Abonneer Log in

And the winner is.... Enkele kanttekeningen bij de sociale verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 38 tot 46

Van 6 tot en met 19 mei werd naar vierjaarlijkse gewoonte opnieuw een oefening in sociale democratie georganiseerd. In ongeveer zesduizend ondernemingen konden arbeiders, bedienden, jongeren en kaderleden hun vertegenwoordigers kiezen voor de Ondernemingsraad en het Comité voor Preventie en Bescherming op het Werk (CPBW). In tegenstelling tot de Vlaamse verkiezingen van 13 juni bleek niet echt één uitgesproken overwinnaar op te staan. Hoewel voor de socialistische vakbond ABVV deze sociale verkiezingen, na alle communautaire en financiële heibel, met het vertrek van voorzitter Mia De Vits als sluitstuk, niet op een slechter ogenblik konden vallen, mocht plaatsvervangend voorzitter André Mordant toch victorie kraaien na het tellen van ruim tachtig procent van de stemmen. De sociale verkiezingen bevestigen ook dit jaar dat werknemers vooral op personen en dus op collega’s en niet zozeer op lijsten stemmen. Maar Mordant is niet de enige om de overwinning naar zich toe te halen. Luc Cortebeeck, maar ook Guy Haaze riepen respectievelijk het ACV en de ACLVB uit tot winnaar. Hetzij in Vlaanderen, Wallonië of Brussel, hetzij in de economische of in de non-profit sector, hetzij in stemmenaantal of in zetels, … De sociale verkiezingen draaiden met andere woorden uit op een win-winsituatie voor alle deelnemers. Geen verliezers, allemaal winnaars. Zo lijkt het, of is het toch iets ingewikkelder?

‘Een syndicale hoogdag’

