Log in

De slag om het migrantenstemrecht

De uitlopers van de vakantie geven het Vlaamse politieke landschap een rustige aanblik. Maar schijn bedriegt. De verkiezingen van 13 juni hebben de democratische partijen met een zware kater opgezadeld. Na het verlies van Paars en de winst van het Vlaams Blok dreigen Antwerpse toestanden dichtbij te komen. Onder de vastberadenheid van de nieuwe Vlaamse bewindsploeg schuilt dan ook grote onzekerheid. Met het Vlaams Blok als enige grote oppositiepartij houdt menig politicus zijn hart al vast voor de gemeenteraadsverkiezingen in 2006.

Net zoals na de vorige zwarte zondagen wordt ook nu druk gezocht naar een verklaring voor de winst van het Vlaams Blok. Sommigen verwijzen naar het ‘Blok-proces’, waardoor de partij zich in haar geliefde underdogpositie kon nestelen. Anderen vinden dat de politici van de democratische partijen tijdens de campagne te veel op televisie te zien waren en te weinig tussen de mensen. Maar vooral de goedkeuring van het migrantenstemrecht wordt vaak als oorzaak van de stemverschuiving naar voren geschoven. Het is dan ook nuttig om de politieke strijd rond het stemrecht voor niet-EU-burgers te reconstrueren en van dichtbij onder de loep te nemen. Hoe sterk wogen de inhoudelijke en politiek-strategische argumenten? Wat was het draagvlak voor het migrantenstemrecht? En leert het getouwtrek ons iets over het succes of het falen van de politieke vernieuwing en de politieke herverkaveling?

De voorgeschiedenis

De recente politieke strijd rond het migrantenstemrecht heeft een lange voorgeschiedenis. Na de toekenning in 1971 van stemrecht bij syndicale verkiezingen, brak een discussie los over het feit of niet-Belgen ook aan politieke verkiezingen moesten kunnen deelnemen. In 1979 en 1980 nam Wilfried Martens de invoering van het gemeentelijk migrantenstemrecht op in het regeerprogramma, maar de effectieve goedkeuring kwam er niet. Tijdens de jaren tachtig en begin jaren negentig verdween het dossier ogenschijnlijk naar de achtergrond. Toch waren er compromissen over de nationaliteitswetgeving nodig om een openlijke strijd over het migrantenstemrecht te voorkomen. De groenen en (een aantal) socialisten bleven het thema echter aankaarten en in 1997 leek premier Dehaene, tijdens het gunstige klimaat na de begrafenis van Loubna Benaissa, bereid om niet-Belgen stemrecht te verlenen. Maar Dehaene kreeg onvoldoende steun.

De toekenning van het gemeentelijk stemrecht aan EU-burgers zwengelde de discussie eind jaren negentig opnieuw aan. Tijdens de formatiebesprekingen in 1999 ging de VLD echter op de rem staan. Verhofstadt wilde een wijziging van de nationaliteitswetgeving (de ‘snel-Belg-wet’) als zoethoudertje gebruiken om de groenen en de socialisten tevreden te stellen. Maar dat plan mislukte. In 2000 en 2001 dienden de PS, Ecolo, Agalev en de SP nieuwe wetsvoorstellen in om aan niet-EU-burgers stemrecht te verlenen. Uiteindelijk moest de PRL, hoewel de partij officieel voor was, de VLD in 2002 in de senaat met tegenstemmen bijspringen om een regeringscrisis te vermijden. De VLD hoopte wellicht dat de partij van Louis Michel de Vlaamse Liberalen in dit dossier zou blijven steunen, want in het federale regeerakkoord van 2003 werd ingeschreven dat het parlement zich over het gemeentelijk migrantenstemrecht zou uitspreken.
De rest van het verhaal zit nog fris in het geheugen, daar moeten we dus niet in detail op ingaan. Waar we wel willen op wijzen, is op de link tussen de voorgeschiedenis en de kwaliteit van het (recente) parlementaire debat dat de uiteindelijke goedkeuring van het migrantenstemrecht voorafging. Eigenlijk was het geen debat, maar een beschamende schertsvertoning. Dat het niet tot een sterke inhoudelijke discussie kwam, is echter niet onlogisch. De argumenten van de voor- en tegenstanders waren de voorbije jaren reeds volledig uitgekristalliseerd. De voorstanders zien in de toekenning van stemrecht de invulling van een democratisch deficit en zijn ervan overtuigd dat politieke participatie zal resulteren in een sterkere participatie in andere domeinen (arbeidsmarkt, onderwijs, buurtleven, …). Vanuit de logica van het universeel systeem van natiestaten stellen de tegenstanders echter dat elk individu een bepaalde nationaliteit heeft en dat hij/zij in de eerste plaats daaraan zijn (politieke) rechten ontleent. Deze basisargumentatie en de daarbij horende afgeleide argumenten bepalen de discussie over het migrantenstemrecht al jaren (zie: Jacobs, 1998). Het nieuwe parlementaire debat kon dus niet anders dan ofwel een saaie heruitgave van eerdere zittingen worden ofwel een niet-inhoudelijk steekspel. Omwille van de politiek-strategische belangen verbonden aan het migrantenstemrecht werd het uiteindelijk dat laatste.

