Log in

De zaak-Dutroux: lessen over parlementair onderzoek en controle

De zaak-Dutroux schudde België in de zomer van 1996 brutaal wakker. De verdwijning, het misbruik en de moord op zes meisjes waren zo hallucinant en wreed dat ze niemand onberoerd lieten. Bovendien bleek het juridisch onderzoek naar elk van de verdwijningen vol lacunes en fouten te staan. De Belgische justitie en politieke wereld werden in hun meest kafkaiaanse vorm ontbloot.
Pas acht jaar later, in het voorjaar van 2004, ging het assisenproces tegen vier beschuldigden van start. Deze volledig mondelinge procedure voor een volksjury mondde uit in een veroordeling van de vier in juni 2004.

Al kort na de ontdekking van de feiten, in het najaar van 1996, had het Belgische parlement een onderzoekscommissie opgericht. De commissie hield de vinger op een aantal gevoelige plekken, en legde een aantal tegenstellingen en problemen bloot die terug zouden keren tijdens het latere assisenproces. De commissie en het proces vertonen daarnaast een aantal vormelijke en procedurele gelijkenissen. Ze brengen bepaalde latente gevolgen teweeg die van belang zijn voor politieke controle in het algemeen.
Naar aanleiding van de afronding van de zaak-Dutroux gaan we in dit artikel op zoek naar symbioses tussen parlementaire commissie en juridisch proces. We koppelen een aantal vaststellingen over het proces en de commissie-Dutroux aan de werking van parlementaire onderzoekscommissies als controlemiddel van het parlement. Van hieruit zien we een aantal valkuilen maar ook mogelijkheden voor parlementaire controle. Bij de start van het nieuwe parlementaire jaar kan dit huiswerk vormen voor nieuwe en voor ervaren parlementsleden.