Alvorens de resultaten en de gevolgen van de sociale verkiezingen te analyseren, wensen we het initiële belang van deze verkiezingen te onderlijnen. De vierjaarlijkse syndicale verkiezingen worden immers niet zomaar beschouwd als een hoogdag voor de vakbonden. Voor de kandidaten zelf is de inzet van de sociale verkiezingen uiteraard een plaatsje in één van de overlegorganen. Hetzij in het CPBW voor de bedrijven vanaf vijftig werknemers, hetzij in de ondernemingsraad in bedrijven vanaf honderd werknemers. In een bedrijf zijn uiteraard nog andere vormen van inspraakmechanismen mogelijk, denk maar aan de syndicale delegatie waar het werknemersbelang voor de volle honderd percent centraal staat. Maar zowel het CPBW als de ondernemingsraad nemen een speciale plaats in omdat het hier gaat over organen van vertegenwoordigend overleg. Het zijn overlegorganen gericht op het belang van de arbeidsorganisatie, maar tegelijkertijd kunnen in dit overleg ook specifieke werknemersbelangen aan bod komen waardoor een stuk medezeggenschap in het beleid van de onderneming kan worden gerealiseerd (Dejonckheere, 1995:54).1
Van zodra een bedrijf vijftig werknemers telt, wordt de werkgever dus verantwoordelijk gesteld om sociale verkiezingen te organiseren. De procedure hiervoor en het verloop van de vierjaarlijkse verkiezingen is nauwkeurig vastgelegd in wetgeving en collectieve arbeidsovereenkomsten. Daarenboven genieten kandidaten en verkozenen een zekere wettelijke bescherming tegen ontslag. Het belang van de syndicale verkiezingen overstijgt trouwens het individuele bedrijfsgebeuren vermits de verkiezingen, en hierin onderscheidt het Belgische systeem zich van andere Europese systemen, in alle bedrijven op ongeveer hetzelfde tijdstip plaatsvinden. Verder zullen we zien dat dit gegeven de sociale verkiezingen soms tot een nationale concurrentieslag tussen de verschillende vakbonden maken omdat de resultaten beschouwd worden als een graadmeter voor de aanhang van de vakbonden. Naast het belang van het lidmaatschap voor de machtspositie van een vakorganisatie2, kunnen ook stemmenpercentages bij sociale verkiezingen indirect de relaties tussen de vakbonden beïnvloeden.
De jarenlange strijd die de arbeidersbeweging heeft moeten voeren, resulterend in een wetgeving die de te volgen procedure minutieus omschrijft, wijst erop dat deze overlegorganen en de sociale verkiezingen die eraan gekoppeld zijn, niet altijd als een evidentie werden/worden beschouwd. Daarom ook dat deze verkiezingen als een hoogdag voor de vakbonden kunnen worden gecatalogeerd.
Toch blijkt het verhaal van sociale democratie niet louter omgeven door positieve geluiden en is ook hier enige nuance op zijn plaats. Allereerst valt op dat een grote groep werknemers buitenspel blijft staan. Wanneer we voor de sociale verkiezingen van 2000 de vergelijking maken van het aantal werknemers tewerkgesteld in een bedrijf waar sociale verkiezingen georganiseerd werden en het totale aantal loontrekkenden, dan blijkt dat respectievelijk slechts iets meer dan een derde en iets meer dan veertig procent van de loontrekkenden tewerkgesteld is in een bedrijf waar verkiezingen voor de ondernemingsraad en het CPBW werden georganiseerd (Van Gyes, 2001: 16-17). Dus nog niet de helft van de werknemers kan deelnemen aan de sociale verkiezingen. Dat is, naast een aantal andere factoren die zo dadelijk nog aan bod komen, onder andere te wijten aan het feit dat er bij de overheid en in de autonome overheidsbedrijven geen sociale verkiezingen worden georganiseerd. Een gegeven waar de hoger vernoemde vakbondsvoorzitters liever niet zo graag mee geconfronteerd worden. De ‘erkende’ vakbonden, dit zijn vakbonden met meer dan vijftigduizend leden, nationaal opererend en lid van de Nationale Arbeidsraad (NAR) en de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB), behouden hier liever het status quo, op basis van een zesjaarlijkse ledentelling.