Het draagvlak

Als we het over politiek-strategische belangen hebben, dan gaat het in de eerste plaats over het winnen en verliezen van kiezers. Om mekaar en de publieke opinie te beïnvloeden, goochelden de voor- en vooral de tegenstanders met resultaten van opiniepeilingen. Deze cijfers werden het ultieme wapen in een geblokkeerd debat. De tegenstanders maakten gretig gebruik van een peiling in opdracht van De Gazet van Antwerpen en Het Belang van Limburg. Daaruit bleek dat bijna 80% van de Vlamingen tegen het migrantenstemrecht was. De voorstanders deden beroep op een peiling van Le Soir, die aangaf dat 54% van de Vlamingen de toekenning steunde. Aangezien niemand zich vragen stelde bij het totstandkomen en de waarde van de resultaten, creëerde ieder opnieuw zijn eigen waarheid.
Nochtans loeren er bij het gebruik van dergelijke resultaten voor het uittekenen van beleid heel wat gevaren om de hoek. Onderstaande wetenschappelijke onderzoeken maken duidelijk dat de mening van de Vlamingen over het migrantenstemrecht genuanceerder is dan bovenstaande commerciële peilingen laten uitschijnen. Maar vooral tonen ze de relativiteit aan van de waarde van algemene percentages verkregen via opiniepeilingen en opinieonderzoek.
Uit de meeste onderzoeken blijkt dat het aantal tegenstanders van migrantenstemrecht groter is dan het aantal voorstanders. Maar de cijfers schommelen sterk doorheen de jaren. In welke mate deze variatie een gewijzigde houding reflecteert, is moeilijk te zeggen. De resultaten worden immers sterk bepaald door de vraagverwoording. In de meeste vragen wordt de term ‘vreemdelingen’ gebruikt, maar soms gebruikt men ook de term ‘migranten’. Elke term heeft een eigen connotatie. Bovendien zijn er aanzienlijke verschillen tussen de verblijfsvoorwaarden. Zo heeft men het over personen die ‘langer dan 5 jaar in België verblijven’, die ‘hier lang genoeg legaal wonen’ en die ‘meer dan 5 jaar legaal in België wonen.’ Eén vraag bevat helemaal geen verblijfsvoorwaarden.

Onderzoek: onbekend of onbemind? (1990)1 ** **
Tabel 1: Bent U er voor dat vreemdelingen die langer dan 5 jaar in België verblijven bij gemeenteraadsverkiezingen stemrecht krijgen, bent U daar tegen of hebt U daar geen mening over? (N = 1875)

Onderzoek: ISPO-verkiezingsonderzoek (1991)2** en (1995)3 ** **
**Tabel 2: Deelname van migranten aan alle politieke activiteiten in België zou moeten verboden worden (N = 4496 en N = 3668)

Onderzoek: ISPO-verkiezingsonderzoek (1999)4 ** **
Tabel 3: Vreemdelingen die hier lang genoeg legaal wonen moeten gemeentelijk stemrecht krijgen (N = 2179)

Onderzoek: APS-survey ‘Culturele verschuivingen in Vlaanderen’ (2001)5** en (2002)6 ** **
**Tabel 4: Vreemdelingen die meer dan vijf jaar legaal in België wonen moeten gemeentelijk stemrecht krijgen (N = 1446 en N = 1477)