Van Dutroux-zaak naar onderzoekscommissie en proces

Eerst even recapituleren: in de zomer van 1995 en 1996 worden op verschillende plaatsen in België zes meisjes ontvoerd. Er wordt geen spoor van hen teruggevonden, justitie tast in het duister. Een tip na de laatste ontvoering leidt tot de arrestatie van Marc Dutroux op 12 augustus 1996. Op 15 augustus 1996 worden de twee laatst ontvoerde meisjes, Sabine Dardenne en Laetitia Delhez, levend teruggevonden in de kelders van één van de huizen van Dutroux in Marcinelle. Enkele dagen later worden ook de lichamen van de vier andere ontvoerde meisjes teruggevonden. Allen blijken ontvoerd, (seksueel) mishandeld en vermoord door Marc Dutroux of iemand uit zijn omgeving.
In België heerst grote verslagenheid. Die verslagenheid slaat om in ongeloof, frustratie en woede wanneer druppelsgewijs duidelijk wordt dat justitie zwaar heeft gefaald in elk van de onderzoeken, dat hoofdverdachte Marc Dutroux jarenlang vrijuit kon gaan en gebruik kon maken van valkuilen in het socialezekerheidssysteem, en de politieke wereld niet ingegrepen heeft. De procureur van Neufchâteau, Michel Bourlet, en de behandelende onderzoeksrechter, Jean-Marc Connerotte, worden door hun gedrevenheid en boude uitspraken de helden van de Belgen. Wanneer op 14 oktober 1996 het Hof van Cassatie het zogenaamde ‘Spaghetti-arrest’ uitspreekt en een nieuwe onderzoeksrechter aan het dossier wordt toegewezen, stijgt een golf van verontwaardiging en protest op (Hooghe, 1997:33). De door de ouders van de slachtoffers eerder geplande optocht, die op 20 oktober doorgaat in Brussel, wordt een symbool en meer dan 300.000 Belgen stappen mee. De Witte Mars is een massale blijk van respect en sympathie met de families van de vermoorde kinderen, een mars die in stilte gebeurt, zonder slogans en borden, en met wit als hoofdkleur. Hij brengt vele mensen samen die nog nooit eerder de straat optrokken, en wordt een uniek gebeuren in de Belgische geschiedenis (Cartuyvels en co, 1997:33).
De politieke wereld kondigde een aantal reacties aan op het groeiende ongenoegen en de duidelijke verontwaardiging bij de bevolking. Er werd een rondetafelconferentie gepland over de mishandeling en verdwijning van kinderen onder het voorzitterschap van de Koning en met betrokkenheid van de getroffen families. Er was een regeringsmededeling waarin de premier verklaarde de mars te zien als een ‘signaal van een streven naar een meer rechtvaardige samenleving.’ En er was de aankondiging van een parlementaire onderzoekscommissie. Het waren stuk voor stuk pogingen van de politieke wereld om weer greep te krijgen op de gebeurtenissen, om zichzelf te herstellen als een dominante besluitvormer op dat moment (Cartuyvels en co, 1997:34).
De parlementaire onderzoekscommissie-Dutroux die op 17 oktober 1996 werd opgericht, kreeg de opdracht de klachten over het onderzoek in de zaak-Dutroux te inventariseren, de gevolgde procedure en communicatiemiddelen met de families te bestuderen en hieruit voorstellen te distilleren tot een betere werking van het gerechtelijk en politioneel apparaat (Kamer van Volksvertegenwoordigers, doc. 713/6-96/97:10). De commissie diende een eerste rapport in op 14 april 1997, en werkte daarna verder aan een tweede rapport, dat meer gericht was op het bestaan van eventuele netwerken. Ze diende haar tweede rapport in op 16 februari 1998. Daarmee was de onderzoekscommissie uiteindelijk dik anderhalf jaar aan de slag.
De commissie groeide uit tot een volgend symbool. Door haar sterk kritische houding, hoge tempo, de grote mediabelangstelling, de betrokkenheid van de slachtoffers en een zeer gedreven voorzitter, kon zij op heel wat respect rekenen. Nochtans waren binnen de commissie ook bepaalde breuklijnen aanwezig die het werken niet altijd gemakkelijk maakten. Toch werd de commissie-Dutroux een duidelijk conflictoplossend middel in de spanning tussen bevolking en overheid.
Na de onderzoekscommissie sloten alle democratische partijen in mei 1998 het Octopus-akkoord: een ruime politieke overeenkomst tot volledige hervorming van de politiediensten in België. Dit soort van overleg en akkoord is zonder voorgaande in België en wordt gezien als een uiting van ‘nieuwe politieke cultuur’ (Ponsaers & De Kimpe, 2001:40). Het Octopusakkoord was meteen ook het voornaamste beleidsmatig gevolg van de zaak-Dutroux. Daarnaast maakte de commissie nog talloze andere aanbevelingen, die echter slechts gedeeltelijk werden uitgevoerd.
Het juridisch onderzoek zelf naar de zaak-Dutroux bleef ondertussen verder lopen. Het assisenproces van vier beschuldigden ging van start in maart 2004 en werd eind juni afgerond, met de levenslange veroordeling van hoofdbeschuldigde Marc Dutroux.