Sta ons toe hier even een voetnoot te maken bij de erkenningsprocedure van de vakbonden, of de zogenaamde ‘representativiteitsvoorwaarden voor werknemersorganisaties.’ De Internationale Arbeidsorganisatie vraagt expliciet dat de representativiteitscriteria niet alleen duidelijk vooraf bepaald zouden worden (dus voorafgaandelijk aan de erkenning), maar ook dat ze objectief zouden zijn. Niet iedereen gaat dan ook akkoord met het vermeende objectieve karakter van de Belgische representativiteitsvoorwaarden.3 Het criterium van het ledenaantal varieerde inderdaad door de jaren heen. In 1954 stonden de liberalen erop om het ledenaantal te verlagen van honderdduizend naar vijftigduizend zodat ook de liberale vakbond ACLVB als representatieve vakbond kon worden erkend. Een nieuwe aanpassing werd doorgevoerd in de jaren tachtig waardoor de Nationale Confederatie van het Kaderpersoneel (NCK) als representatief kon worden erkend bij de sociale verkiezingen van 1987. Het ledencriterium voor de organisatie van kaderleden kwam daarbij op een grens van tienduizend leden te liggen. Niet alleen de variabiliteit van het ledencriterium leidt tot vraagtekens. Ook het politiek karakter van de beslissing over wie deel uitmaakt van de NAR en de CRB roept vragen op. De leden worden immers ‘door de Koning benoemd.’ Het is duidelijk dat deze representativiteitsvoorwaarden een zekere stabiliteit en rust in ons stelsel van arbeidsverhoudingen teweeg hebben gebracht, onder andere in de organisatie van de sociale verkiezingen. Enkel de vakbonden die aan de representativiteitsvoorwaarden voldoen, kunnen aan de verkiezingen deelnemen. Zo wordt versnippering vermeden. Twee grote vakbonden, met een kleine broertje, staan sterker dan wanneer een aantal kleine vakbonden in verspreide slagorde optreden. Het opbod tussen de vakbonden blijft beperkter en de bereikte akkoorden worden beter nageleefd, wat uiteraard een voordeel oplevert aan de kant van de werknemer. Dit neemt echter niet weg dat de vrijheid van syndicale vereniging op deze manier aan banden wordt gelegd. Iemand die zich kandidaat wil stellen, moet met andere woorden lid zijn van een erkende vakbond. Het hoeft niet te verbazen dat reeds menig commentator de vrees uitte dat onze Belgische vakbonden conservatieve organisaties zijn geworden, die in de eerste plaats hun positie binnen de machtsstructuur krampachtig proberen te verdedigen.
De stabiliteit in het Belgisch overlegmodel, teweeggebracht door onder andere deze representativiteitsvoorwaarden, die we kunnen beschouwen als een vorm van institutionele erkenning, hoeft echter niet noodzakelijk negatief beoordeeld te worden. Mancur Olson (1982: 48) toonde reeds aan dat institutionele integratie van zogenaamde encompassing of ‘omvattende’ organisaties, kenmerkend voor overlegeconomieën behorend tot het neocorporatistische type - waartoe ook België behoort - een voordeel kunnen betekenen in functie van een coherent overheidsbeleid. Omvattende organisaties kunnen eenvoudigweg omschreven worden als organisaties met een relatief heterogene samenstelling waardoor de ledenbelangen zo goed als volledig samenvallen met het ‘algemeen belang.’ De institutionele integratie van deze organisaties betekent dat deze, en in casu de Belgische vakbonden, hun particuliere belangen zullen overstijgen waardoor besluitvorming en conflictoplossing via consensus zal verlopen. Vakbonden zullen dus hun particulier belang overstijgen omdat de belangen die ze te verdedigen hebben, namelijk de belangen van hun leden, zo goed als samenvallen met het algemeen belang in de samenleving. Hierdoor wordt het moeilijk om de eventuele negatieve gevolgen van de vakbondseisen op een andere groep in de samenleving af te schuiven. Deze internalisatie van negatieve externaliteiten gebeurt echter enkel op voorwaarde dat vakbonden tot een interne consensus kunnen komen met betrekking tot een specifiek beleidsthema en dat de leden intern verzoend kunnen worden met de eventueel bereikte onderhandelingsresultaten.4