Er zijn ook verschillen in de politieke activiteit waarnaar gepeild wordt. De meeste onderzoeksvragen bevatten de term ‘gemeentelijk stemrecht’, maar het ISPO gebruikte in 1991 en 1995 een algemene verwijzing naar ‘alle politieke activiteiten’. Tot slot wijzen we erop dat de voorgelegde stelling soms in de positieve richting geformuleerd werd (bv. vreemdelingen moeten gemeentelijk stemrecht krijgen) en soms in de negatieve richting (bv. deelname moet verboden worden). Alleen in 1990 kozen de onderzoekers voor een neutrale vraagstelling.
Ook de aangeboden antwoorden (het aantal antwoordcategorieën, hun volgorde en de verwoording) hebben een invloed op de resultaten. De recentere onderzoeken laten een grotere nuancering toe en geven de respondenten die geen duidelijke mening hebben de kans om voor de middencategorie (noch eens, noch oneens) te kiezen. Uit de resultaten blijkt dat een aanzienlijk aantal respondenten van die mogelijkheid gebruik maakt.
Bovenstaande kanttekeningen impliceren dat elk cijfer in z’n context bekeken moet worden: de onderzoekscontext én de politiek-maatschappelijke context. Een bevraging vlak na relletjes in Borgerhout levert andere resultaten op dan een bevraging na de begrafenis van Loubna Benaïssa. Het draagvlak voor migrantenstemrecht is dan ook geen op zichzelf staand gegeven, maar ontstaat in een onderzoekstechnisch en maatschappelijk kader. Aangezien de opiniepeilingen in opdracht van De Gazet van Antwerpen/Het Belang van Limburg en Le Soir een verschillende vraagstelling hanteerden, is het niet verwonderlijk dat de resultaten ook verschillend zijn.7 Bovendien ging het in beide gevallen om telefonische enquêtes, die onmogelijk de bevraging van een sterk representatieve steekproef kunnen garanderen. De kans op vertekening naar boven of naar onder is dan ook aanzienlijk. Politici die met deze cijfers zwaaiden, waren intellectueel oneerlijk en bezondigden zich aan populisme.
Na al deze relativeringen en nuanceringen blijft het natuurlijk de vraag wat de waarde van wetenschappelijk opinieonderzoek is? De ervaring leert dat een goed opgezet opinieonderzoek zowel een wetenschappelijke als beleidsondersteunende bijdrage kan leveren. Dergelijk onderzoek is onder meer interessant om variaties in meningen, houdingen of gedragingen op te sporen (variaties naar achtergrondkenmerken) om zo een doelgroepenbeleid te kunnen ontwikkelen. In recent onderzoek m.b.t. veiligheid en leefbaarheid hebben we in een aantal politiezones bijvoorbeeld vastgesteld dat vooral jongeren vinden dat ze te weinig informatie krijgen over de werking van de politie.
Belangrijk om op te merken, is dat houdingen in de wetenschappelijke wereld meestal gemeten worden aan de hand van meerdere vragen (met andere nuances en vaak in beide richtingen geformuleerd). Het gebruik van schalen (combinatie van vragen) geeft een genuanceerder beeld en voorkomt dat een specifieke vraagstelling zwaar doorweegt in het resultaat. In wetenschappelijke publicaties wordt dan ook zelden het resultaat van één specifieke vraag als absolute waarheid naar voren geschoven. Meestal past de vraag in een ‘batterij’ vragen en wordt het resultaat gekaderd. Het doel van wetenschappelijk opinieonderzoek is immers om houdingen of gedragingen te verklaren door het (causaal) verband tussen verschillende variabelen te bestuderen.

Om de vertekening door de vraagverwoording en het aantal antwoordcategorieën te beperken, kan men gebruik maken van open vragen. Bij dit soort vragen krijgt de respondent geen antwoordcategorieën aangeboden, maar heeft hij de kans om zelf een spontaan antwoord te formuleren. Aangezien open vragen minder suggestief zijn, zijn ze interessant om de intensiteit van een bepaald probleem te meten. In het recente veiligheids- en leefbaarheidsonderzoek hebben we de respondenten aan de hand van gesloten vragen een aantal prioriteiten van de politie laten evalueren. Maar we hebben ook twee open vragen gesteld over de prioriteiten. Het valt op dat de resultaten verre van identiek zijn (Ackaert & Van Craen, 2004, pp. 78-91).
Tot slot is het belangrijk om erop te wijzen dat een goed opinieonderzoek het vertrouwen in het bestuur kan verhogen en dat het een bijdrage kan leveren tot de versterking van het sociaal kapitaal. Heel wat mensen zijn aangenaam verrast wanneer om hun mening over concrete maatschappelijke problemen wordt gevraagd. Als beleidsverantwoordelijken bovendien naar de bevolking communiceren dat die mening, samen met andere gegevens, de input vormt voor het beleid, dan zal dat het vertrouwen in de politiek alleen maar ten goede komen. Bovendien kan het afnemen van face-to-face-enquêtes een positieve invloed hebben op het sociaal kapitaal en de betrokkenheid van burgers. In het veiligheids- en leefbaarheidsonderzoek hebben we geen willekeurige enquêteurs aangeworven, maar hebben we inwoners uit de onderzochte politiezones opgeleid tot enquêteurs. Heel wat van deze mensen geraakten geïnteresseerd in de problematiek en zijn nu voor de beleidsverantwoordelijken en de politie een mogelijk aanspreekpunt bij het uitwerken van concrete acties. De persoonlijke contacten tijdens de enquêtes en de communicatie van de lokale overheden achteraf stimuleerden de bereidheid van inwoners en buurten om zelf mee aan het veiligheids- en leefbaarheidsprobleem te werken.