De onderzoekscommissie-Dutroux: gelijkenissen met het proces

Tussen de onderzoekscommissie en het proces zijn heel wat gelijkenissen op te merken. Hoewel beiden een werkmiddel zijn van fundamenteel andere machten - de wetgevende en de rechterlijke macht - is er toch een zekere symbiose te noteren, zowel inzake de procedure als de inhoud en de gevolgen die beiden teweegbrengen.
Over de delicate grens tussen een parlementair en een juridisch onderzoek is al heel wat inkt gevloeid, vooral dan in de juridische literatuur (zie onder meer bij Uyttendaele, 2001; Meerschaut, Van Der Hulst, Van Der Jeught, 1998). Daarover gaan we het hier dan ook niet hebben. Wel is het zo dat de Wet op het Parlementair Onderzoek aan een commissie een zelfde bevoegdheid geeft als aan een onderzoeksrechter. Daarmee heeft een onderzoekscommissie meteen de ruimst controlerende bevoegdheden en steekt ze op dit vlak de andere parlementaire controlemiddelen - vragen en interpellaties - voorbij. Vanuit deze bepaalde justitiële machten is het dan ook niet verwonderlijk dat de procedure van een onderzoekscommissie enkele gelijkenissen vertoont met die van een proces.
De hoorzittingen met beëdigde getuigen en eventuele confrontaties tussen getuigen zijn ongetwijfeld de belangrijkste werkinstrumenten van een onderzoekscommissie. De commissie besteedt er het grootste deel van haar tijd aan. De onderzoekscommissie-Dutroux heeft maar liefst 108 getuigen gehoord. Memorabel is de confrontatie tussen onderzoeksrechter Martine Doutrèwe en BOB-adjudant Jean Lesage in de commissie-Dutroux, toen bleek dat beiden een tegengesteld verhaal hadden verteld in eerdere getuigenissen (Kamer van Volksvertegenwoordigers, doc. 713/6-96/97).
Iedereen kan door de commissie opgeroepen worden te getuigen en er is ook sprake van een zekere dwang: indien de persoon niet ingaat op de uitnodiging van de commissie, dan kan hij gedagvaard worden, al komt dit niet vaak voor. De getuigen worden na hun verklaring voor de commissie gevraagd er een schriftelijke weergave van te ondertekenen (Staelraeve, 2003:42-43). De assisenprocedure - zoals het proces-Dutroux - is een volledig mondelinge juridische procedure, waar het accent ook ligt op verklaringen en ondervragingen van getuigen.
Waar het proces eindigt met een juridische uitspraak over schuld of onschuld, gekoppeld aan een bepaalde strafmaat, eindigt het werk van de onderzoekscommissie met een eindrapport of verslag. In dit verslag worden conclusies, verantwoordelijkheden en voorstellen tot wijziging van de wetgeving vermeld (Staelraeve, 2003:46). Vooral de aanduiding van verantwoordelijkheden is gelijklopend met een proces, hoewel in een commissieverslag geen ‘strafmaat’ hiervoor bepaald wordt. De commissie heeft ook de macht niet om zelf op te treden tegen verantwoordelijken.
Een laatste belangrijke (procedurele) gelijkenis tussen commissie en proces is dat beide in principe openbare zittingen hanteren. Pas op uitdrukkelijke vraag of om bepaalde expliciete redenen kan beslist worden tot een gesloten zitting. Die openbaarheid zorgt meteen voor ruime mediabelangstelling en dus een groot publieksbereik.

