Log in

Pleidooi voor een nieuwe politieke mediacultuur - revisted

In 2000 publiceerden we in Samenleving en politiek een artikel met betrekking tot de beeldvorming van de media over het Vlaams Blok. We schreven dit naar aanleiding van de ostentatieve en principiële weigering van communicatiestrateeg Noël Slangen om in de parlementaire dioxinecommissie te antwoorden op vragen van Vlaams Blok- volksvertegenwoordiger Gerolf Annemans. Eén van de argumenten die Slangen toen aanhaalde was de disproportionele aandacht van de media voor de vertegenwoordigers en het discours van deze extreemrechtse racistische partij. Dit incident, alsook de vaststelling dat de mandatarissen van het Vlaams Blok in diverse media - inclusief de openbare omroep - werden opgevoerd als gelijkwaardige gesprekspartners, was toen voor ons de aanleiding om te pleiten voor een nieuwe politieke mediacultuur die erop gericht is een onderscheid te maken in de berichtgeving en duiding tussen de democratische politieke partijen enerzijds en antidemocratische partijen, zoals het Vlaams Blok, anderzijds.

Ondertussen zijn we echter 4 jaar verder en kan gesteld worden dat er in wezen niet zo heel veel veranderd is in de manier waarop de media het Vlaams Blok behandelen. Hoewel de democratische politieke partijen zich reeds jarenlang min of meer strikt hielden aan een cordon sanitaire, was van een cordon médiatique, in de betekenis van het Vlaams Blok niet te behandelen als een gelijkwaardige gesprekspartner, geen sprake. Diverse media bleven het Vlaams Blok een forum bieden zodat het maatschappelijk schadelijk discours gericht op het toekennen van negatieve identiteiten aan bepaalde subgroepen in onze samenleving vrij kon circuleren. De commotie die ontstaan is met betrekking tot de recente veroordeling van de aan het Vlaams Blok gelieerde vzw’s op basis van de antiracismewetgeving, toont ook aan dat de implementatie en naleving van de door ons voorgestelde politieke mediacultuur nog steeds problematisch is. Alleen wordt de noodzaak voor deze nieuwe politieke mediacultuur nu ook juridisch onderschraagd en is een nieuw feit ontstaan.
Het lijkt ons opportuun om in dit bestek even onze vier richtlijnen en de gevolgde argumentatie, te recapituleren. Zoals eerder reeds gesteld gaan we er - net zoals het Gentse Hof van Beroep - vanuit dat het Vlaams Blok1 geen partij is als de anderen daar die partij fundamenteel antidemocratisch is. We gaan er bovendien ook vanuit dat er binnen een democratie een zo extreem mogelijk pluralisme aan meningen en ideeën moet kunnen bestaan en dat deze meningen en ideeën moeten kunnen circuleren, maar dat dit volledig - en enkel - binnen een democratie en vooral binnen een democratische cultuur moet gebeuren. Om het met een bekend Duits gezegde te formuleren: Keine democratie für die feinden der democratie. De media dragen daarbij naar onze mening de sociale verantwoordelijkheid deze democratie te beschermen en antidemocratische krachten in de samenleving te ontmaskeren. Dit moet niet gebeuren door geen aandacht voor het Vlaams Blok te hebben, integendeel, maar ook niet door hen een forum te bieden voor de verspreiding en propagering van hun racistisch discours, zoals nu het geval is.