De politiek-strategische opstelling van de VLD

Hoewel de resultaten van een grondig onderzoek naar de motieven voor het stemgedrag op 13 juni 2004 (nog) niet voorhanden zijn, beschikken we reeds over indicaties die aangeven dat het verlies van de VLD en de winst van het Vlaams Blok deels verband houden met de politiek-strategische opstelling van beide partijen in de strijd om het migrantenstemrecht (Walgrave & Van Aelst, 2004, pp. 5-10). Volgens sommigen heeft de VLD zichzelf de das omgedaan door een opening te laten in het regeerakkoord, maar het is pas als men verder teruggaat in de tijd, dat duidelijk wordt hoe de liberalen beetje bij beetje hun eigen put hebben gegraven.
Ten eerste hebben verschillende topmensen van de VLD de voorbije jaren in de pers op z’n minst laten uitschijnen dat ze ‘persoonlijk’ voor migrantenstemrecht zijn. Zo zette toenmalig Vlaams minister-president Patrick Dewael in 2000 in zijn 11-juli toespraak de deur op een kier: ‘Sommigen […] beschouwen stemrecht als het wondermiddel tegen onverdraagzaamheid en discriminatie. Zij dwalen. Anderen schilderen stemrecht voor migranten af als een regelrecht doemscenario dat het voortbestaan van onze gemeenschap bedreigt. Zij dwalen eveneens. Het komt er nu eerst op aan om een volwaardig integratiebeleid te voeren. Dat zal de vaak emotionele polarisatie rond dit thema doen wegebben en ruimte creëren voor een rationeel debat. De vraag naar migrantenstemrecht kan dan een deel worden van het debat (Dewael, 2000, p. 8).’ Enkele maanden later verklaarde toenmalig partijvoorzitter Karel De Gucht: ‘Principieel is de VLD niet gekant tegen migrantenstemrecht. Maar mensen die betrokken zijn bij een plaatselijke gemeenschap hebben rechten én plichten. Daarom hechten wij zoveel belang aan inburgering. Wij willen dat alle elementen in het debat worden opgenomen (van den Broeck, 2000, p. 1).’ Begin 2001 gaf De Gucht openlijk toe dat hij met een ernstig rollenconflict geconfronteerd werd: ‘Persoonlijk vind ik niet dat de nationaliteit de enige reden is om aan iemand stemrecht te geven. Ik denk dat er ook andere criteria kunnen meespelen. Maar een grote meerderheid binnen mijn partij is tegen het migrantenstemrecht […] (Goossens & Pauli, 2001, p. 6).’ De botsing van de politieke ideeën van de partijtop met de politiek-strategische belangen van de VLD bracht de partij in een lastig parket. Bovenstaande uitspraken ondermijnden de geloofwaardigheid van het officiële standpunt tegen het migrantenstemrecht. De leiding van de partij verdedigde iets waar ze zelf niet achter stond, zo leek het wel.

Regelmatig doken er nieuwe berichten op die dit vermoeden aanzwengelden. Midden oktober 2001 meldde De Morgen dat minister-president Dewael vlak voor het uitbrengen van zijn boek Wederzijds respect een passage pro migrantenstemrecht geschrapt had. Die passage zou onder meer volgende zinnen bevat hebben: ‘De VLD moet als Partij van de Burger opkomen voor alle mensen die hier wonen en leven. Ze moet hen toelaten mee te beslissen over de organisatie, de inrichting en verbetering van hun stad, gemeente, buurt en straat. Samen met de kennis van de taal is dit op termijn wellicht het beste middel om hen te integreren in hun nieuwe thuisland. Ik denk dat het voor liberalen uiteindelijk onafwendbaar wordt om dit democratisch principe op alle tegenargumenten te laten primeren. Daarom wil ik niet uitsluiten dat een nieuw regeerakkoord het gemeentelijk stemrecht in het vooruitzicht stelt voor alle meerderjarigen die minstens vijf jaar in Vlaanderen verblijven (Spruyt & Goossens, 2001, p. 1).’ Om een reactie gevraagd verklaarde de woordvoerder van Dewael: ‘De minister-president maakt er geen geheim van dat hij geen probleem heeft met migrantenstemrecht wanneer aan een aantal voorwaarden is voldaan. Hij heeft de passage in kwestie echter geschrapt omdat hij die discussie enkel in een sereen klimaat wil aangaan (Spruyt & Goossens, 2001, p. 1).’ Deze en andere berichten hebben bij sommige kiezers wellicht de indruk gewekt dat de VLD hen wou paaien met haar officieel standpunt, maar dat ze niet het onderste uit de kan heeft gehaald om het migrantenstemrecht tegen te houden.