Zowel de commissie-Dutroux als het proces-Dutroux hebben naast hun concrete opdracht een sterke conflictregulerende rol gespeeld. Ze hadden beiden een soort louterend effect, los van hun manifeste resultaten.
De grote openbaarheid van de commissie - 206 van de 351 vergaderuren waren met open deuren -, de gezamenlijke gedrevenheid van commissieleden over de partijgrenzen heen, en de soberheid en het gezag waarmee commissievoorzitter Verwilghen de hoorzittingen leidde, gaven het parlementair onderzoek legitimiteit en vertrouwen bij de bevolking (Winckelmans, 1997:9-17). De commissie kanaliseerde alle aandacht naar het parlement, dat maar heel uitzonderlijk zo in het middelpunt staat als toen het geval was. Ontzettend veel mensen volgden de hoorzittingen op televisie, alle pers stond bol van haar werkzaamheden. Het was duidelijk dat de publieke opinie zich enorm betrokken voelde bij de onderzoekscommissie, die erin slaagde een controle uit te oefenen op de rechterlijke macht en zich op die manier ontpopte tot een arbiter tussen bevolking en wereldvreemde justitie. Dat de commissie voorgezeten werd door een lid van de toenmalige oppositie, die dus niet betrokken was bij uitvoerende beslissingen ten opzichte van de rechterlijke macht en zo kon buigen op een zekere neutraliteit, zal daar zeker toe bijgedragen hebben.
Het assisenproces-Dutroux functioneerde op een gelijkaardige manier als conflictregulator. Uiteraard was de belangrijkste factor in de regeling van het conflict tussen - in essentie - de slachtoffers en hun familie en de vier beschuldigden, de juridische uitspraak en de strafmaat op het einde van het proces. Maar daarnaast waren een aantal procedurele stappen nuttig, zowel voor de slachtoffers als voor de Belgische samenleving, om ‘in het reine’ te komen met de gebeurtenissen. De openbare getuigenissen van zowel beschuldigden als slachtoffers waren hier zeker van belang. Ook de achterhaalde, maar regelmatig herhaalde verontschuldigingen van één of meer beschuldigden tijdens het proces hebben daar in zekere zin toe bijgedragen. Als derde louterende ervaring verwijzen we hier naar het bezoek van de betrokkenen bij het assisenproces aan het huis en de kelder waar de ontvoerde meisjes verbleven. Ondanks alle kritiek op het systeem van een volksjury tijdens een assisenproces, kunnen we stellen dat deze zeker in het proces-Dutroux een conflictregulerende rol had. Hij was de vertegenwoordiging van alle andere Belgen, de publieke opinie, die ook een partij is in dit ruim conflict met politieke en juridische elite. De volksjury vormde de reflectie van de commissieleden tijdens de onderzoekscommissie-Dutroux.
Tijdens het assisenproces rustte verder een loodzware druk op de voorzitter van het hof, Stéphane Goux. Van hem werd verwacht dat hij het proces in goede banen zou leiden en dat op een neutrale manier. De indruk dat men van het proces heeft, staat of valt met zijn aanpak. Zijn rol en die van de commissievoorzitter zijn vergelijkbaar. Dhr. Goux was zich ten volle van deze delicate positie bewust en nam dan ook een sterk neutrale en verzoenende rol aan. Voorzitter Verwilghen daarentegen nam in de onderzoekscommissie een sterk sturende en realistische houding aan en werd net daarmee succesvol.

