Log in

'Opstand der burgers. De Fortuyn-revolte en het demasqué van de oude politiek'

Uitgelezen

Opstand der burgers. De Fortuyn-revolte en het demasqué van de oude politiek

Civis Mundi jaarboek 2004
S.W. Couwenberg\nuitgeverij Damon Budel, s.l., 2004

Couwenberg - in de traditionele links-rechtsopdeling: een rechts-conservatieve liberaal en intellectueel dwarskijker - grijpt The Rise and Fall van politiek fenomeen Pim Fortuyn aan om zijn visie op de Nederlandse regentencultuur te formuleren, de beslotenheid van de Haagse salons te hekelen, het cliëntelisme aan de kaak te stellen, en tegen het politiek elitarisme en netwerkdenken te fulmineren. De inburgeraar-nieuwkomer die dit boek leest, en Couwenbergs kijk op de dingen vergelijkt met de visie op Nederland van pakweg Derk-Jan Eppink in zijn oorspronkelijke Vreemde buren. Over politiek in Nederland en België besluit ongetwijfeld dat er twee Nederlanden zijn. De Poldermodelstaat versus een gecorrumpeerde apparatsjiksnatie of, tot jolijt van de Belgen, een tweede nieuw-Italië in de Lage Landen. In elk geval, het Gidsland is niet meer.

Couwenberg tracht aan te geven welke oorzaken aan het fortuynisme ten grondslag liggen. Vanwaar die omslag van grote tevredenheid, van algeheel op lauweren rusten, naar weliswaar kortstondig vulkanisch ongenoegen? Couwenberg verklaart vanuit zijn achtergrond niet onverwacht: het is de schuld van politiek conformisme in het algemeen, en links conformisme in het bijzonder. Dat laatste is, in een politiek stelsel waar geen enkele partij een absolute meerderheid heeft, me dunkt een te eenvoudige analyse - wat ook weer niet wil zeggen dat zij geheel fout is. Links heeft inderdaad in zijn maatschappijvisie, en zeker voor wat de ontwikkeling van de multiculturele samenleving betreft, te lang gesteund op ideologische onderbouw-bovenbouwschemaatjes en intellectuele passe-partouts die zij al van oudsher hanteren. Vandaag wordt dat ook door links, in Nederland alvast, deemoedig erkend. Dat blijkt bijvoorbeeld met zoveel woorden uit het 23ste jaarboek van het democratisch socialisme, en ook uit een recente nota van de PvdA.

De Opstand der Burgers is net geen hagiografie van Pim Fortuyn, en net geen apologie van Couwenbergs maatschappijvisie. Het is meer nog een kritiek op het kritiekloze denken dat de Nederlandse politieke en intellectuele wereld beheerst, op het klakkeloos aanvaarden van de ongeschreven uitgangspunten, op het zich bedienen van wetenschappers die schaamteloos in de pas lopen, en op het professioneel opzijschuiven en taboeïseren van vervelende dissidenten en standpunten. Volgens Couwenberg vormt de ergernis tegen deze gang van zaken de voedingsbodem voor het fortuynisme. Andersom had een minder dogmatische houding in het verleden, althans volgens de auteur, veel onheil kunnen vermijden, ‘niet het minst bij de aanpak van de integratieproblematiek.’

In zijn analyse kan Couwenberg mij vaak niet de indruk ontnemen dat hij wel de doorn in het linkse oog ziet, maar niet de splinter in het rechtse oog. Op de suggestie dat het linkse politiek correct denken nu vervangen is door een algemeen aanvaard rechts discours repliceert hij wat gemakzuchtig dat dit ‘sterk overdreven’ is, en voorbijgaat aan ‘het grote belang dat Pim Fortuyn hechtte aan het open debat over alle zaken van publiek belang.’ Fortuyn als maatstaf aller dingen? Tja. Wordt links conformisme hier niet vervangen door een rechtse dogmatiek? Het denken onderwerpt zich kennelijk nog steeds, en de waarheid ligt zoals vanouds allicht ergens in het midden. Als de integratieproblematiek niet is aangepakt zoals men dat vandaag over de partijgrenzen heen het liefst zou hebben gezien, dan is dat toe te schrijven aan alle politieke partijen, en niet uitsluitend aan die ter linkerzijde. Hoewel de problematiek, in vergelijking met België, altijd wel op de agenda heeft gestaan, een breekijzer of sleutelgegeven is zij ook in Nederland nooit geweest.