De dubbelzinnigheid bij de VLD werd nog versterkt door uitspraken van de ‘nieuwe liberalen’ Gatz en Vankrunkelsven. Die gaven in september 2003 een interview waarin ze zich uitspraken voor het gemeentelijk migrantenstemrecht (Goossens, 2003, p. 38). De strijd rond dit thema maakt dan ook duidelijk dat 15 jaar politieke herverkaveling slechts een veelkleurige catch-allpartij heeft gebaard. Er is geen ideologische hergroepering tot stand gekomen, maar een conglomeraat bestaande uit ex-Agalev’ers, mensen die van zichzelf zeggen eigenlijk groen te zijn, vernieuwingsgezinde CVP’ers, ex-VU’ers, centrumrechtse liberalen en ultra-rechtse liberalen. Met de zekerheid dat het vreemdelingenbeleid en onveiligheid nog een tijdje bovenaan de politieke agenda zullen staan, belooft het voor de VLD-top ook in de nabije toekomst nog kunst- en vliegwerk te worden om politici als Gatz en Vankrunkelsven met Dedecker en Coveliers te verzoenen.

En dat de kiezer zich begint af te vragen of hij er kan op rekenen dat zijn favoriete VLD-kandidaat zijn standpunt(en) zal mogen vertegenwoordigen, is niet verwonderlijk. Tijdens verschillende politieke vernieuwingsoperaties is de liberale partij uitgebouwd tot een huis met vele kamers, maar de Belgische politiek steunt traditioneel op strakke partijlijnen. In de strijd rond het migrantenstemrecht werd de nieuwbouw van de VLD dan ook danig op de proef gesteld. De architecten van de partij hadden bijzonder veel moeite om de eigengereide meningen van de inwoners af te stemmen op de rigide lijn van het huis. Een operatie die aan de rechterzijde tot hoog oplopende spanningen leidde.
Deining was er vooral toen Antwerps JongVLD-voorzitster Annick De Ridder de Vlaamse liberalen met een petitie tot een congres over het migrantenstemrecht dwong. Haar voorstel om het dossier op de regeringstafel te brengen, hield aanzienlijke gevaren in voor het voortbestaan van de federale regering en dus moest Verhofstadt alle registers opentrekken om de congresleden ervan te overtuigen tegen te stemmen. Zijn belangrijkste argumentatie luidde als volgt: ‘[I]k denk dat onze kiezers het ons nooit zouden vergeven als we zoveel dossiers, zovele hervormingen zouden laten vallen voor een symbooldossier.’8 Verhofstadt haalde op het congres zijn slag thuis, maar draaide zichzelf een rad voor de ogen. Door de realisaties van zijn partij in de schaal te leggen, kon hij de insiders overtuigen omdat die meerwerken aan de uitvoering van het volledige VLD-programma en omdat die op de hoogte zijn van de verschillende verwezenlijkingen. Maar de gemiddelde kiezer streeft dat globale doel niet na en bezit die grondige politieke kennis niet. Hij laat zich in het stemhokje leiden door één - maximaal enkele - thema’s, door de persoonlijkheid van kandidaten of door het imago van de partij (Van Craen & Swyngedouw, 2003). Voor sommige VLD-kiezers lag er op 13 juni tegenover het migrantenstemrecht dan ook weinig in de balans.

Wat het appeal van de topfiguren en de partij betreft, mag men overigens niet vergeten dat Verhofstadt tijdens het koningsdrama in februari 2004 zowel De Gucht, zichzelf, als de partij zware schade heeft toegebracht. De VLD leek wel het ‘huis van wantrouwen’, want enkele maanden voordien was ook Hugo Coveliers het fractievoorzitterschap in de senaat ontnomen. Het beeld dat Verhofstadt zo graag ophangt van de VLD als ‘krachtige bestuurspartij die het land een nieuw elan geeft’, vertoonde plots enkele lelijke krassen. De VLD kon zelfs haar eigen huishouden niet de baas, zo leek het wel. En door twee politici te breken die hun nek hadden uitgestoken in de strijd tegen het migrantenstemrecht, spoot Verhofstadt veel mist over de partijlijn.9

De politiek-strategische opstelling van het Vlaams Blok

Het Vlaams Blok zat tijdens de strijd om het migrantenstemrecht in een veel comfortabeler positie dan de VLD. Van een conflict tussen de persoonlijke voorkeuren van de partijtop en de politiek-strategische belangen van de partij was absoluut geen sprake. De sterkhouders van het Vlaams Blok verdedigen al jaren een hard anti-vreemdelingenstandpunt en het is deze opstelling die de partij electoraal groot heeft gemaakt (Van Craen & Swyngedouw, 2002, pp. 27-43, 64-66, 75-77). Openlijke kritiek op dit standpunt is binnen het Vlaams Blok nauwelijks te horen en als het toch gebeurt, leidt dit tot een uittreden of verwijdering uit de partij.
In het recente debat over het migrantenstemrecht kon het Vlaams Blok dan ook een duidelijke en consequente inhoudelijke lijn aanhouden. De partij liet bovendien niet na om de VLD-top op haar dubbelzinnige houding te wijzen. In de Kamer dreef Gerolf Annemans Karel De Gucht in het nauw: de liberale partijvoorzitter beweerde dat hij persoonlijk tegen migrantenstemrecht was en ontkende dat Verhofstadt en Dewael persoonlijk voorstander waren. In het licht van vorige uitspraken was dit een ongeloofwaardige, ja zelfs leugenachtige, bewering.

