegen vier). Vrouwen die de kinderzorg op zich nemen, besteden er daarenboven bijna dubbel zoveel tijd aan als mannen.
Ruim drie vierde van de eenoudergezinnen, bestaat uit alleenstaande moeders met hun kinderen, meestal als gevolg van een scheiding. Deze groep gezinnen verliest meestal een ‘kostwinner’ en één volwassene moet voortaan alle huisarbeid én een inkomen verzorgen. Het is dan niet moeilijk te voorspellen dat armoede vooral deze vrouwen en hun kinderen zal treffen. En inderdaad: meer dan vijfennegentig procent van de eenoudergezinnen die moeten leven van het bestaansminimum zijn alleenstaande vrouwen met hun kinderen. Mannen echter, komen zelden onder de armoedegrens terecht naar aanleiding van een breuk. In ons land zijn er voor iedere vier huwelijken drie echtscheidingen…
Kranten brengen gelijkaardig nieuws.6 Vrouwen verdienen in dezelfde job twintig tot dertig procent minder dan mannen. Ook beweert één derde van de Belgische werklozen niet meer te willen werken, vooral vrouwen omwille van teleurstellende lonen en gebrek aan kinderopvangmogelijkheden. Nog zeer recent kon men vaststellen dat overheidsgeld - onbedoeld - vaker zijn weg vindt naar mannen dan naar vrouwen. En dan hebben we het slechts over eenvoudig meetbare ongelijkheden, niet over moeilijker te kwalificeren onrechtvaardigheden zoals partnergeweld (waar naar schatting minstens één vrouw op tien ooit mee te maken krijgt), seksuele intimidatie, …
Met de gelijke rechten en vrijheden, waar onze moeders en grootmoeders voor hebben gevochten, zijn we er in ieder geval niet in geslaagd een aantal volhardende ongelijkheden uit te roeien. Er is nog werk, met name aan gelijke kansen, gelijke mogelijkheden voor vrouwen en mannen om deze rechten en vrijheden ten volle te kunnen benutten. Om te kunnen zeggen hoe, waar en door wie daaraan gewerkt kan worden, is het nodig de oorza(a)k(en) van deze ongelijkheidspatronen te achterhalen. Eén vaststelling kunnen we echter al onthouden: het onderwerp van seksediscriminatie is - hoewel het misschien niet langer gaat om bewuste discriminaties - nog lang niet voorbijgestreefd. Wat dat betreft blijkt er een gigantische kloof te gapen tussen de werkelijkheid en de manier waarop deze door de bevolking in het algemeen, en door jonge vrouwen en politici in het bijzonder, wordt waargenomen.

Eén systeem

In een interview stelde de Amerikaanse Naomi Wolf onlangs dat die jonge vrouwen wanneer ze de stap naar ouderschap zetten een confrontatie wacht:
‘… we wilden het anders doen dan de generatie van onze moeders en vaders. We trouwden met mannen die we beschouwden als onze gelijken, als onze beste vrienden. Maar als er kinderen komen, worden die mannen toch weer traditionele echtgenoten. (…) Over het algemeen zien we dat het inkomen bepaalt wie er meer thuisblijft, en mannen verdienen gemiddeld meer dan vrouwen.’7
Zij verwoordde daarmee op bevattelijke wijze een theorie die via Susan Okin ingang gevonden heeft bij feministen en die ik zal aanduiden als de ‘één-systeem-theorie’.8 Deze zegt dat de maatschappij niet ingedeeld kan worden in afgesloten sferen - politiek, onderwijs, gezin, kerk, economie, arbeidsmarkt, … - waarin eigen specifieke regels en/of gewoontes gelden, die geen invloed zouden hebben op het leven binnen andere sferen. In werkelijkheid ‘sijpelen’ onevenredige machtsverhoudingen in de ene sector gemakkelijk door naar andere geledingen van de maatschappij de grenzen ertussen zijn poreus. Bestaande machtsrelaties en de daaruit resulterende ongelijkheden in verschillende sferen, versterken elkaar in een vicieuze cirkel die enkel nog doorbroken kan worden indien dit binnen diverse domeinen tegelijkertijd wordt aangepakt. Wat Wolf in het interview beschrijft is inderdaad een doorsijpelen van onrechtvaardigheden op de arbeidsmarkt (vrouwen verdienen minder) naar de taakverdeling binnen het gezin, waar ze om die reden het grootste deel van het opvoedend werk op zich nemen. De ‘economische’ afweging die het gezin maakt en de ‘keuze’ van vele vrouwen om deeltijds of niet meer te gaan werken zodra er kinderen zijn, zijn in feite directe gevolgen van (onbewuste) discriminatie op de werkvloer.