In een tweede luik van zijn boek gaat Couwenberg onder meer in op de nood aan een ‘nieuwe politiek’. De voorbeelden klinken de Vlaamse lezer bekend in de oren, waarbij meteen opvalt dat wat boven de Moerdijk als ‘nieuwe politiek cultuur’ wordt beschouwd, bij ons soms net als oud en verwerpelijk wordt verafschuwd. Het gras is, kortom, altijd groener aan de overkant. Even bekend in de oren klinkt de analyse van de sociaaldemocratische ideologie; zij is niet meer, vervangen door een verlicht of sociaal liberalisme. Niet uit overtuiging - wat een vies woord - wel uit noodzaak, wegens gebrek aan een Groot Alternatief.

Zonde is de weinig fraaie lay-out van deze uitgave; een doorsnee licentiaatthesis heeft tegenwoordig een betere, meer doordachte vormgeving dan dit boek. Tenzij als een onverwoorde aanklacht tegen de dictatuur van de vorm - alles moet sexy! hip! en trendy! - kan ik geen goede reden bedenken voor dit amateurisme. Hoewel in literatuur de inhoud op de vorm primeert zijn ook, vooral, de vele schrijffouten, ontbrekende leestekens en verhaalsprongen ergerlijk. Om mijn oude leraar Nederlands, die de mosterd zeker elders haalde, te citeren: slordig schrijven wekt tenminste de indruk ook slordig te denken. De gepassioneerde Couwenberg lijkt hier inderdaad niet altijd zijn pen onder controle te hebben; van een oud-hoogleraar kan en mag je echter beter verwachten. Couwenberg mag het al niet begrepen hebben op het Rode Boekje, het Groene Boekje is toch geen politiek manifest? En leestekens ordenen toch, brengen structuur aan?

Te lezen of niet. Ja en neen. Couwenberg gebruikt soms wat al te graag de meninkjes van vooral journalisten of essayisten - de vercolumnisering van het denken - om zijn standpunt of visie gezag te verlenen. Het geheel, en zeker het eerste deel, leest daardoor teveel als een mikmak van aaneensluitende citaten. Andersom is dit boek wel een goede archivaris van de tijdgeest in het korte era-Fortuyn. De zwakte van dit boek is hierdoor meteen ook zijn sterkte. Wie deze uitgave in zijn boekenkast heeft staan, hoeft over deze periode geen krantenknipsels meer bij te houden. Voor een afgewogen oordeel over dit tijdperk komt dit boek nog wel te vroeg. Couwenberg weet dat, het boek vangt immers aan met deze disclaimer. Niet voor niets is Couwenberg op zijn best als hij zijn visie in perspectief plaats, en bijvoorbeeld de teloorgang van de sociaaldemocratie wikt en weegt, of Fortuyns fel bekritiseerde stelling ‘Nederland is vol’ historisch verbindt met allerhande overheidsrapporten en politieke uitspraken uit de periode 1950 tot late jaren 1970. Of zoals koningin Juliana het in 1979 nog mocht formuleren, gedekt door de regering: ‘Nederland is vol, ten dele overvol.’

Wat mij evenwel het meest is bijgebleven is de recyclage door de andere partijen van hele happen van Fortuyns gedachtegoed en de postume idolatrie die hem te beurt is gevallen. En dat voor iemand die door ‘weldenkend links’, bij leven en welzijn, nog voor Untermensch werd uitgescholden, en als een intellectuele Eichmann-lookalike werd gestigmatiseerd. Kortom, Nederland is vandaag, ook ter linkerzijde, weer gewoon vol. De Grootmogols van het eertijdse Correcte Denken à la Marcel Van Dam staan er bij en kijken er naar. Het kan verkeren.

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 48 tot 49