Het Vlaams Blok greep de strijd om het migrantenstemrecht ook aan om de VLD te confronteren met het model van politieke vernieuwing dat Verhofstadt de kiezer in de jaren negentig had voorgehouden. Die tactiek had de partij eerder ook al toegepast (zie: Blommaert, 2001, pp. 146-166), maar nu bood zich een kans aan om de Vlaamse liberalen met een uitgekiende uitvoering volledig schaakmat te zetten.
Gedurende heel de jaren negentig heeft de VLD de kiezer een ‘nieuwe democratie’ beloofd. Verhofstadt pleitte voor grondige hervormingen, want de kloof tussen burger en politiek was volgens hem veel te diep geworden. ‘De greep van de democratie, van de burger op de Staat en zijn verkozen regering, is nog nooit zo klein geweest als vandaag. De afstand tussen het volk en macht was nooit zo groot’, schreef Verhofstadt in zijn eerste Burgermanifest (Verhofstadt, 1991, pp.31-32). ‘De politiek werkt nog grotendeels met schema’s en methodes uit de vorige eeuw. Zij stoelt namelijk op delegatie. De burger beslist niet zelf, op geregelde tijdstippen duidt hij iemand aan om dat in zijn plaats te doen. Hij wordt, bij wijze van spreken door de grondwet, nog altijd onbekwaam geacht om zelf voortdurend te spreken, te beslissen, te regeren. Dat doen in zijn plaats de politici die in feite slechts gesloten en ongrijpbare corporaties plus hun partijen vertegenwoordigen. Dit is geen democratie meer, dit maakt drastische hervormingen hoognodig (Verhofstadt, 1991, p. 43).’ Als oplossing schoof Verhofstadt de ‘burgerdemocratie’ naar voren, met directe en rechtstreekse inspraak. De afschaffing van de stemplicht, de afschaffing van de senaat, de organisatie van voorverkiezingen, de organisatie van referenda en de oprichting van een burgerbeweging moesten de nieuwe democratie concreet gestalte geven. Met dit politiek model (aangevuld met voorstellen zoals de rechtstreekse verkiezing van de burgemeester) voerde de VLD in de jaren negentig een kruistocht tegen de rooms-rode regeringen. Het schepte hoge verwachtingen, waarvan er, eens aan de macht, maar weinig zijn ingelost.

Het Vlaams Blok zag tijdens en na het recente parlementaire debat over het migrantenstemrecht verschillende kansen om de ‘boemerang’-strategie die ze de voorbije jaren had uitgewerkt met volle kracht in de praktijk te brengen. Door het discours van Verhofstadt over de directe democratie over te nemen, slaagde het Vlaams Blok er niet alleen in om de VLD op haar niet ingeloste beloftes te wijzen, maar ook om de aanvallen op haar eigen ondemocratisch karakter af te ketsen. Concreet drong het Vlaams Blok aan op de organisatie van een referendum over de toekenning van het migrantenstemrecht. Een eis waar de VLD, puur principieel, moeilijk tegen kon zijn, want Verhofstadt had het instrument in de jaren negentig gepromoot als het summum van democratie. Bovendien was de VLD officieel tegen het migrantenstemrecht en lag het in de lijn van de verwachtingen dat de meerderheid van de Vlamingen haar daarin zou bijtreden. Via de vraag om een referendum slaagde het Vlaams Blok er dus in een beeld op te hangen van de VLD als een partij die haar eigen principes verloochent, die zich vastklampt aan haar ministerposten en die de druk van de Waalse partijen en de socialisten laat primeren op de wil van de meerderheid van de Vlaamse bevolking.
Niet onbelangrijk was dat de boemerang van het referendum ook vanuit de VLD zelf (met name door Dedecker en Coveliers) naar de liberale partijtop werd geslingerd. Het Vlaams Blok kreeg dan ook de gelegenheid om zich tijdens de voorbije verkiezingscampagne aan de kiezer te presenteren als de ‘echte democraten’. Die kans greep de partij in haar verkiezingsdrukwerk met beide handen: ‘Er zijn de jongste maanden een aantal zaken gebeurd die vanuit democratisch oogpunt onaanvaardbaar zijn. Ten eerste was er het gemeentelijk stemrecht voor vreemdelingen die onze nationaliteit weigeren aan te nemen. 80% van de Vlamingen zijn tegen dat vreemdelingenstemrecht, en toch werd die wet erdoor gedrukt. Alle Waalse partijen waren pro, en ze hadden genoeg aan de medewerking van de sp.a van Stevaert om in het parlement een meerderheid te vormen. De VLD deed niets om dat tegen te houden. Wat de Vlamingen daarvan vinden, interesseert die partijen niet. Een referendum over het vreemdelingenstemrecht mocht niet. De spelregels van de democratie worden veranderd zonder dat de bevolking zich daar op een democratische manier mag over uitspreken (Vlaams Blok, 2004).’ Dankzij zijn boemerang-strategie zit het Vlaams Blok in discussies over democratie niet langer in de verdediging gedrumd, maar kan hij de andere partijen (en dan vooral de VLD) ook zelf aanvallen. In dergelijke discussies speelt het Vlaams Blok inderdaad een thuismatch (Blommaert, 2001, p. 164).
Naast de eis om een referendum vormde ook de oprichting van het ‘comité tegen vreemdelingenstemrecht’ een belangrijk onderdeel van de boemerang-strategie. Via het protestcomité en de daaraan gekoppelde petitieactie wilde het Vlaams Blok een brede beweging tegen het vreemdelingenstemrecht op gang brengen. Opnieuw speelde de partij leentjebuur bij de VLD. Verhofstadt schoof dit politiek instrument in zijn Burgermanifesten naar voren als een van de noodzakelijke middelen om de democratie te redden. De burgercomités en andere bewegingen tegen het communistisch regime in centraal- en midden-Europa stonden in de Burgermanifesten model voor een nieuw op te richten burgerbeweging in eigen land (Verhofstadt, 1991, pp. 60-62). Zo’n krachtige, van onderuit gegroeide, liberale beweging is er echter nooit gekomen. Het waren de witte comités die tijdens de zaak-Dutroux de Belgische politiek wakker schudden.