Journalisten beroepen zich momenteel vaak op, ten eerste, noties van objectiviteit om een gesprek of debat met een Vlaams Blok-vertegenwoordiger te verantwoorden en zien daarbij, ten tweede, een zogenaamd ‘kritische aanpak’ als voldoende garantie voor de democratie. Zoals reeds in 2000 gesteld beschouwen wij de huidige representatie van het Vlaams Blok en zijn vertegenwoordigers, als een legitieme en gelijkwaardige oppositiepartij, niet als objectieve verslaggeving. Door de Vlaams Blok-politici nagenoeg onbelemmerd een forum aan te bieden om hun discours - gebaseerd op een essentialistische politiek van negatieve identiteiten (anders gezegd een ‘wij versus zij’-logica) - te herhalen, wordt de indruk gewekt dat racisme een mening is als een andere en wordt actief meegewerkt aan de normalisering van deze partij. Het racistische gehalte van hun discours weegt naar onze mening echter zo sterk door dat berichtgeving die hieraan voorbijgaat en hiervoor een forum biedt, geen objectieve berichtgeving kan zijn, zeker niet nu een rechtbank dit racistische karakter tot een juridisch feit heeft gemaakt. Zoals keer op keer kan worden vastgesteld, maakt het ook weinig of niets uit of de journalist in kwestie kritisch is. Vlaams Blok-politici zijn voldoende getraind om dit te omzeilen en kennen maar al te goed de kracht van de herhaling. Een kritische aanpak van de journalist kan in deze niet vermijden dat de Vlaams Blok-vertegenwoordigers hun discours steeds opnieuw kunnen ventileren.
Er is nog een derde (en ultiem) argument dat journalisten vaak gebruiken om hun keuze het Vlaams Blok aan het woord te laten, te legitimeren. Zij stellen dat de democratische verkiezing van Vlaams Blok-politici op zich voldoende is om hen dit mediale spreekrecht te gunnen. Ons antwoord is hier dat het democratisch gehalte van een politieke partij niet enkel bepaald wordt door formeel democratische criteria - zoals bijvoorbeeld het behalen van een aanzienlijk deel van de stemmen in verkiezingen. Een permanente toetsing aan de (interne) democratische cultuur en de achterliggende waarden is evenzeer noodzakelijk. Het is op basis van deze toetsing dat we stelden en nog steeds stellen dat het ondemocratische karakter van deze partij en hun racistisch gedachtegoed de heersende democratie en dus ook de media verplichten tot een specifieke (maar steeds proportionele) reactie.
Het valt ten zeerste te betreuren dat deze discussie binnen mediaorganisaties, alsook in de ruimere publieke sfeer, pas de laatste jaren echt op gang is gekomen. Desalniettemin is dit een gunstige evolutie die, volgens onze bescheiden mening, voortgezet en uitgediept moet worden aan de hand van de vier actiepunten die wij identificeerden in ons artikel van 2000. Een geactualiseerd overzicht:
. Het ernstig nemen van de voedingsbodem, het formuleren van democratische antwoorden daarop en het in dialoog treden met de kiezers van het Vlaams Blok. Dat moet vertaald worden in een constante politieke en mediatieke aandacht voor die problemen, maar zeker ook voor de concrete oplossingen en verbeteringen die de democratische partijen realiseren.
. In verband met de representatie van de politieke partij Vlaams Blok in de media menen we nog steeds dat de media zelf - desnoods met de wetenschappelijke onderzoeksgemeenschap in een ondersteunende rol - een introspectieve analyse moeten uitvoeren van de niet-objectieve representatie van het Vlaams Blok in de huidige berichtgeving en van de mechanismen die aan de oorzaak liggen van deze misrepresentatie. Het is hierbij nodig zowel aandacht te besteden aan de mechanismen op het scherm als achter de schermen - zoals bijvoorbeeld het gebruik maken van strategische lekken. De sterk opgeklopte Visa-affaire in Antwerpen is daar het recentste voorbeeld van.
. Tegelijk pleiten we nog steeds voor een kritische journalistiek, waarbij over het Vlaams Blok en de maatschappelijke problemen die ze op de agenda plaatsen, wordt gepraat zonder de vertegenwoordigers van deze partij als gelijkwaardige gesprekspartners te behandelen. Het zou hoogst onverstandig zijn om het discours van het Vlaams Blok dood te zwijgen. Het kennen en kunnen bestuderen van dit Vlaams Blok-discours is daarom van het grootste belang. Daarnaast menen we dat er nog steeds een grote nood is naar diepgaande onderzoeksjournalistiek gericht op de interne werking van het Vlaams Blok.
. Ten slotte moeten journalisten en media die deze principes toepassen, voldoende bescherming genieten. Al jaren intimideert het Vlaams Blok journalisten via rechtbanken, deontologische comités of raden van beheer. Deze tot hiertoe zeer succesvolle strategie heeft tot doel, aandacht voor haar mandatarissen en partijprogramma juridisch af te dwingen en kritische stemmen het zwijgen op te leggen. Journalisten en media moeten daartegen worden beschermd, op basis van wettelijke regelingen en expliciete stellingnames van de beroepsorganisaties en de raden van beheer van de betrokken mediaorganisaties.

