Abonneer Log in

Van een minderheid naar bijna de helft: sekse verhoudingen na 13 juni

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 13 tot 15

Met hoeveel zijn ze, de vrouwelijke kandidaten die op 13 juni verkozen werden? Dat hangt van de invalshoek af. Voor het Waals Parlement werden 19% vrouwen verkozen, voor het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap 24%, voor het Vlaams Parlement waren het 31% en voor het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 45%. Europa ligt daar ergens tussenin met 29% vrouwelijke verkozenen. Een eerste vaststelling die we kunnen maken is dat de sekseverhoudingen ver uiteen liggen naargelang het Parlement. Terwijl vrouwen in het Waals Parlement nog geen vijfde van de verkozenen uitmaken, zijn zij in het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met bijna de helft. Op zich verbaast dit grote verschil niet. Evenzeer als bepaalde partijen traditioneel tot de koplopers behoren wat het aantal vrouwen betreft, vinden we steevast het hoogste aantal vrouwen terug in het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, terwijl het tegendeel geldt voor het Waals Parlement.

De verkiezingsuitslagen van 2004 zijn in dit opzicht niet opzienbarend.
Wel interessant is dat we in een aantal gevallen van een grote toename van het aantal vrouwelijke verkozenen kunnen spreken.
Terwijl het aantal vrouwelijke verkozenen in het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap stagneert en in Europa lichtjes achteruitgaat (in 1999 werden 32% vrouwen verkozen, maar kleine totalen leiden al gauw tot verschillen in percentages), zien we in alle andere parlementen een sprong voorwaarts zoals die tijdens de verkiezingen van mei 2003 ook voor de Kamer gemaakt werd. In Wallonië komen we van net geen 11% vrouwelijke verkozenen, in Vlaanderen van 23% en in Brussel van 35%.
Dit zegt inderdaad nog niets over hoeveel vrouwen effectief zullen zetelen. Terugkijkend naar de vorige verkiezingen kunnen we niet stellen dat vrouwen steevast winnen of verliezen bij de opvolging. In het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap deden twee vrouwen meer via opvolging het aantal vrouwen toenemen tot 32%. In het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gingen ze lichtjes vooruit, op Vlaams en op Europees niveau gingen ze echter achteruit. Het hoeft echter geen betoog dat als een verkiesbare plaats al geen garantie geeft op een zitje in het Parlement, dit nog veel minder geldt voor opvolgersplaatsen.
Sinds de laatste verkiezingen ziet de Belgische wet erop toe dat verkiesbare plaatsen niet louter naar mannen gaan. Terwijl de partijen naar aanleiding van de eerste quotawet van 1994 nog ruimte hadden om te bepalen waar zij mannelijke en vrouwelijke kandidaten op de lijsten plaatsten, moesten zij nu erop toezien dat de eerste drie plaatsen niet allen naar kandidaten van dezelfde sekse gingen. En in de toekomst geldt dit voor de eerste twee plaatsen. Daarnaast moesten alle lijsten nu evenals in mei 2003 evenveel vrouwelijke als mannelijke kandidaten bevatten.
Op dit laatste punt hadden partijen geen handelingsmarge meer. Wel konden zij bepalen in welke mate zij van de overgangsmaatregel in de wet gebruikmaakten. De lijsten voor 13 juni van de belangrijkste Vlaamse partijen (CD&V/N-VA, Groen!, sp.a-spirit, Vlaams Blok en VLD-Vivant) in beschouwing nemend, moeten we concluderen dat de partijen gedacht hebben dat men overgangsmaatregelen toch niet voor niets in de wet laat opnemen. Bij de helft van deze 40 lijsten (19/40) stond de eerste kandidate pas op een derde plaats.