Voor het Vlaams Blok zijn actiecomités en bewegingen interessante politieke instrumenten om haar basis te verruimen. De voorbije jaren heeft de partij dan ook elke gelegenheid aangegrepen om de mogelijkheden ervan volledig uit te buiten. De oprichting van (lokale) protestcomités en de infiltratie in bestaande actiegroepen vormen een bewuste strategie om in contact te komen met een nieuw segment van het kiespubliek (Van Craen & Swyngedouw, 2002, pp. 24-25). Het optreden onder de naam van een actiecomité verhindert dat mensen afgeschrikt worden door de naam Vlaams Blok. Door in de strijd tegen het migrantenstemrecht een protestcomité op te richten en door er bovendien een VLD-mandataris (in casu Claudine De Schepper) bij te betrekken, lokte het Vlaams Blok de VLD-top opnieuw in de val. De liberale partij had dergelijke initiatieven vanuit de oppositie aangemoedigd, maar moest nu omwille van het cordon sanitaire haar eigen parlementslid uit de partij zetten. Op 13 juni kwam De Schepper op voor het Vlaams Blok.

Besluit: van vernieuwing naar verlamming

De VLD ziet in de verkiezingsuitslag van 13 juni ongetwijfeld het bewijs dat de toekenning van het migrantenstemrecht een foutieve beslissing was. De verwijten aan het adres van de socialisten en de groenen zijn dan ook legio. Toch moeten de liberalen stilaan eens in eigen boezem durven kijken. Tijdens de verschillende herverkavelingsoperaties van de voorbije 15 jaar heeft de liberale partij mensen van zeer verschillend allooi aangetrokken. Met Coveliers, Dedecker, Van Hecke, Gatz en Vankrunkelsven in de rangen is het bijzonder moeilijk om een duidelijke en eensgezinde partijlijn te bepalen. Bovendien maakt zo’n ploeg het onmogelijk om een gedurfd, maar soms noodzakelijk, beleid te voeren. Het gevaar bestaat dan ook dat de toekenning van het migrantenstemrecht de komende jaren als alibi gebruikt zal worden om geen alomvattend integratiebeleid te moeten voeren. Zowel in de VLD als in de CD&V kijkt men verkrampt naar rechts en vreest men dat elke bijkomende integratiebevorderende maatregel een nieuwe uittocht naar het Vlaams Blok zal veroorzaken. De top van beide partijen moet zich echter eens de vraag stellen of catch-allpartijen wel een goed bestuur toelaten. Wie iedereen tevreden wil stellen, geraakt verlamd en kan uiteindelijk niets meer doen.