Parlementaire commissie en juridisch proces vertoonden ook diverse gelijkaardige inhoudelijke breuklijnen. Tegenstellingen tussen verschillende betrokkenen werden heel duidelijk, en net daarom werd het regulerende gehalte van beide mechanismen nog belangrijker. De breuklijnen tussen commissie en proces waren zo gelijklopend dat tijdens het proces gesproken werd van ‘de commissie Verwilghen revisited’ (De Morgen, 2 april 2004).
Net zoals tijdens de commissie, werd tijdens het proces een ‘onderzoek van het onderzoek’ gevoerd. Veel vragen en tegenstrijdigheden over het gerechtelijk onderzoek naar de verdwijningen kwamen opnieuw boven. De breuklijnen situeerden zich op twee punten: inzake de fundamentele verantwoordelijkheid van sommige politiemensen en inzake het al dan niet bestaan van corrupte netwerken tussen politie, justitie, misdaad en politiek. Deze laatste verdeelde zowel advocaten, families, commissieleden als het hof zelf. Ze werd geïllustreerd in de kernvraag op het proces: wat is de rol van Michel Nihoul in het geheel? Dit was uiteindelijk ook de splijtzwam voor de volksjury en zorgde er ook voor dat hij geen duidelijk uitspraak deed over deze beschuldigde. Eerder was diezelfde verdeeldheid en onzekerheid al gebleken in het tweede rapport van de commissie-Dutroux, dat zich over netwerken boog (Aanvullend verslag van de onderzoekscommissie-Dutroux, 16 februari 1998).
Parlementaire onderzoekscommissies en rechterlijke procedures vertonen dus heel wat raakpunten. Het recente proces-Dutroux en de parlementaire onderzoekscommissie met dezelfde naam tonen aan dat beiden sterke gelijkenissen vertonen op procedureel vlak en dat ze ook inhoudelijk dezelfde elementen en breuklijnen aanbrachten. Bovendien hebben beide procedures een sterk conflictregelende inslag. Voor een gerechtelijk proces is dat niet zo merkwaardig, omdat een proces an sich een regeling van een bepaald juridisch conflict tussen partijen betekent. Maar ook onderzoekscommissies blijken dus vaak een rol te spelen als conflictmanager.
Conflictmanagement wordt trouwens algemeen geduid als een belangrijke beleidsvormende functie van een parlementaire instelling. Volgens Loewenberg en Patterson is het zelfs de sleutelfunctie van een modern parlement (Loewenberg en Patterson, 1979:57-65). Conflictmanagement wordt door hen gedefinieerd als: ‘the attempt to change the pattern of incompatible demands which citizens place on government.’ In het geval van de zaak-Dutroux ging het vooral om een zich ontwikkelende politieke mobilisatie doordat de publieke opinie het gevoel kreeg dat de moorden hadden kunnen vermeden worden als de gerechtelijke instanties hun werk hadden gedaan. Het was een uiting van een reeds langer bestaand, dieperliggend ongenoegen over het functioneren van de instellingen (Hooghe, 1997:24). Er waren dan ook hoge verwachtingen tot actie van parlement en regering ten opzichte van het justitieel en politioneel apparaat, gecombineerd met de verwachting dat de overheid zelf fundamenteel zou veranderen. Het was het streven van de spontaan tot stand gekomen ‘witte beweging’ en het credo van de Nieuwe Politieke Cultuur. Vanuit die benadering was een onderzoekscommissie dus een middel van de gevestigde elite om aan conflictmanagement te doen.
Dewachter stelt dat het parlement op verschillende manieren bijdraagt tot conflictmanagement. Door te fungeren als uitlaatklep, waarbij het politieke conflict alleen al door de bespreking in het parlement in druk afneemt. De parlementaire behandeling laat hier politieke en maatschappelijke stoom af. Dit resulteert in een gevoel van erkenning voor de zorgen en gevoeligheden van een bepaalde betrokken groep in het conflict, waarin men berust of die vertaald wordt als oplossing. Anderzijds kan de bespreking in het parlement ook zorgen voor een verscherping van het conflict, een verdere strijdpuntontwikkeling. En tenslotte kan het parlement ook zorgen voor een oplossing van het strijdpunt. Dit betekent dat door de bespreking in het parlement, de betrokken partijen er toe komen een oplossing te aanvaarden. De oplossing wordt nog niet meteen uitgewerkt, maar er is wel een akkoord om het behandelde probleem op een bepaalde manier op te lossen (Dewachter, 1997:47-48).
Het is duidelijk dat de commissie-Dutroux fungeerde als een uitlaatklep en aanleiding gaf tot een oplossing van het strijdpunt, via het Octopusakkoord. Dit akkoord is trouwens uniek voor de Belgische politieke geschiedenis, die traditioneel steunde op pacificatie via verzuild overleg. Het Octopusoverleg kwam daarentegen tot stand in het parlement, met betrokkenheid van alle democratische politieke partijen.
Op dat moment zien we trouwens ook dat andere vormen van organisatie, weg van de klassieke verzuiling, de kop op steken. Het gaat om de witte bewegingen, de burgercomités, … die georganiseerd worden los van traditionele breuklijnen arbeiders-werkgevers, Vlaanderen-Wallonië. Zij luiden echter niet zozeer een nieuw tijdperk in voor sociale bewegingen, maar vormen eerder een illustratie van de onmacht van de klassieke bewegingen om de grieven van de witte beweging te vertalen. Ze toonden een groot wantrouwen ten opzichte van bestaande instellingen en verenigingen aan (Hooghe, 1997:113) en waren mogelijk omdat de mechanismen die traditioneel de politieke stabiliteit garandeerden niet meer functioneerden. In dit verband werd gesproken van de nieuwe burger en een crisis van de oude politiek (Stouthuysen, 1997:59). Achteraf gezien was hier echter geen sprake van een echte trendbreuk (Devos, Boucké, Staelraeve, Verstraete, 2004:81-123).