Europa en de KMO

Via deze omweg keren we terug naar het relatieve belang van de syndicale hoogdag. Want er is nog een tweede element dat in het oog springt bij de lage spreidingsgraad van de sociale verkiezingen. Het ontbreken van verkiezingen in de overheidssector is uiteraard niet afdoende als verklaring hiervoor. Want laten we de overheidsdiensten buiten beschouwing, dan blijkt dat nog steeds maar de helft van de werknemers uit de private sectoren de kans krijgt om deel te nemen aan de verkiezingen. Dit lage aantal wijst vooral op het hoge KMO-gehalte van ons land: bijna één op drie Belgen werkt in een KMO. En vermits er geen verplichting tot sociale verkiezingen bestaat in ondernemingen met minder dan vijftig werknemers, komen deze werknemers niet voor in de participatiecijfers. Hoewel de discussie over organen van vertegenwoordigend overleg in KMO’s al jaren aansleept, staat het gebrek eraan de laatste tijd weer in de schijnwerpers. Onder andere omwille van de opgevoerde druk aan vakbondszijde. Het ACV stelde vorig jaar een engagementsverklaring op, ondertussen ondertekend door 323 politici, met een aantal voorstellen die de weg moeten vrijmaken voor het oprichten van een ondernemingsraad in bedrijven vanaf vijftig werknemers. De christelijke vakbond voelt zich hierbij in het bijzonder gesteund door de Europese richtlijn van 11 maart 2002 over de minimumnormen inzake informatie en consultatie van de werknemers. Deze richtlijn stelt dat bedrijven met vijftig werknemers en vestigingen met tenminste twintig werknemers ten laatste tegen 23 maart 2005 over een algemeen, permanent en wettelijk systeem van informatie en raadpleging moeten beschikken.
De Belgische wet op de organisatie van het bedrijfsleven van 1948 voorzag nochtans al in een ondernemingsraad vanaf vijftig werknemers en een personeelsvertegenwoordiging in bedrijven met twintig of meer werknemers.5 Maar een halve eeuw later is dit nog steeds niet volledig gerealiseerd. De uitvoering wordt via het vierjaarlijks Koninklijk Besluit op de sociale verkiezingen telkens beperkt tot ondernemingen vanaf 100 werknemers. Over de jaren heen werd de grens voor het oprichten van een ondernemingsraad wel verlaagd, maar sinds 1978 bleef die dus op 100 werknemers steken. Volgens Unizo-directeur Kris Peeters hoeft dit geen probleem te zijn. Hij stelt dat in kleine ondernemingen het overleg heel efficiënt verloopt, zij het dan wel op informele wijze. Wat bedrijfsleiders van KMO’s vooral angst lijkt in te boezemen, is dat er straks in KMO’s te veel beschermde werknemers zouden komen. De link tussen beide thema’s lijkt daarmee onvermijdelijk. Tegenover de poging tot politieke ingreep van het ACV poogt Peeters dus een gedragscode naar Nederlands model voor KMO-overleg te zetten. Hij pleit daarbij voor een erkenning van een rechtstreekse dialoog tussen KMO-werkgever en KMO-werknemer, buiten om het even welk overlegsysteem om. De kans dat de vakbonden dit voorstel in het najaar, wanneer de Groep van Tien opnieuw samenkomt voor de onderhandelingen voor een nieuw interprofessioneel akkoord, zullen aanvaarden is minimaal. Het ACV reageerde alvast negatief op het persoonlijk initiatief van de Unizo-directeur. Vakbonden weten zich officieel erkend en zien zich bijgevolg niet graag gepasseerd wanneer het op overleg aankomt. Daarenboven valt het op dat België achterop hinkt inzake werknemersvertegenwoording in KMO’s in vergelijking met andere Europese landen. Het mag de vakbonden alvast hoopvol stemmen dat ze zich gesteund weten door de federale staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie, Kathleen Van Brempt. De hoop die ze uitte bij de bekendmaking van de voorlopige verkiezingsresultaten, dat werknemers van KMO’s reeds in 2008 naar de stembus zullen kunnen gaan, was niet mis te verstaan. Hiermee dringt ze duidelijk aan op een vergelijk tussen vakbonden en werkgevers.