Doorsijpelende onrechtvaardigheden

Om nog duidelijker te maken hoe dit ‘doorsijpelen’ concreet in zijn werk gaat, stellen we ons de levensloop van een fictieve vrouw - we noemen haar Emma - voor. Wanneer Emma als jong meisje voor haar studiekeuze staat, houdt ze er, op raad van goedbedoelende opvoeders en studiebegeleiders, rekening mee dat het stichten van een gezin een belangrijke rol zal spelen in haar toekomst. Later zullen echter ook haar professionele ambities erdoor worden bepaald, het is nu eenmaal ‘verstandig’ - daar is iedereen het over eens - om rekening te houden met haar kinderwens. Haar vriend Tom deelt deze wens, maar niemand die hem zegt dat dit gevolgen zal hebben voor zijn carrière. Emma komt dan terecht in wat men noemt de ‘zachte’ sector: makkelijker te combineren met een gezin, hoewel minder goed betaald, juist omdat het gaat om zorg- en dienstverlenende jobs. We zien dat onbewuste vooroordelen in opvoeding en onderwijs, evenals vooroordelen over de waarde van ‘zorg’, Emma’s positie op de arbeidsmarkt sterk hebben beïnvloed.
Wanneer Emma en Tom aan hun gezin beginnen, bestaat er al een beduidend verschil in inkomen. Een traditionele rolverdeling is er niet, zolang ze allebei werken, maar dit verandert wanneer het koppel kinderen krijgt. Emma’s carrière loopt door de zwangerschappen vertragingen op, waar weinig begrip voor is en ze zal relatief minder snel promotie maken (lees: nog minder gaan verdienen in vergelijking met haar partner). Omdat de zorg voor kinderen bovendien moeilijk te combineren is met twee bloeiende carrières, wordt dan gekozen voor de loopbaan van één van de twee. Logischerwijze zal dat Tom zijn, die economisch sterker staat dan Emma en dus een argument heeft om - als hij dat zou willen - alle zorgtaken binnen hun gezin op haar af te schuiven. Emma blijft deeltijds werken, maar haar job biedt weinig toekomstperspectieven, uitdagingen of promotiekansen en het salaris stelt teleur. Op een gegeven ogenblik is de loonasymmetrie zo groot, dat Emma’s relatie met Tom er in economisch opzicht een van afhankelijkheid wordt. Onrechtvaardige verdelingen op de arbeidsmarkt en binnen het gezin versterken elkaar zo in Emma’s leven.
Wanneer het koppel in conflict raakt, bevindt zij zich in de meest kwetsbare positie. Haar afhankelijkheid speelt haar nu parten: dreigen met een breuk of echtscheiding zou Tom kunnen doen, maar is voor haar geen optie. Als ze wil blijven doen waar ze in haar leven voor ‘gekozen’ heeft - voor de kinderen zorgen - is ze na zo’n breuk afhankelijk van alimentatiegeld. Daar kan ze echter niet op rekenen, want alimentatie afdwingen is geen prioriteit voor justitie en ook het alimentatiefonds is op de lange baan geschoven.9 Of ze moet na de breuk opnieuw voltijds gaan werken, maar terwijl ze zorgde voor haar gezin, zijn haar kansen op de arbeidsmarkt nog verslechterd: ze is ouder, ‘heeft weinig interessante ervaring opgedaan’, geen promoties gemaakt en als vrouw met kinderen zal men haar minder graag aannemen. Emma zal zich gedwongen zien bepaalde situaties tegen haar wil te aanvaarden en komt, samen met haar kroost, in de meest penibele positie terecht wanneer het uiteindelijk toch tot een scheiding komt. Terwijl dat Toms positie weinig invloed heeft ondervonden van zijn ouderschap, zijn de kansen van Emma als ‘zorgende’ partner beduidend afgenomen.10