De gevolgen van parlementaire onderzoekscommissies

De aangehaalde gelijkenissen tussen commissie en proces illustreren de gevolgen of effecten die Rosenthal van een onderzoekscommissies benoemt (Rosenthal, 1989:257). Hij maakt hierbij een onderscheid tussen twee duidelijke, gewenste of manifeste effecten en een aantal latente gevolgen van de toepassing van dit controlemiddel.
Een eerste manifest gevolg, volgens Rosenthal, is de reactivering van de aandacht voor parlementaire controle, waar dan vaak ook de lancering van een nieuwe politieke cultuur mee samenhangt. Parlementaire onderzoekscommissies lijken dus een carrousel op gang te brengen naar meer parlementaire controle en het streven naar een andere (lees: striktere) politieke cultuur.
Daarnaast hebben parlementaire commissies onmiskenbaar een preventieve werking tot gevolg, waarbij het specifieke onderzoeksobject van de commissie verruimd wordt tot alertheid over dit thema bij toekomstige beslissingen. Het is duidelijk dat de Belgische overheid en het parlement in de toekomst een grotere alertheid aan de dag zullen leggen voor bepaalde disfuncties in het politioneel en juridisch apparaat en bij verdwijningen van minderjarigen.
De latente effecten van parlementaire onderzoekscommissies zijn volgens Rosenthal te vatten onder de noemers juridisering, personalisering en moralisering (Rosenthal, 1989:257-271). Het zijn gevolgen die niet per se beoogd worden, die verder reiken dan het soort effecten dat als sociaal of politiek wenselijk beschouwd wordt, en die een verklaring kunnen bieden voor schijnbaar niet te vatten ontwikkelingen of gebeurtenissen (Merton, 1968:73-138). Deze latente gevolgen hebben zich ook gemanifesteerd na de onderzoekscommissie-Dutroux. Zo bestaat de andere kant van de medaille van een onderzoekscommissie in het gevaar dat het parlement de dagelijkse controletaak doorschuift naar - meestal - ex post onderzoekscommissies. Dat met andere woorden disfuncties pas aangekaart worden wanneer ze al (te) ver zijn gevorderd. En dat onvoldoende aandacht gaat naar de andere controlevormen en hun versterking.
Ten tweede dragen parlementaire onderzoekscommissies bij tot een verdere personalisering van het politieke proces (Rosenthal, 1989:261). Niet alleen zorgen de commissies voor openlijke, directe confrontaties van parlementsleden uit verschillende partijen met bewindslieden, ze zorgen er ook voor dat andere positiebekleders uit de anonimiteit worden gehaald: ambtenaren, professoren, politiemannen, … . Personalisering wordt verder ook bevorderd door de moreel-juridische manier waarop zo’n commissie te werk gaat. We toonden het eerder al aan bij een vergelijking tussen proces en commissie: het parlementair onderzoek speelt zich in de parlementaire rechtszaal af en er wordt gebruik gemaakt van gerechtelijke riten. Moreel-juridische termen spelen een hoofdrol in de diverse parlementaire enquêtes. Dit zorgt ervoor dat parlementsleden een zekere moraliserende rol innemen; ze maken in naam van de publieke opinie een scheiding tussen goed en kwaad. Dit alles gebeurt onder grote mediabelangstelling, wat personen nog meer voor het voetlicht brengt. Dit levert iedere onderzoekscommissie haar eigen ‘winnaars’ en ‘verliezers’ op. De enquête kan op die manier een motor of een rem zijn voor een verdere carrière. Zo is de winnaar van de Dutrouxcommissie overduidelijk Marc Verwilghen. ‘De witte ridder’ evolueerde van een onbekende backbencher tot een superpopulair politicus én werd een dik jaar na de commissie Minister van Justitie. De verliezers van de Dutrouxcommissie waren bepaalde verantwoordelijken bij politie en gerecht en voormalig Minister van Justitie Melchior Wathelet. Al werd deze ‘verliezersstatus’ niet noodzakelijk omgezet in sancties of ontslagen. Naar aloude Belgische gewoonte ging het eerder om een ‘wegpromoveren’.
Zeker na de Dutrouxcommissie zijn mandaten in een parlementair onderzoek gegeerd geworden bij ambitieuze parlementsleden. Maar kan het werk in een onderzoekscommissie zeker een duwtje naar een hogere politieke trede betekenen? Uit onderzoek blijkt dat slechts een kwart van de commissieleden naar een hogere hiërarchische positie klom na de onderzoekscommissie. Opmerkelijk was wel dat deze mobiliteit binnen de vier jaar (dus binnen één legislatuur) na hun werkzaamheden in de commissie gebeurde. De vaststelling dat deze ‘snelle carrièristen’ stuk voor stuk een uitgebreid partijnetwerk hebben uitgebouwd, toont echter aan dat de politieke partij een veel dominanter selectiekanaal is dan het parlement (Staelraeve, 2004:8-9).
Een derde latent gevolg van de parlementaire enquête dat aangehaald wordt door Rosenthal is dat zij kan leiden tot restauratieve politiek-ambtelijke maatregelen. Vooral de roep naar hernieuwde duidelijkheid en verstrakking van normen en regels leidt tot een terugvallen op stabiele, bureaucratische structuren (Rosenthal, 1989:268). Deze gerichtheid op interne aanpassingen en betere organisatie kan inderdaad een valkuil zijn voor de commissie. Zij moet er op letten dat zij in haar aanbevelingen verder gaat dan louter praktisch-organisatorische richtlijnen, maar ook ruimere politiek-ideologische vragen en richtlijnen durft te stellen.