De kans krijgen om te stemmen, maar waarover?

Ten derde zijn er ook nog steeds bedrijven waar onvoldoende mensen bereid werden gevonden om zich kandidaat te stellen. Of bedrijven waar maar evenveel kandidaten opkwamen als het aantal te begeven mandaten. En waar dus geen verkiezingen konden worden georganiseerd. Toch moet deze vaststelling ook genuanceerd worden. Het aantal kandidaten lag in 2004 hoger dan in 2000. En dat de sociale verkiezingen de werknemers niet onberoerd laten, blijkt uit de participatiegraad. In tegenstelling tot de politieke verkiezingen, geldt voor de sociale verkiezingen geen stemplicht maar stemrecht. Toch gaat bijna acht op de tien stemgerechtigden stemmen. Dit jaar werd een participatiegraad van 77 procent opgemeten terwijl die in 2000 iets minder dan 75 procent bedroeg. Bij de jongeren steeg de participatiegraad zelfs met 7 procent. Als het aantal vakbondsleden toeneemt, dan kan dit onder meer, naast andere institutionele argumenten, verklaard worden door de dienstverlening van de vakbonden. Als daarentegen het aantal kiezers toeneemt dan toont dat niet alleen aan dat werknemers belang hechten aan een goed uitgebouwde dienstverlening, maar ook dat de werknemers vertrouwen schenken aan hun belangenverdedigers. De federale staatssecretaris voor Arbeidsorganisatie toonde zich dus terecht tevreden met die vooruitgang. Ook al krijgt niet iedereen de kans om zijn of haar stem uit te brengen, wanneer de kans geboden wordt, dan zien we dat de werknemers ze met beide handen grijpen.
Dit betekent wellicht dat de inspanningen van de vakbonden tijdens de verkiezingscampagne om de werknemers naar de stembus te lokken, renderen. En dat mag, want het kostenplaatje van de nationale campagnes voor de sociale verkiezingen loopt snel op: 1,25 miljoen euro bij het ACV, 1 miljoen euro bij het ABVV en 750.000 euro bij de ACLVB (EIRO, 2004). Wanneer we de verkiezingsprogramma’s kort overlopen dan zien we dat de vakbonden met de volgende slogans naar de kiezer trokken: ‘Uw job, ons werk’ (ACV), ‘Wij kiezen voor u’ (ABVV) en ‘De vakbond van de toekomst’ (ACLVB). In het nationale ACV-programma werd vooral de nood aan werkzekerheid beklemtoond, maar ook de kwaliteit van arbeid en leven stond voorop. Ook bij het ABVV stond kwaliteit van de arbeid als eerste op het prioriteitenlijstje. De ACLVB poogde zich te profileren als ‘anders’: modern, efficiënt en vooruitstrevend. Maar ook hier valt de nadruk op vast werk en het welzijn van de werknemer op. Daarenboven lanceerde ook elke vakbond een oproep om meer vrouwelijke vertegenwoordigers te verkiezen. Qua thema’s sluiten de confederaties alvast goed bij elkaar aan. Dit kan er enerzijds op wijzen dat we ook op het sociale vlak af te rekenen krijgen met een nesteldrang in het centrum. Maar dit is wellicht een te eenvoudige conclusie, al lijken de grote ideologische verschillen inderdaad stilaan afgevlakt. ‘Het bestaan van verschillende vakbonden stimuleert de discussie. Het houdt ons scherp en creatief. Bovendien dwingt het ons tot een goede dienstverlening. Maar de grote verschillen zijn natuurlijk vervaagd. Het is nog een kwestie van imago- en stijlverschil. Qua doelstellingen op lange termijn zitten we op dezelfde lijn, maar de wijze waarop we het willen bereiken verschilt nog’, aldus voorzitter Guy Haaze van de ACLVB aan de vooravond van de sociale verkiezingen in De Morgen (30 april 2004). Anderzijds wijst het belang dat alle confederaties hechten aan de strijd voor een hogere welzijnsgraad van de werknemers uiteraard op een probleem dat vandaag duidelijk op de voorgrond treedt op de Belgische werkvloer. Het zou dus eerder verbazen wanneer bij één van de vakbonden dit thema niet ter sprake werd gebracht.
Al lopen de globale thema’s in de campagne gelijk, een samengaan van de twee grote confederaties lijkt nog steeds onbespreekbaar. Cortebeeck erkent in datzelfde interview in De Morgen dat het ideologisch verschil vroeger groter was, maar beklemtoont dat de basisstandpunten nog steeds verschillen. Het idee van een eenheidsvakbond lijkt, afgaande op verschillende verklaringen in de pers, veraf. Nochtans bewijst de praktijk van het gemeenschappelijk vakbondsfront dat samenwerking op bepaalde tijdstippen zeker mogelijk is. Daarenboven staat het ABVV minder afkering tegenover een eenheidsvakbond.6 Het ABVV betwist daarbij de stelling van het ACV dat het vakbondspluralisme één van de verklaringen is voor de hoge syndicalisatiegraad in België. En veegt meteen ook het argument van de overbodigheid van sociale verkiezingen bij het ontstaan van een eenheidsvakbond van tafel. En inderdaad, zoals de verkiezingen nu georganiseerd worden, gaat het óók niet hoofdzakelijk om grote inhoudelijke verschilpunten. Het blijft vooral zoeken naar de verschillen die dan tijdens de periode voor de verkiezingen uitvergroot worden.