Het is fair te stellen dat op een aantal van deze punten reeds verbetering is vast te stellen ten opzichte van de situatie van 4 jaar geleden. Met betrekking tot het vierde punt, bijvoorbeeld, is de uitspraak van het Hof ook een precedent waarop kritische journalisten, maar ook raden van beheer en deontologische comités, zich kunnen baseren om een andere aanpak te verantwoorden. Verder kan ook verwezen worden naar de VRT-nota ‘De VRT en de democratische samenleving’ uit 2001. Deze nota stelde na een grondige analyse dat het Vlaams Blok: ‘geen politieke partij is als al de andere en dat er minstens ernstige vragen moeten worden gesteld over de discriminaties, waarvan het Blokprogramma blijk geeft en van de openlijke afwijzing van de multiculturele samenleving. Bijgevolg zal de VRT erover moeten waken om deze standpunten, die in strijd zijn met de Verklaring van Praag én met de opdracht van de VRT, in zijn uitzendingen niet aan bod te laten komen. (…) Dit betekent dat het verantwoord is dat vertegenwoordigers van het Vlaams Blok niet aan bod komen in bepaalde politieke debatten en politieke - inclusief parlementaire - verslagen.’ Echter, bij de Federale verkiezingen van 18 Mei 2003 kon worden vastgesteld dat het omzetten van deze intentieverklaring naar concrete praktijk uitermate problematisch verliep, getuige de opvallende aanwezigheid van vertegenwoordigers van het Vlaams Blok in debatten en verkiezingsshows. Een hele reeks middenveldorganisaties en sympathiserende burgers lanceerden als reactie hierop de ’16 Mei Oproep’, een protestactie die de openbare omroep opriep zijn nota strikter toe te passen. Ook op VTM komen vertegenwoordigers van het Vlaams Blok overigens nog steeds op een gelijkwaardige manier aan bod. Hetzelfde geldt voor de geschreven pers, waar ook nog steeds behoorlijk veel journalisten het Vlaams Blok als een normale oppositiepartij beschouwen.

In het licht van de recente veroordeling van de Blok-vzw’s lijkt het ons aangewezen dat de media, en de politieke redacties in het bijzonder, opnieuw reflecteren over hun specifieke rol en verantwoordelijkheid in de representatie en normalisering van het Vlaams Blok, zijn vertegenwoordigers en het racistische discours dat zij - via diezelfde media - mogen verspreiden. Wij vragen daarbij met aandrang dat zij na deze gerechtelijke uitspraak hun sociale en democratische verantwoordelijkheid uitdrukkelijk opnemen.

Bart Cammaerts en Nico Carpentier 2

Noten
1/ Het Hof veroordeelde drie vzw’s die nauw verbonden zijn met het Vlaams Blok; de Nationalistische Omroepstichting, het Nationalistische Vormingsinstituut en de Vlaamse Concentratie. Wij volgen in deze de redering van de Liga voor de Mensenrechten het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding die deze vzw’s gelijk stellen met de partij.
2/ Bart Cammaerts is docent Burgerschap & Media aan de London School of Economics & Political Science. Nico Carpentier is docent aan de vakgroep Communicatiewetenschappen op de KUB & VUB?

Referenties
- 16 Mei Oproep: (2003) ‘Een openbare omroep voor een verdraagzaam en democratisch Vlaanderen!’, zie URL: http://archive.indymedia.be/news/2003/05/63878.html
- Carpentier, N. & Cammaerts, B. (2000) ‘Pleidooi voor een nieuwe politieke mediacultuur: naar een 4-punten plan voor de strijd tegen extreemrechts:’, Samenleving en politiek 7(4), pp.4-13
- Minnaert, M.: (2004) ‘Informatieve tekst over de inhoud van een arrest van het hof van beroep te Gent’, zie URL: http://vl.attac.be/article210.html
- VRT: (2001) ‘De VRT en de democratische samenleving’, Brussel: VRT

media - media en politiek - extreemrechts - Vlaams Blok

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 5 (mei), pagina 15 tot 18