Abonneer Log in

Europese verkiezingen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 29 tot 31

Er mag rustig een vraagteken worden geplaatst achter deze titel. Zeker, dit waren verkiezingen voor het Europese Parlement, maar het duidelijkste kenmerk ervan was wel dat er vijfentwintig nationale campagnes zijn gevoerd, en dat er vijfentwintig keer nationaal werd gestemd. Het resultaat is gekend. Bijna overal werden de partijen van de zittende regeringen afgestraft. In feite hoeft dit niet eens te verbazen. Hoewel het reeds vijfentwintig jaar geleden is dat het Europees Parlement voor het eerst rechtstreeks werd verkozen, is men er nog steeds niet in geslaagd om tot een uniforme stemprocedure te komen of tot een eengemaakt statuut voor de leden van het parlement, laat staan tot een Europese campagne. En vooral, ook de besluitvorming verloopt hoofdzakelijk langs nationale lijnen, met een overmachtige Raad van ministers. Het Europees Parlement, waar de bevolking echt vertegenwoordigd is, krijgt weliswaar meer en meer bevoegdheden, maar de eveneens nationaal georganiseerde media hebben nog steeds meer belangstelling voor nationale ministers die in en uit auto’s stappen - op weg naar of komende van een Raad - dan voor een politiek georganiseerd parlement. Dit lijkt dan ook de eerste les die uit deze verkiezingen moet getrokken worden. Er is dringend behoefte aan meer en betere berichtgeving over de Europese politiek, zodat de mensen op zijn minst ook weten wat er op het spel staat.

Dit houdt verband met het tweede kenmerk van deze verkiezingen. De participatiegraad bereikt een historisch dieptepunt. Enkel in België, Luxemburg, Griekenland en Malta is er kiesplicht, en de hoge cijfers van die landen trekken het gemiddelde nog wat omhoog. Maar minder dan de helft van de Europese kiezers is gaan stemmen (44,2%!): 73,5% in Italië, 46% in Spanje, 43% in Duitsland en Frankrijk, 39% in Nederland en in het Verenigd Koninkrijk. De nieuwe lidstaten spannen de kroon met gemiddeld slechts 28,7%: 21,2% in Polen, 20% in Slovakije. Dit kan niet anders dan gevolgen hebben voor de werking van het Europees Parlement. Je kan er donder op zeggen dat van zodra het EP een meningsverschil zal hebben met de Raad van Ministers, de medewetgever, er zal geschermd worden met het gebrek aan legitimiteit van het EP. Men kan zich ook afvragen waarom er zo weinig belangstelling is in Midden-Europa, nauwelijks een jaar na de referenda over de toetreding waar nog grote massa’s zich positief uitlieten over de EU. Het is uitgesloten dat er anderhalve maand na de feitelijke toetreding al ernstige negatieve gevolgen merkbaar zouden zijn. Een gebrek aan democratische belangstelling is evenmin een aanvaardbare uitleg.
Misschien moeten zowel deze lage participatiegraad als het nationale karakter van deze verkiezingen verklaard worden door de moeilijkheid om tot een deugdelijke communicatie te komen over het Europees beleid. De verantwoordelijkheid hiervoor is zeker gespreid. Zowel de media, de nationale politici als de Europese instellingen zelf schieten te kort. Europees beleid heet ‘moeilijk’ te zijn, alsof nationale en regionale politiek dat niet zouden zijn. De instellingen, en met name de Europese Commissie en de Raad van ministers, hebben het duidelijk niet zo begrepen op transparantie en democratie. Ze verkiezen overleg met instanties die ze zo veel mogelijk onder controle houden, vergaderen achter gesloten deuren en verwarren communicatie met propaganda. De institutionele setting zelf is trouwens mee schuldig. Het Europees parlement is een compromisfabriekje, en er kan nooit een duidelijke oppositie ontstaan om tegenwicht te geven. De nationale partijen tenslotte - en België is hier een goed voorbeeld van - hebben weinig interesse voor wat er in Straatsburg gebeurt. De verkozenen moeten hemel en aarde verzetten om wat media-aandacht te krijgen. De Europese parlementsleden werken hard, ze doen aan politiek, en dat interesseert de media maar matig.
De resultaten tenslotte zijn evenmin verheugend. Het Europees Parlement krijgt een rechtse meerderheid, zoveel is zeker. We overlopen enkele landen om de resultaten te bespreken.1 Over de resultaten in België wordt elders in dit blad bericht.

