Abonneer Log in

Tweederangsverkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 35 tot 37

De verkiezingen van 13 juni 2004 zijn niet echt een hoogdag geworden voor de democratische gedachte. Dat was niet alleen het geval in Vlaanderen, maar ook in Franstalig België, waar het Front National aan een gestage opmars lijkt begonnen. Een score van 8,12 procent is minimaal in vergelijking met de uitslag voor het Vlaams Blok, maar het is nog niet zo lang geleden dat Franstalige commentatoren er gemakshalve van uitgingen dat een dergelijke partij nooit zou aanslaan ten zuiden van de taalgrens. Maar ook in de rest van Europa was er weinig reden tot feestvreugde. In de meeste landen gebruikten de kiezers deze stembusgang om de zittende meerderheid af te straffen. Tijdens de verkiezingscampagne in Vlaanderen was het duidelijk dat de meeste kiezers niet al te veel aandacht schonken aan Europese of regionale thema’s. Sommigen staken hierbij een beschuldigende vinger uit naar Guy Verhofstadt: juist door zijn kandidatuurstelling zouden de verkiezingen gedegradeerd worden tot een populariteitstest voor paars. Maar tegelijk moeten we vaststellen dat in zowat alle landen van de Unie deze verkiezingen op dezelfde manier gebruikt werden. Blijkbaar zijn de Europese thema’s zo abstract voor de modale kiezer, dat de meeste burgers dit hebben beschouwd als een tussentijdse populariteitstest voor de regeringsmeerderheid. Die ontevreden kiezers hebben bovendien een duidelijke voorkeur laten blijken voor anti-Europese of zelfs anti-systeempartijen. De populistische retoriek van de UK Independence Party wist zonder al te veel moeite 16 procent van de Britse kiezers te verleiden. Dit algemeen wantrouwen heeft zich in Vlaanderen vertaald in een stem voor extreemrechts, maar het gedachtegoed zelf is duidelijk verspreid in meerdere Europese landen.

Veel Europeanen hebben bovendien ‘met hun voeten’ gestemd: ze zijn gewoon niet komen opdagen. Sinds de eerste verkiezingen voor het Europees Parlement in 1979 is de gemiddelde opkomst met bijna twintig procent gedaald, en voor de gehele Unie komen we nu aan niet meer dan 46 procent. Het onrustwekkende is bovendien dat ook in de nieuwe lidstaten (met als enige uitzonderingen Cyprus en Malta) de opkomst bijzonder laag ligt. In Slowakije kwam slechts één op de zes kiezers effectief opdagen. Dit is een vreemd verschijnsel, omdat bij eerdere uitbreidingen de Unie telkens kon rekenen op een zekere wittebroodsperiode in de nieuwe lidstaten. Toen de Portugezen in 1987 voor het eerst hun Europese afgevaardigden mochten verkiezen, kwam bijna driekwart van de kiezers opdagen, een percentage dat daarna vlug zou dalen. Bij de nieuwe lidstaten is dat effect volstrekt afwezig: de kiezers lijken er nu reeds een relatief cynische visie te hebben ontwikkeld op het functioneren van de Europese instellingen. Nauwelijks anderhalve maand nadat de uitbreiding met veel feestgedruis werd gevierd, van Vilnius tot Nicosia, was er niet veel meer over van het aanvankelijk enthousiasme.