Samenvattend

Werkgevers zien in vrouwelijke sollicitanten (in tegenstelling tot de mannelijke) in de eerste plaats eventuele moeders, die zwangerschapsverlof nodig zullen hebben, voor zieke kinderen moeten zorgen, op termijn deeltijds zullen gaan werken, … Dit vanuit de ervaring dat vele vrouwen deze ‘keuzes’ inderdaad gemaakt hebben ten gevolge van hardnekkige rollenpatronen binnen het gezin. Vrouwen én mannen die in hun gezin tegen dit rollenpatroon willen ingaan, krijgen te maken met verwachtingen die niet stroken met hun eigen wensen en die hen tóch een bepaalde richting uitsturen.
Daarnaast wordt ‘zorg’ - onbetaald of onderbetaald - nog steeds in grote mate verstrekt door vrouwen. De onderwaardering voor dit soort arbeid vindt eveneens zijn oorsprong in de historische onderwaardering van vrouwen zelf en de rollenpatronen die daarbij hoorden. Het leidt ertoe dat zorgbanen nog steeds slecht betaald worden, dat er te weinig kinderopvang wordt voorzien en dat huisarbeid op geen enkele manier gecompenseerd wordt en zelfs niet als ‘werk’ wordt beschouwd. Ook dit maakt dat vrouwen vaker voor hun kinderen thuisblijven, wat de oorspronkelijke plannen ook waren. Tot slot zorgen al deze feiten ervoor dat goedbedoelende opvoeders meisjes al vroeg aanraden om rekening te houden met hun kinderwensen, waardoor ze met reeds verminderde kansen starten. Dit zijn geen bewuste discriminaties, slechts gevolgen van ‘logische’ redeneringen die allemaal samen een vicieuze cirkel vormen die gelijke kansen voor vrouwen in het gedrang brengt. Alleen is er geen logica die zegt dat alleen vrouwen zorg kunnen verstrekken, een ook al geen die zegt dat uit werken gaan per definitie niet te combineren zou zijn met zorgen voor een gezin: dit zijn onbewuste vooroordelen. Zoals gezegd, is het om deze cirkel te doorbreken niet voldoende om gelijke rechten en vrijheden af te dwingen: er is wel degelijk nood aan een actief en gecoördineerd gelijkekansenbeleid binnen verschillende sferen van de samenleving. Blijft nog de vraag of dat een taak is voor de politieke leiders van een liberale democratie.

Ruimte voor een gelijkekansenbeleid?

Ruimte voor Gelijke Kansen op politiek niveau?

Op vraag waarom deze onrechtvaardigheden een politiek probleem vormen, kan meer dan één antwoord worden gegeven.11 Ten eerste neemt politiek tussen de verschillende sferen van de maatschappij een bijzondere plaats in. Het is immers de politiek die de structuur van de maatschappij bepaalt door de grenzen tussen de verschillende sferen af te bakenen. De eigenheid van een sfeer of domein is het resultaat van de manier waarop daar door politieke regelgeving vorm aan wordt gegeven. De politiek bepaalt daarbij de minimumstandaard van rechtvaardigheid waaraan binnen de respectievelijke sferen moet worden voldaan. Het is dan ook enkel met behulp van staats- of politieke macht dat het doorsijpelen van onrechtvaardigheden kan worden tegengegaan.
Ten tweede heeft de overheid er belang bij dat deze structurele onrechtvaardigheden niet enkel op de arbeidsmarkt, maar ook binnen het gezin worden aangepakt. Immers, er gaat niet alleen aanzienlijk wat menselijk kapitaal verloren wanneer vrouwen systematisch minder deelnemen aan de arbeidsmarkt. Ook de onrechtvaardigheden die binnen het gezin spelen, vormen een politiek probleem. Gezinnen zijn nu eenmaal de structuren waarbinnen kinderen, de toekomstige burgers, worden geboren en grootgebracht.12 Hier gebeurt de reproductie van de maatschappij. Het is dan van het allergrootste belang dat toekomstige burgers er een adequate zin voor rechtvaardigheid kunnen ontwikkelen, wat door traditionele rollenpatronen en andere onrechtvaardige machtsverhoudingen binnen het gezin in gevaar wordt gebracht. Een staat heeft er alle baat bij dat gezinnen rechtvaardige omgevingen zijn voor alle personen die er deel van uitmaken.
Naast deze principiële motieven nog een pragmatisch argument: niet alleen de kwaliteit van maatschappelijke reproductie maar ook de kwantiteit daarvan - het geboortecijfer - is een goede reden voor een overheid om belang te stellen in een rechtvaardige verdeling van de zorgarbeid binnen het gezin. Zolang zorg- en andere arbeid moeilijk met elkaar te combineren blijven, is voor vrouwen de meest aantrekkelijke optie het aantal kinderen sterk te beperken in functie van een carrière. Ook dit vormt een bedreiging voor het ordelijk voortzetten van een samenleving.