In Duitsland, het grootste land, gaan 49 van de 99 zetels naar de christendemocratische familie, een terugval met 4. De sociaaldemocraten vallen terug van 33 op 23 zetels. De Groenen daarentegen doen het bijzonder goed en halen 13 zetels (+ 6). De liberalen halen voor het eerst sinds lang weer de kiesdrempel. De neocommunistische PDS tenslotte wint één zetel.
In Frankrijk won, zoals werd verwacht, de PS deze verkiezingen. Ze halen 31 van de 78 zetels. De partij van premier Raffarin haalt er nauwelijks 17 zetels. De centristen halen er 11. De groenen verliezen - hier speelt ongetwijfeld het verdwijnen van Daniel Cohn-Bendit mee die dit keer in Duitsland opkwam - en vallen terug van 9 op 6. De communisten vallen terug van 6 op 2 en de trotskisten van 5 op 0. Ook de partij van de jacht verdwijnt uit het EP. De souverainisten van Pasqua en de Villiers haalden in 1999 nog 13 zetels. Nu moet deze laatste genoegen nemen met 3 zitjes.
In het Verenigd Koninkrijk betaalt premier Blair de prijs voor zijn Irakbeleid. Hij houdt slechts 19 van zijn 29 zetels over. De tories behouden er 27 van de 36. Grote winnaar is hier een rechtse anti-Europese partij, de UKIP, die 12 zetels haalt. De liberaal-democraten winnen 1 zetel en komen eveneens op 12. De groenen behouden hun 2 zetels, net zoals de Schotse nationalisten. De participatiegraad in het VK is gestegen van 24% in 1999 tot 38,9% in 2004.
In Italië is het partijlandschap traditioneel erg versnipperd. Berlusconi verliest deze verkiezingen en behoudt slechts 17 van zijn 22 zetels. Centrumlinks haalt 27 zetels. De nationaal-rechtse partij van Fini haalt 10 zetels (winst 1) en de Lega Nord blijft op 4. De communisten blijven op 5 + 2 en de groenen op 2. De radicalen van Emma Bonino vallen terug van 7 op 1.
In Spanje gaat de overwinning opnieuw naar de sociaaldemocraten die 25 zetels halen. De Partido Popular valt terug op 23. De communisten verliezen 2 van hun 4 zetels, de nationalistische coalities halen er 3 + 1. In Spanje is de participatiegraad wel gedaald van 64% naar 46%.
In Polen tenslotte verliezen de sociaaldemocraten. Ze halen slechts 6 zetels. De katholieke gezinspartij haalt er niet minder dan 9 zetels en nationaal rechts haalt er 7. Slechts 22% van de kiezers ging er stemmen, net iets beter dan Slovakije, waar slechts 20% zich verplaatste.
De sociaaldemocraten hebben verder gewonnen in Nederland, Denemarken, Oostenrijk, Portugal, Estland en Malta. In Oostenrijk verdwijnt de FPÖ van Haider bijna van de kaart. Hij behoudt slechts één van zijn 7 zetels. Net zoals in Nederland gingen hier ook 2 zetels naar een antifraudelijst. De ex-communisten doen het goed in Tsjechië en in Hongarije. De Deense anti-Europese partijen die al vijfentwintig jaar lang 4 afgevaardigden hadden, vallen nu terug op 2. In Zweden is een souverainistische partij opgekomen die meteen 3 zetels wegkaapt.
Over de fractievorming en de toekomstige machtsverhoudingen kan nog weinig met zekerheid worden gezegd. De progressieve fracties - Sociaaldemocraten, Verenigd Links en de Groenen - halen samen slechts een kleine 300 zetels van de 732. Rechts heeft dus een meerderheid, dat staat vast, maar veel hangt af van wat de Franse centristen en de Italiaanse volgelingen van Romano Prodi zullen doen. Het is inderdaad verre van zeker dat het monsterverbond in de EVP kan stand houden. De Britse conservatieven zijn immers eerder eurosceptisch, en de liberalen dromen van een grote centrumfractie. Het is ook veel te vroeg om iets te zeggen over wat de extreemrechtse en de anti-Europese partijen zullen doen. Zij zijn nu sterker dan in het vorige Parlement, maar het is van hun fractievorming dat afhangt of ze hun stem ook effectief zullen kunnen gebruiken.

Niemand kan blij zijn met deze resultaten. De Europese thema’s, zoals het grondwettelijk verdrag, kwamen niet aan bod in de campagne. Toch zijn het de afgestrafte regeringen die hierover beslissen. Deze verkiezingen werden gewonnen door de thuisblijvers, de eurosceptici, de anti-Europeanen en andere souverainisten. Er zal een grondige trendbreuk nodig zijn om de Europese democratie te redden.

Francine Mestrum
Redactielid - Doctor in de sociale wetenschappen

Noot
1/ Deze eerste resultaten komen van de website van het EP en van de pers op maandag 14 en dinsdag 15 juni. De gegevens zijn niet altijd gelijklopend, zodat er kleine verschillen kunnen optreden.

verkiezingen - Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 29 tot 31