Opkomst bij de Europese Verkiezingen, 1979-2004

Bron: Europees Parlement

Juist die bijzonder lage opkomst in de nieuwe lidstaten moet voor Europa een alarmbel laten rinkelen. De inwoners van de nieuwe lidstaten hebben alles te winnen bij de Europese Unie. Niet alleen betekent het lidmaatschap een verankering en een stabilisering van de democratie in hun land; ze kunnen ook verwachten dat het lidmaatschap de komende jaren een bijzonder gunstig effect zal hebben op hun economische ontwikkeling. Objectief hebben de inwoners van de nieuwe lidstaten dus alle belang bij een sterke Unie, maar zelfs dat perspectief heeft niet geleid tot een hoge deelname aan deze verkiezingen.
Het legitimiteitsprobleem van de Unie in het algemeen, en van het Europees Parlement in het bijzonder, blijft dus levensgroot aanwezig. Het moet gezegd worden dat ook voor de meest doorgewinterde aanhanger van de Europese gedachte het moeilijk is het belang van deze verkiezingen te verdedigen. Er zijn uiteraard de nieuwe beslissingsprocedures, waardoor het Europees parlement nu meer macht heeft. De havenarbeiders zijn alvast de eersten geweest die hiervan hebben kunnen profiteren. Maar nauwelijks vier dagen na de verkiezingen bleek op de top van Brussel wie er echt de touwtjes in handen heeft bij de Europese Unie. Dat zijn niet de driehonderdvijftig miljoen kiezers, maar wel een klein clubje van 25 regeringsleiders, die op een totaal ondoorzichtige wijze mogen bepalen wie er de komende jaren de Europese Commissie zal voorzitten, en wat er in de tekst van de Europese grondwet zal staan. De Europese verkiezingen kregen daardoor iets van een kleuterklasje, waar de modale burger zich mag uitleven, terwijl intussen de ‘grote mensen’ in Brussel de echte beslissingen nemen. Daarom moet men niet verbaasd zijn dat de Europese burgers op eerder radicale en soms ondoordachte wijze hun stem uitbrengen, als men er eerst voor zorgt dat dit niet meer zijn dan tweederangsverkiezingen, los van enige reële inzet.
Men zou natuurlijk de stelling kunnen verdedigen dat het hier om een leerproces gaat: het Europees parlement verovert geleidelijk meer macht, en de burgers moeten nog leren inzien hoe belangrijk hun stem is. De vraag is echter of dit een realistisch beeld is. Als burgers gaan kiezen, dan is het minste dat ze kunnen verwachten dat hun stem impact heeft op het beleid zoals dat in de komende jaren zal worden gevoerd. Als de regeringsleiders echter onder elkaar uitmaken wie de nieuwe voorzitter wordt van de Europese Commissie, dan is het duidelijk dat die impact zo goed als minimal is.
Het argument van het leerproces lijdt bovendien aan hetzelfde mankement als het argument voor het cordon sanitaire. In beide gevallen herhaalt men nu al meer dan twee decennia dezelfde stelling, en bij elke verkiezing opnieuw wordt die stelling afgestraft door de feiten. Maar telkens opnieuw keert dezelfde argumentatie terug, en ziet men in het mislukken een aansporing om toch op dezelfde manier verder te gaan, onder het motto dat het toch eens zal lukken. Als echter na 25 jaar nog altijd blijkt dat het Europees Parlement weinig begeestering kan opwekken, en dat dit bovendien alleen maar erger wordt, dan moet men deze methode in vraag durven stellen. Een verdere democratisering van de Europese instellingen lijkt dan ook aangewezen als een meer probate remedie. Het risico van het verder aanmodderen op de huidige manier is dat het instituut ‘verkiezingen’ op den duur zal worden ervaren als een inhoudsloze farce, waardoor burgers ook niet meer gemotiveerd zullen zijn om hun stem uit te brengen bij nationale verkiezingen, zelfs niet als ze wel duidelijk de inzet van die nationale verkiezingen inzien. Recent onderzoek naar de deelname aan verkiezingen toont aan dat het hier om een stabiele gewoonte gaat: voor wie telkens opnieuw naar de stembus gaat, is het slechts een kleine inspanning om die gewoonte verder te zetten. Maar dit soort second-orderverkiezingen doorbreekt die gewoonte, en dat kan een invloed hebben op de opkomstbereidheid bij alle andere verkiezingen. Het is niet echt een toeval dat in de meeste Europese landen de opkomst bij verkiezingen systematisch begon te dalen vanaf 1979, toen de Europese verkiezingen werden ingevoerd. Een democratisering van de Europese Unie is daarom noodzakelijk, niet alleen voor de legitimiteit van de Unie zelf, maar ook voor het democratisch functioneren van elk van de lidstaten afzonderlijk.

Marc Hooghe
Redactielid - Docent politicologie K.U. Leuven

verkiezingen - Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 35 tot 37