Ruimte voor Gelijke Kansen in een liberale democratie?

Kunnen deze feministische theorie en de visie op politiek en rechtvaardigheid achter de aangevoerde argumenten, in overeenstemming worden gebracht met de manier waarop we onze eigen samenleving begrijpen? Stroken ze met de ideeën die in onze liberale politieke cultuur aanwezig zijn? Kan men binnen ons westers, liberaal-democratisch kader zulke genderkwesties aankaarten en structureel beleid rechtvaardigen zonder in conflict te komen met een aantal liberale basiswaarden?
Het is belangrijk deze vraag te stellen omdat liberalisme en feminisme in het verleden, ondanks hun gemeenschappelijke ontstaanswortels in de wens tot emancipatie van het vrije autonome individu, wel eens met elkaar in de clinch lagen. Dit omdat de basisstelling van het feminisme, de inmiddels welbekende slogan ‘het persoonlijke is politiek’, ingaat tegen één van de meest fundamentele elementen van het liberale denken: de scheiding tussen de publieke en de private sfeer.
De kernwaarde in een liberale democratie is ‘autonomie’, de mogelijkheid tot zelfbeschikking van haar burgers. De staat is er om deze mogelijk te maken, én te beschermen. Om ze mogelijk te maken want zonder een of andere vorm van politieke structuur is autonomie ondenkbaar en zouden mensen overgeleverd zijn aan de willekeur van diegenen die toevallig machtiger (sterker, rijker, slimmer) zijn dan zij. Politiek is een noodzaak. Hun zelfbeschikkingsrecht geeft burgers evenwel de mogelijkheid deel te nemen aan de macht en een stem te hebben in de politieke beslissingen die hen aanbelangen. Anderzijds blijft wel het gevaar van een teveel aan politieke inmenging in de persoonlijke keuzes van mensen, wat eveneens een inperking van hun autonomie zou betekenen. Burgers moeten hun privéleven zoveel mogelijk vrij kunnen inrichten, zolang anderen daar geen nadeel van ondervinden. Vandaar het belang van een goed bewaakte scheiding tussen een politieke en een private sfeer. Ook dit is de taak van de overheid. Alleen als zij die vervult, heeft elke persoon de mogelijkheid de eigen morele overtuiging (privé/persoonlijk) na te leven en - onafhankelijk van wat die morele overtuiging inhoudt - te participeren aan het bestuur van de samenleving (publiek/politiek).