Macht op het spel

‘Machtsverhoudingen tussen vakbonden nagenoeg ongewijzigd’ titelde De Tijd op 22 mei 2004. Alle voorgaande nuanceringen nemen dus niet weg dat de resultaten van de sociale verkiezingen, terecht of niet, bij de publieke opinie nog vaak als graadmeter worden beschouwd voor de onderlinge machtsposities van de verschillende confederaties. Met meer dan 56 procent van de mandaten blijft het ACV inderdaad de grootste vakbond in België. Maar de uitslagen hebben bij nader inzien voor elk wat wils te bieden. Geen enkele vakbond heeft een vernederend verlies geboekt, geen enkele vakbond een klaterende overwinning. De veelvuldige overwinningen moeten echter genuanceerd worden vermits het ook telkens over gedeeltelijke overwinningen gaat. Het ACV boekte een lichte winst in de economische sectoren, maar verloor terrein in de non-profit sector ten voordele van het ABVV. Het ABVV won niet op het vlak van stemmenpercentages, maar wel op het vlak van zetels. Tussen haakjes vertellen we hier ook dat het vrouwenoffensief van de vakbonden niet het beoogde resultaat afwierp, behalve bij de kadervakbond NCK. Daar verdubbelde het aantal vrouwelijke vertegenwoordigers. Deze vooruitgang is natuurlijk relatief vermits het om een kleine vakbond gaat die een resultaat van ongeveer 1,2 procent neerzette. De ACLVB behaalde de vooropgestelde 10-procent-grens niet en de vooruitgang in stemmen werd niet vertaald in zetels. Volgens Haaze was dit te wijten aan het doorkruisen van de politieke verkiezingscampagne met de sociale verkiezingen. De uitspraken van een aantal VLD-mandatarissen omtrent de zondagsrust zouden zijn organisatie stemmen hebben gekost. Daarenboven verweet hij de andere vakbonden een politieke campagne tegen de liberalen gevoerd te hebben met het oog op de verkiezingen van 13 juni.
Pogingen om van de sociale verkiezingen tevens politieke verkiezingen te maken door de campagne te richten op een afkeuring van het regeringsbeleid zijn niet nieuw (Dejonckheere, 1995:55). Bovendien is het doorkruisen van de politieke en de sociale verkiezingen met alle gevaar van politisering tot gevolg niet de enig mogelijk denkbare link met de politiek. Misschien minder evident dan vroeger, wanneer de zogenaamde ontzuiling nog niet was ingezet, is het denkbaar dat ernstige verliescijfers in de sociale verkiezingen de invloed van een vakbond in een bevriende partij kunnen doen afnemen. Anderzijds kan het er ook toe leiden dat de relaties tussen de vakbonden onderling grondig veranderen waardoor misschien net de vakbond die bij de sociale verkiezingen aan het kortste eind trekt, de band met de bevriende partij net nader zal aanhalen om de machtsverschuiving te compenseren. De resultaten van de sociale verkiezingen kunnen daarenboven ook de relaties binnen een vakbond sterk beïnvloeden: er kunnen zich verschuivingen voordoen tussen sectoren en centrales, tussen verbonden, of zoals bij politieke verkiezingen kan bij algemeen verlies het gezag van de leiding worden aangetast.
Dat de sociale verkiezingen met argusogen worden gevolgd, is dus te begrijpen. Bovendien beloven het alweer boeiende tijden te worden voor het Belgisch overlegmodel. Dit najaar staat opnieuw een interprofessionele overlegronde op de agenda. Daar zullen een aantal belangrijke thema’s op tafel worden geworpen, met name de eindeloopbaanproblematiek en de loonnorm. Daarom ook: welke gevolgen hebben de resultaten op de onderlinge verhoudingen tussen de vakbonden en op de verhoudingen met de politiek? En verder, oefenen deze resultaten ook een invloed uit op het verloop van het interprofessioneel overleg? We zijn er ons van bewust dat we binnen het bestek van deze bescheiden bijdrage daar geen afdoende antwoord kunnen op bieden en slechts hoogstens enkele aanzetten kunnen opwerpen.
De relatie tot de politieke ‘zusterpartij’ is, hoewel afgezwakt, doorgaans nog steeds, naast de hoge Belgische syndicalisatiegraad, een klassieke machtshefboom voor een vakbond. We focussen hier even op het ABVV dat omwille van interne, onder andere communautaire, moeilijkheden niet echt vanuit een ideale positie aan de start van de sociale verkiezingen verscheen. Reeds onder het voorzitterschap van Mia De Vits vielen bij vooral de Waalse vleugel van het ABVV minder positieve geluiden te horen omtrent de ‘te weinig kritische’ koers die de vakbond zou varen tegenover het beleid van onder andere de socialistische minister Frank Vandenbroucke. Maar ‘zonder politiek relais kunnen wij onze doelstellingen niet realiseren’, klonk het eufemistisch bij de ex-voorzitster. Was het ABVV sterker uit deze verkiezingen naar voren gekomen, dan was het misschien beter opgewassen tegen de interprofessionele onderhandelingen die voor de deur staan, in die zin dat het ABVV sterker zou staan tegenover het ACV en (dus ook) sterker en onafhankelijker tegenover de socialistische partij. Deze relatie tot de politiek is momenteel beter zichtbaar bij het ABVV dan bij het ACV omwille van de regeringsdeelname van de socialisten. Dit betekent niet dat er geen link meer zou bestaan tussen ACW en CD&V, doch bij het begin van paars-groen in 1999 was de band duidelijk minder sterk. Maar net dit toont ook aan dat een politiek relais inderdaad belangrijk is. Het ACV had schrik voor een regering zonder christendemocraten bij de start van paars-groen waardoor onder andere toenadering gezocht werd tot de groenen, die daar probeerden op in spelen. Concreet voor het interprofessioneel overleg heeft dit tot gevolg dat het ACV haar loyauteit tijdens de onderhandelingen vooral naar de achterban kan concentreren terwijl het ABVV haar loyauteit toch ten dele moet spreiden tussen de achterban en de socialisten in de regering, waaronder Minister van begroting Johan Vande Lanotte die reeds enkele maanden terug opriep tot loonmatiging. Tenzij natuurlijk de uitslag van de verkiezingen van 13 juni, waardoor paars alleszins op Vlaams niveau doorbroken werd, alsnog leidt tot nieuwe ontwikkelingen op federaal niveau en CD&V ‘inbreekt’ in de federale regering.