Noten
1/ Billiet J., e.a., Onbekend of onbemind? Een sociologisch onderzoek naar de houding van de Belgen tegenover migranten, Leuven, SOI/Departement Sociologie, 1990. De gegevens uit tabel 1 staan niet letterlijk in het boek, maar zijn rechtstreeks afkomstig van professor Billiet.
2/ ISPO/PIOP, 1991 general election study Belgium. Codebook and questionnaire, Leuven, ISPO/PIOP, 1995, blz. 174. De gegevens uit tabel 2 zijn lichtjes verschillend van de cijfers in het codeboek. De in tabel 2 weergegeven cijfers zijn rechtstreeks afkomstig van professor Billiet, projectleider van het ISPO, die d.m.v. weging exactere gegevens wist te verschaffen dan degene die vermeld staan in het codeboek.
3/ ISPO/PIOP, 1995 general election study Belgium. Codebook and questionnaire, Leuven, ISPO/PIOP, 1998, blz. 172. De gegevens uit tabel 3 zijn lichtjes verschillend van de cijfers in het codeboek. De in tabel 3 weergegeven cijfers zijn rechtstreeks afkomstig van professor Billiet, projectleider van het ISPO, die d.m.v. weging exactere gegevens wist te verschaffen dan degene die vermeld staan in het codeboek.
4/ Billiet, J., Swyngedouw, M. & Jacobs, D., De mening van de Vlamingen over gemeentelijk stemrecht voor migranten. Een korte nota. Leuven, ISPO-KULeuven, 2002, blz. 3.
5/ http://aps.vlaanderen.be/statistiek/cijfers/gelijke/Indicator\14B\_houding\_migranten.xls
6/ http://aps.vlaanderen.be/statistiek/cijfers/gelijke/Indicator\_14B\_houding\_migranten.xls
7/ Vraag _GvA/HBvL
: ‘Vindt u dat migranten die de Belgische nationaliteit nog niet hebben en uit landen komen van buiten de Europese Unie bij de volgende gemeenteraadsverkiezingen mogen stemmen?’ Vraag Le Soir: ‘Er wordt aan gedacht om bij de gemeenteraadsverkiezingen stemrecht toe te kennen aan niet-Europese burgers die al minstens 5 jaar in België wonen en die er officieel om gevraagd hebben. Wat vindt u hiervan?’
8/ http://users.skynet.be/stemrecht-voor-migranten
9/ Na het VLD-congres had De Gucht, tegen de zin van de andere meerderheidspartijen en van premier Verhofstadt, geprobeerd om het wetsontwerp over het gemeentelijk migrantenstemrecht aan te passen via een amendement. Daarin stond dat personen waarvan de naturalisatieaanvraag afgewezen was, geen stemrecht zouden kunnen krijgen.

Bibliografie
- Ackaert, J. & Van Craen M. (2004). Veiligheidsscan. Ontwikkeling instrument en proefproject in de politiezone Beringen-Ham-Tessenderlo. Diepenbeek: onderzoeksrapport LUC.
- Blommaert, J. (2001). Ik stel vast. Politiek taalgebruik, politieke vernieuwing en verrechtsing. Berchem: EPO.
- Dewael, P. (2000). ‘Kennis, creativiteit en engagement’ (ingekorte 11-julitoespraak). In: De Standaard, 11.07.2000, p. 8.
- Goossens, R. (2003). ‘Wij zijn geen doekje voor het bloeden’. In: De Morgen, 20.09.2003, p. 38.
- Goossens, R. & Pauli, W. (2001). ‘Deze regering zal de volledige rit uitdoen’. In: De Morgen, 29.01.2001, p. 6.
- Jacobs, D. (1998). Nieuwkomers in de politiek. Het parlementaire debat omtrent kiesrecht voor vreemdelingen in Nederland en België (1970-1997). Gent: Academia Press.
- Spruyt, M. & Goossens, R. (2001). ‘Dewael persoonlijk voor migrantenstemrecht’ In: De Morgen, 18.10.2001, p. 1.
- Van den Broeck, K. (2000). De Gucht: ‘VLD niet principieel tegen migrantenstemrecht’ In: De Morgen, 02.10.2000, p. 1.
- Van Craen, M. (2003). De mening van Belgen en niet-Belgen over migrantenstemrecht. Diepenbeek: onderzoeksnota LUC.
- Van Craen, M. & Swyngedouw, M. (2002). Het Vlaams Blok doorgelicht. 25 jaar extreemrechts in Vlaanderen. Leuven: onderzoeksrapport ISPO-KUL.
- Van Craen, M. & Swyngedouw, M. (2003). Waarom? Daarom! Verschillen in stemmotieven. Leuven: onderzoeksrapport ISPO-KUL.
- Verhofstadt, G. (1991). Burgermanifest. Gent: manifest.
- Vlaams Blok (2004). Meer Vlaanderen. Brussel: verkiezingsdrukwerk.
- Walgrave, S. & Van Aelst, P. (2004). De verkiezingscampagne van 2004. Oorzaken van veranderingen in stemintenties doorheen de campagne. Antwerpen: onderzoeksnota UA.
- http://aps.vlaanderen.be/statistiek/cijfers/gelijke/Indicator\_14B\_houding\_migranten.xls
- http://users.skynet.be/stemrecht-voor-migranten

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 7 (september), pagina 46 tot 56