Tweerichtingsverkeer

Wat kan feminisme hier nu in hemelsnaam op tegen hebben? Wil het zelf niet deze autonomie voor vrouwen bewerkstelligen? Vanwaar dan die slogan ‘het persoonlijke is politiek’? Gaan we even terug naar de één-systeem-theorie. Ook deze vertrekt vanuit de intuïtie dat het onrechtvaardig is, zich zomaar uitgeleverd te weten aan ongelijke en oneerlijke machtsverhoudingen. Politiek heeft in die visie eveneens een mogelijk makende (vormgevende) en beschermende (‘grensbewakende’) functie. Tot daar kan de parallel getrokken worden.
Het sterk kritische aspect van deze theorie is echter dat ze de strikte scheiding tussen publieke en private sfeer ontmaskert als een luchtspiegeling. Eerst en vooral omdat er ook tussen het politieke domein en het gezin (privédomein bij uitstek, zo zou je denken) tweerichtingsverkeer van doorsijpelende onrechtvaardigheden bestaat. Waar de overheid officieel laat uitschijnen dat ze zich buiten de privésfeer houdt, bepaalt ze in feite de structuur van de verschillende domeinen van de samenleving, inclusief het gezin. Het gezin wordt immers op politieke wijze vormgegeven door onder andere huwelijks-, afstammings-, echtscheidings- en abortuswetgeving. Ook arbeidswetgeving (bijvoorbeeld rond zwangerschap) speelt een rol en zelfs het strafrecht heeft zijn invloed, denk maar aan het feit dat verkrachting binnen het huwelijk lang geen omschreven misdaad was. Vele andere, nog voortbestaande aspecten van deze vormgeving zijn evenmin neutraal: zou een volledig vrouwelijk parlement alimentatiefondsen op de lange baan schuiven of besluiten dat de naamgeving van kinderen enkel volgens de vaderlijke lijn mag gebeuren?
Dat vrouwen - ondanks paritaire aanwezigheid op de kieslijsten - nog niet de helft van de parlementaire vertegenwoordigers uitmaken, vindt dan weer zijn oorsprong in het doorsijpelend ‘verkeer’ in de andere richting. De plaats van een vrouw in haar gezin bepaalt sterk haar mogelijkheden een aandeel te verwerven in de politieke macht. Het onevenredig grote deel van het huishoudelijk en het opvoedend werk, dat vrouwen op zich nemen, verhindert hen actief deel te nemen aan het ‘publieke’ leven. Als ze dat toch doen zal dat meestal niet in de meest veeleisende, bestbetaalde jobs zijn - een te groot gedeelte van de vrouwen staat bijvoorbeeld nog steeds op de onverkiesbare plaatsen. Ze komen nog steeds niet vaak terecht in de politieke of juridische sleutelposities van waaruit ze werkelijk invloed zouden kunnen uitoefenen op de situatie van hun seksegenoten. Concreet geldt dit trouwens voor alle participerende ouders, ook mannen. De personen die zodoende de meeste invloed hebben op het beleid en op de vormgeving van de maatschappelijke structuren zijn dan, ongeacht hun geslacht, degenen die waarschijnlijk de minste ervaring hebben met zwangerschap, opvoeding, zorg en discriminatie in hun persoonlijk leven. Dít is wat feministen bedoelen als ze zeggen dat het persoonlijke wel politiek is. Vele vrouwen genieten niet van volwaardige autonomie omdat hun persoonlijke situatie de mogelijkheid tot politieke participatie uitsluit.

Privacy

De bezorgdheid om volwaardige autonomie voor iedere burger op politiek én persoonlijk vlak wordt door liberalisme en feminisme gedeeld. Er is evenwel nog een tweede reden waarom feministen sceptisch staan tegenover een scheiding tussen publieke en private sfeer. Geen discussie mogelijk over het feit dat ieder recht heeft op een persoonlijke levenssfeer die door overheid en buitenstaanders moet worden gerespecteerd. Deze is immers voor vrouwen en mannen noodzakelijk om te komen tot de zelfontplooiing die volwaardige autonomie kenmerkt. Probleem is echter dat onder deze term in de praktijk nog veel te vaak ‘familiale privacy’ wordt verstaan, een idee die stamt uit de tijd dat de pater familias heer en meester was binnen de muren van zijn woning. Hoewel ook de familiale sfeer respect vanwege buitenstaanders verdient, leiden misplaatste terughoudendheid en de verwarring over wat ‘privacy’ eigenlijk inhoudt, ertoe dat huiselijk geweld nog steeds een van de grootste taboes blijft. Dit terwijl één op tien (volgens sommigen zelfs één of vijf) vrouwen in hun leven te maken krijgen met mishandeling. Gemiddeld zijn ze al dertig (30!) keer mishandeld vooraleer buren of vrienden de politie inschakelen, waarmee niet gezegd is dat er daarna daadwerkelijk iets verandert aan de situatie.
Echte privacy zou voor deze vrouwen meer dan welkom zijn, volwaardige persoonlijke autonomie ook. Er is volgens feministen dus niet noodzakelijk iets mis met de liberale idee van autonomie en het onderscheid tussen het politieke en het persoonlijke dat daaruit volgt. Alleen mag dit niet voorgesteld worden als een strikte scheiding van sferen: zo verbergt men een voor vele vrouwen verstikkende verhouding tussen gezin en politiek.