Conclusie

Het belang van de zogenaamde syndicale hoogdag kan om verschillende redenen worden genuanceerd. Toch wensen we het belang ervan niet plat te nuanceren: ondanks een aantal ‘mankementen’ bepalen de sociale verkiezingen op indirecte manier de inspraakkansen van de werknemers via verschillende kanalen. Daarenboven worden zowel de interne als de externe machtsverhoudingen indirect mee bepaald door de resultaten ervan. Het eindresultaat van de sociale verkiezingen mag dan al hoofdzakelijk bepaald zijn door de dagdagelijkse inzet van de vakbondsmensen op de werkvloer, de gevolgen van dat resultaat zullen zeer zeker ook daarbuiten gevoeld worden. Nochtans verliep de campagne voor de sociale verkiezingen zeer rustig. Via het akkoord dat de vakbonden begin april sloten met staatssecretaris Van Brempt inzake het niet-tussentijds meedelen van de resultaten, werd ook vermeden dat een welles-nietesspelletje rond de uitslagen werd gespeeld. Betekent dit de grote stilte voor de storm van dit najaar? Het belooft alvast opnieuw een moeilijke en hete, maar vooral ook belangrijke, sociale herfst te worden. Moeilijk niet alleen omwille van de interne spanningen binnen de socialistische vakbond, maar uiteraard ook omwille van de onderlinge concurrentie tussen ABVV en ACV. Belangrijk ook omwille van de grote thema’s die straks onderwerp van onderhandeling zullen zijn. Dat de nieuw samen te stellen ondernemingsraden mee de sociale vrede op de werkvloer garanderen impliceert niet noodzakelijk peis en vree op het interprofessionele niveau. Daarvoor zijn de communautaire, economische en politieke belangen uiteraard te groot.
Daarbij komt dat ook het Belgisch overlegmodel een kind is van de nationale staat en dat naarmate de impact van de nationale staat daalt (onder andere door versnelde globalisering), ook de impact van het overleg en per definitie van de sociale partners minder groot wordt. België kent een filiaaleconomie die bovendien sterk exportgericht is. Het gewicht van de economie is in steeds sterkere mate in handen van het buitenland. We kunnen van onze Belgische vakbonden niet verwachten dat ze hier een pasklaar antwoord op hebben. Hun greep op het politiek en maatschappelijk gebeuren is globaal gedaald wat vaak leidt tot een gevoel van onmacht, en in sommige gevallen ook vertaald wordt in ‘negatieve’ machtsuitoefening. Wellicht betekent dit dat de taak van de vakbonden er in de toekomst nog meer in zal liggen om het klimaat van onze bedrijven werknemersvriendelijk te houden: aandacht voor de balans tussen werk en privé, een goed diversiteitsbeleid in de ondernemingen en het blijvend ontwikkelen van de competenties bij werknemers. Vandaar ook het belang van een goed uitgebouwd syndicaal netwerk, gebaseerd op democratische beginselen waar de sociale verkiezingen, alhoewel niet perfect functionerend, een belangrijk onderdeel van uitmaken. Dat toont vooral de hoge participatiegraad aan: daar waar werknemers de kans krijgen om hun vertegenwoordigers te kiezen, wordt die met beide handen genomen. Dat ook jongeren zich in de democratie op de werkvloer lijken te interesseren, kan de vakbonden hoopvol stemmen.