Terugdenkend aan de lijstsamenstellingen bij vorige verkiezingen is het niet verbazingwekkend dat dit vooral het geval was bij de lijsten van het Vlaams Blok en van VLD-Vivant. Op respectievelijk 7 en 6 van de telkens 8 lijsten vonden we de eerste vrouw op plaats drie. Bij sp.a-spirit was dat bij 3 lijsten, bij CD&V/N-VA bij 2 lijsten en bij Groen! was dat bij 1 lijst het geval. We kunnen dus ook concluderen dat pariteit op de eerste twee plaatsen geen uitzondering is, tenslotte werd dit principe toegepast op de helft van de lijsten (21/40). Dit gold echter niet voor de lijsten van het Vlaams Blok en van VLD-Vivant. Trouwens, het tegenovergestelde, dus de eerste mannelijke kandidaat op de derde plaats, kwam maar bij 2 lijsten voor: de Europese lijst van sp.a-spirit en de Oost-Vlaamse lijst van CD&V/N-VA. Ongeveer een derde van de lijsten (14/40) zette een vrouw op de tweede plaats. Dit gold in eerste instantie voor de lijsten van Groen! (5/8), gevolgd door die van CD&V/N-VA (4/8) en van sp.a-spirit (3/8). Naamsveranderingen, kartels en andere ingrepen in het partijleven veranderden dus weinig aan de aandacht voor sekse-evenwichtig opgestelde kandidatenlijsten. Tenslotte moeten we dus ook concluderen dat vrouwelijke lijsttrekkers witte merels blijven. De verkiezingen van mei 2003 gaven al aan dat de nieuwe quotawetten en hun aandacht voor de topposities op kieslijsten weinig veranderden aan het feit dat lijsttrekkers vooral mannen zijn. Ook nu werd nog geen vijfde van de kandidatenlijsten (7/40) getrokken door een vrouw. Het ging om telkens twee lijsten van CD&V/N-VA, Groen! en sp.a-spirit, evenals één lijst van VLD-Vivant. Het Vlaams Blok had traditiegetrouw geen vrouwelijke lijsttrekkers. Voor het Parlement van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest was Adelheid Byttebier de enige vrouwelijke lijsttrekker, voor Europa was dit Mia De Vits. In de andere gevallen ging het om lijsten voor het Vlaams Parlement, voornamelijk in Oost-Vlaanderen.
De partijen hebben dus dankbaar gebruikgemaakt van de handelingsmarge die de overgangsmaatregel in de quotawet van 2002 toestond, echter niet allemaal in dezelfde mate. De quotawetten van 2002 lieten partijen nog over een andere handelingsmarge beschikken. De wetten waarborgen een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen op de kandidatenlijsten en dat wordt ook heel letterlijk bedoeld. Afgezien van de eerste plaatsen bevat de wet geen verdere plaatsbepalingen. Mannen en vrouwen moeten gelijk vertegenwoordigd zijn op de lijst, zij moeten niet gelijk verdeeld zijn over de lijst. Dit laat de partijen dus de ruimte om zelf te bepalen hoe zij mannen en vrouwen verdelen over de lijst, en vooral om zelf de verkiesbare plaatsen toe te wijzen. Zoals Stefaan Fiers en zijn collega’s berekenden, maakten vrouwen op 13 juni 1,6 maal minder kans op een verkiesbare plaats dan mannen. Verkiesbare plaatsen bepalen is een hachelijke zaak geworden sinds de halvering van de impact van de lijststem. Bovendien baseerden Fiers en co zich op de uitslagen van mei 2003 en niet op die van 1999, en voegden zij daar nog een extra zitje aan toe. Volgens die berekening namen Vlaamse vrouwen bijna 38% van de verkiesbare plaatsen in, iets meer bij CD&V/N-VA, veel minder bij het Vlaams Blok. Via gegevens uit De Morgen, die gebaseerd waren op de laatste opiniepeilingen, zouden 50% van de zeker verkozenen van Groen! vrouw geweest zijn. Voor sp.a-spirit zou dit 38% geweest zijn, voor CD&V/N-VA en VLD-Vivant respectievelijk 27% en 26%, voor het Vlaams Blok 16%. Het is dus maar de vraag wat als een verkiesbare plaats beschouwd wordt.
Onafhankelijk van de invulling van een verkiesbare plaats blijft de essentie van het verhaal echter dat een ‘waarborg voor een gelijke vertegenwoordiging van mannen en vrouwen op de kieslijsten’, zoals de quotawet het stelt, géén gelijke kansen impliceert om verkozen te worden. Dat het aantal vrouwen steeg in een aantal Parlementen was dan ook niet zozeer aan de quotawet zelf te wijten als aan de vergroting van de kieskringen, waardoor zitjes een minder schaars goed werden. Zonder quotawet waren er wellicht minder vrouwen verkozen geworden dan nu het geval is. De quotawet is in dat opzicht zeker niet overbodig. Maar zomaar de toename van het aantal vrouwen toeschrijven aan de quotawet zou verkeerd zijn. Met de lokale en provinciale verkiezingen van 2006 in het vooruitzicht is de boodschap dan ook dat een quotawet meer aandacht moet besteden aan alle verkiesbare plaatsen in plaats van aan een fractie ervan. Tenminste als wetten meer willen zijn dan holle retoriek.

Petra Meier
VUB - Vakgroep Politieke Wetenschappen

verkiezingen - vrouwen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 6 (juni), pagina 13 tot 15