Conclusie

Tijd om terug te komen op de uitgangsvraag. Is er nood aan en ruimte voor een actief gelijkekansenbeleid in de liberale democratie, zoals wij die kennen? Mijn antwoord is tweemaal een volmondig JA. De realiteit op het vlak van gelijkwaardigheid tussen mannen en vrouwen strookt immers niet met de opvatting die daarover onder een groot deel van de bevolking leeft. Gelijke rechten en vrijheden alleen kunnen de klus niet klaren, waaraan gewerkt moet worden zijn gelijke mogelijkheden om deze te benutten. Dit gelijkekansenbeleid is een politieke kwestie. De politieke overheid bepaalt immers in belangrijke mate de maatschappelijke structuren en in de huidige structuur zitten nog steeds onrechtvaardige, elkaar versterkende machtsonevenwichten tussen de geslachten ingebakken. Vrouwen én mannen die belang hechten aan gelijke deelname aan ouderschap, zorg, arbeid en politiek, worden daar tegen wil en dank het slachtoffer van. Ogenschijnlijk neutrale maatregelen (wetgeving rond alimentatie, privacy, geldelijke overheidssteun) bevoordelen mannen ongewild. Een liberale democratie die daarom speciaal aandacht heeft voor structurele ongelijkheden tussen vrouwen en mannen is geen contradictie. Om te zorgen dat alle vrouwen zowel op persoonlijk als politiek vlak dezelfde, volwaardige autonomie zouden kunnen genieten, is die bijzondere aandacht nodig. Vrouwen zijn nog steeds een kwetsbare groep in de samenleving, waar het gaat om onevenredige machtsverhoudingen. Dit rechtvaardigt ‘onevenredige’ aandacht voor de concrete gevolgen die politieke beleidsvorming voor hen heeft. Indien meer opvoedende, zorgende, participerende ouders annex werknemers zouden kunnen wegen op dit beleid, zou een minister voor Gelijke Kansen die deze aandacht waarborgt, overbodig zijn. Maar in die wereld leven wij niet, zo wijzen alle cijfers uit.
Wat de regering Verhofstadt II betreft: de aanstelling van een minister die ook alleenstaande moeder is, is een opsteker van formaat. Minder positief is het feit dat aan haar gezinssituatie onevenredig veel aandacht wordt geschonken. Weet u hoeveel kinderen de verschillende mannelijke ministers hebben, of die kinderen nog thuis wonen, wat hun partners doen? Bovendien is minister Van den Bossche nog steeds de uitzondering en niet de regel. Zolang dit het geval is, blijft een bevoegdheid Gelijke Kansen aan de orde. Dat deze er niet kwam, lijkt in het licht van de hier gemaakte inhoudelijke overwegingen onbegrijpelijk, maar ook de grenzen tussen politiek en media zijn poreus. De aanstelling van een ‘opmerkelijk’ aantal vrouwelijke regeringsleden hoort perfect thuis in de politieke ‘goednieuwsshow’ waarvan het publiek al een tijdje getuige mag zijn. Een minister voor Gelijke Kansen past niet in dat plaatje. Wat er ook is rondverteld over deze ‘vergetelheid’, de regering wilde vooral niet gezegd hebben dat er slecht nieuws is: feminisme is nog altijd niet voorbijgestreefd. Ze nam dan maar een loopje met de realiteit én met haar publiek. Van de eerste is geweten dat ze zich wel eens wil wreken. Ik vrees dan ook dat het afvoeren van Gelijke Kansen een gigantische blunder zal blijken te zijn. Eén die bij de komende regionale regeringssamenstelling hopelijk niet wordt herhaald.

Aagje Ieven
Wetenschappelijk medewerker, Centrum voor Grondslagenonderzoek van het Recht, Faculteit Rechtsgeleerdheid, K.U.Leuven