Tine Boucké
Assistente aan de Vakgroep Politieke Wetenschappen - Universiteit Gent

Noten
1/ Uiteraard moeten de bevoegdheden van de ondernemingsraad en het CPBW in het juiste perspectief geplaatst worden. Ondanks het uitgebreid bevoegdhedenpakket (bestaande uit het inwinnen van informatie, het verlenen van advies, medebeslissing en controle) van bijvoorbeeld de ondernemingsraad kadert de inspraak vanzelfsprekend binnen de lijnen van de arbeid-kapitaaltegenstelling: de fundamentele beslissingsmacht blijft in handen van de werkgevers; het machtsvoordeel kan nooit volledig in handen van de werknemers komen. Een machtswissel is met andere woorden uitgesloten, het gaat vooral om een ombuigen of afzwakken van het machtsoverwicht van de werkgever.
2/ Over de hoogte en het belang van lidmaatschap voor vakbonden, zie Vandaele Kurt, In het getal ligt onze macht. Een politiek-wetenschappelijke analyse van de vakbondsledenevolutie in België, 1898-1995. Gent, 2004, onuitgegeven doctoraatsverhandeling.
3/ Volgens Roger Blanpain, professor emeritus arbeidsrecht aan de K.U.Leuven, ‘had ons land allang een sanctie gekregen als ACV-voorzitter Luc Cortebeeck geen ondervoorzitter van de ILO-commissie zou zijn’. In: De Morgen, 12 mei 2004
4/ Voor een bespreking van de evolutie van het Belgisch neocorporatisme, zie Boucké Tine, Vandaele Kurt, Het sociale overleg in België. De loonnorm als fetisj? Gent, Academia Press, 2003
5/ In tal van sectoren bestaat echter wel een syndicale afvaardiging vanaf 30 (bijvoorbeeld de bouwsector), 20 (bijvoorbeeld schoonmaak) of minder werknemers.
6/ Dit blijkt niet alleen nogmaals uit hetzelfde kranteninterview, ook in een persoonlijk interview dat reeds dateert van 2002 met het hoofd van de studiedienst van het ABVV, dhr. Voets, kon worden vastgesteld dat het water duidelijk minder diep is aan de kant van het ABVV.

Bibliografie
- Boucké Tine, Vandaele Kurt, Het sociale overleg in België. De loonnorm als fetisj? Gent, Academia Press, 2003
- Dejonckheere Henk, ‘De sociale verkiezingen: betekenis en knelpunten van een inspraakmechanisme.’ In: Res Publica, 1995, 1, pp.53-65
- European Industrial Relations Observatory Online (Eiro), Nationwide ‘social elections’ held. 2 juni 2004: http://www.eurofound.europa.eu
- Hens Evelyne, ‘Machtsverhoudingen tussen vakbonden nagenoeg ongewijzigd. Status-quo na de sociale verkiezingen’. In: De Tijd, 22 mei 2004
- Meijer Janine, ‘Vakbondsvoorzitters slijpen de messen’. In: De Morgen, 30 april 2004
- Olson Mancur, The Rise and Decline of Nations. Economic Growth, Stagflation and Social Rigidities. New Haven/London, Yale University Press, 1982
- Vandaele Kurt, In het getal ligt onze macht. Een politiek-wetenschappelijke analyse van de vakbondsledenevolutie in België, 1898-1995. Gent, 2004, onuitgegeven doctoraatsverhandeling
- Van Gyes Guy, Een onvolledige strijd. Sociale verkiezingen en democratie cijfermatig bekeken. Leuven, WAV Dossier, 2001

vakbond - sociale verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 38 tot 46