Noten
1/ Barbara Debusschere, ‘Deze regering veegt Gelijke Kansen van tafel. Interview met Myriam Van Varenbergh (RGKMV)’, in De Morgen, 2 augustus 2003. ‘Vrouwen beloven “Gender Blunderboek”’, in: De Standaard, 2 augustus 2003.
2/ Aangezien het de vrouwenbewegingen waren die op dit incident reageerden zal ik ‘gelijke kansen’ alleen vanuit dat standpunt benaderen, hoewel het even interessant en zinvol zou zijn dit te doen vanuit het standpunt van bepaalde minderheidsgroepen in de samenleving die eveneens kwetsbaar zijn in hun beleving van rechten en vrijheden: homo- en biseksuelen, migranten, gehandicapten, ouderen, jongeren uit sociaal minder bevoorrechte milieus, ex-gevangenen, noem maar op. Andere redenen om voor de gender-invalshoek te kiezen zijn, ten eerste, de lager in dit artikel beschreven kloof tussen perceptie en werkelijkheid in verband met gelijke kansen voor vrouwen: juist wat betreft vrouwen leeft de gedachte dat er geen probleem meer is. Ten tweede maken vrouwen nu net geen minderheidsgroep, maar meer dan de helft van de bevolking uit. Ze bevinden zich bovendien in alle geledingen van de maatschappij.
3/ S. Cels, Grrls! Jonge Vrouwen in de jaren negentig. Amsterdam, Prometheus, 1999, p. 31.
4/ Liberaal is een adjectief dat hier telkens gebruikt wordt in de Angelsaksische zin van het woord. Mogelijk zorgt dit voor verwarring. In tegenstelling tot de associaties die ‘liberaal’ bij ons oproept is er binnen dit liberalisme plaats voor zowel vrijheid en diversiteit als voor gelijkheid. Sociaaleconomische rechten zijn dus elementen van wat ik liberalisme noem en in die zin zijn de meeste Westerse samenlevingen - evenals onze eigen sociale democratie - inderdaad ‘liberale’ democratieën.
5/ Cijfers van het Nationaal Instituut voor Statistiek op: http://statbel.fgov.be; en uit: Gelijke kansenindicatoren in Vlaanderen. Statistieken en Indicatoren voor een gelijke kansenbeleid voor mannen en vrouwen, Steunpunt gelijkekansenbeleid consortium UA en LUC, 2002.
6/ ‘Vrouwen verdienen nog altijd 20 procent minder’, in: De Standaard, 28 mei 2002; ‘Eén derde van de Belgen wil geen job meer’, in: De Standaard, 25 januari 2002; ‘Overheidsgeld komt ongewild vaker bij mannen terecht’; in: De Standaard, 8 november 2003; ‘Eén op de tien vrouwen slachtoffer partnergeweld’, in: De Standaard, 24 maart 2003; en Gert Gielen ‘Eén op vijf vrouwen wordt mishandeld. Geweld tegen vrouwen nog niet in kaart gebracht’, in: Campuskrant, 8 mei 2002.
7/ Naomi Wolf in: Marc Hooghe, ‘Interview. Naomi Wolf over ouderschap en gelijke kansen’, in: Standaard der Letteren, 23 mei 2002.
8/ Okin introduceerde deze theorie, die ze zelf de ‘family as linchpin-theory’ noemt, in: Susan Okin, Justice, Gender and the Family, New York, Basic Books, 1989. Ze ging er onder andere voor te leen bij: Michael Walzer, Spheres of Justice, Oxford, Blackwell, 1983. Deze en volgende paragraaf zijn een aangepaste weergave van hoofdstukken 6 en 7 uit S. Okin, Justice, Gender and the Family, passim.
9/ ‘Jaarlijks 22.000 klachten omtrent kinderen na scheiding’, in: De Standaard, 30 september 2003; en: ‘Alimentatiefonds dit jaar dode letter’, in: De Standaard, 26 november 2003.
10/ Hoewel zorgende vaders niet reeds van tevoren te maken zullen krijgen met vragen als ‘en wat als er kinderen komen?’ omdat er door werkgevers van uitgegaan wordt dat hun partners deze taken wel op zich zullen nemen
11/ Voor het eerste argument, zie: Michael Walzer, op. cit. Voor het tweede, zie: Susan Okin, op. cit., voor beide, zie: John Rawls, ‘The Idea of Public Reason Revisited’, in: John Rawls, Collected Papers, Cambridge, Harvard University Press, 1999, in het bijzonder §5: ‘On the Family as Part of the Basic Structure’.
12/ Hierbij wil ik het gezin (in navolging van: John Rawls, op. cit.) niet bij voorbaat definiëren als een vader, een moeder en twee kinderen, maar wel als een hechte samenlevingsvorm waarvan zowel één of meer kinderen als één of meer gezaghebbende volwassenen deel uitmaken, ongeacht het geslacht van deze volwassenen en het karakter van hun relatie.

vrouwen - gelijke kansen - feminisme

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 4 (april), pagina 47 tot 55