Controletaak van toekomstige parlementen

Het recht van onderzoek is onmiskenbaar een potentieel krachtig controle-instrument van het parlement. De (manifeste en latente) gevolgen tonen aan dat dit echter ook een aantal valkuilen in zich heeft. Het recht van onderzoek mag daarom zeker niet de andere controlemiddelen van een parlement in de schaduw stellen. Immers, de wetgevende macht verliest terrein op de uitvoerende en moet daarom een flexibele instelling zijn.
De wetgevende taak van een parlement is lang niet meer primordiaal, al blijft dit constitutioneel wel zo. Een modern parlement ontwikkelt specialisatie op andere vlakken, zoals controle, agendasetting en consensusmanagement. Het is dus belangrijk dat het parlement alle controlemachten ten volle gebruikt.
Essentieel hierbij is dat een parlement beschikt over voldoende ‘wapens’ om dit te kunnen doen. Het gaat dan zowel om personeel, middelen, als materiaal. En daar wringt zeker nog het schoentje. Een beperkte bevraging bij een aantal parlementsleden over hun controletaak, in 2001, maakte duidelijk dat zij niet zozeer vinden dat er nood is aan meer controle, maar wel dat deze beter gestructureerd en kwalitatief sterker moet zijn. Onder meer een externe ondersteuning door specialisten en een strengere controle op de aanwezigheid van parlementsleden leek hen hiervoor wenselijk (Staelraeve, 2002:20-21). Kwaliteit, eerder dan kwantiteit, is dus nodig. Dat wordt al jarenlang gezegd, maar tot nu toe wordt er bitter weinig voor gedaan. Zo liggen voorstellen op tafel om een dienst wetgevingstechniek en -evaluatie op te richten in de Kamer. Deze dienst zou dan instaan voor een juridische onderbouw van verschillende voorstellen en voor de coördinatie van de bestaande wetgeving. Tot nu toe is dit echter helemaal nog niet gerealiseerd. Het zou nochtans mooi kunnen gekoppeld worden aan één van de speerpunten van Verhofstadt II, de administratieve vereenvoudiging (Blomme & Staelraeve, 2003).
Het Vlaams Parlement blijkt op het vlak van die kwaliteitsuitbouw dan toch al meer ondernemend. Daar wordt gewerkt aan de opbouw van een kenniscentrum, een studiedienst die de parlementsleden actief voorziet van informatie. Dit gebeurt naar het voorbeeld van dergelijke dienst die het Schotse parlement uitbouwde, en die de parlementsleden gevraagd en ongevraagd voorziet van informatie over belangrijke thema’s die actueel zijn of het zullen worden. De dienst bestaat uit hooggeschoolde specialisten en kan voor het parlementslid een aanvulling betekenen op de luttele individuele medewerker waarop hij of zij kan rekenen (De Standaard, 17 augustus 2004).
Het is inderdaad pas door dergelijke specialisatie en ondersteuning dat het parlement ten volle alle controlerende machten zal kunnen gebruiken. Wanneer straks dus het nieuwe parlementaire jaar begint, en het Vlaamse Parlement het startschot geeft voor een nieuwe legislatuur, kan het interessant zijn deze gevolgen van parlementair onderzoek en controle in het achterhoofd te houden. Enkel door constante verbetering van efficiëntie en door specialisatie zullen het parlement en de politici die het bevolken ten volle hun rol kunnen spelen.

Sofie Staelraeve
Assistente - Universiteit Gent - Vakgroep Politieke Wetenschappen

Referenties
- Blomme, W., Staelraeve, S., ‘Toekomst parlement ligt niet in wetgeving’ In: De Financieel-Economische Tijd, 16 oktober 2003.
- Cartuyvels, Y., e.a., L’affaire Dutroux. La Belgique malade de son système. Brussel, Editions complexe, 1997, 285 p.
- De Coninck, D., De Graaf, A., ‘De commissie-Verwilghen revisited’ In: De Morgen, 2 april 2004.
- Devos, C., Boucké, T., Staelraeve, S., Verstraete, T., ‘De schizofrene jaren negentig. Over (schijn)bewegingen in de Belgische politiek’. In: Devos, C., Gaus, H., (red.), Schijn of scharnier: politieke trendbreuken in de jaren negentig. Gent, Academia Press, 2004, 477 p.
- Dewachter, W., Thomas, I., Depauw, S., Afscheid van het laatste dubbelparlement. Leuven, Acco, 1997, 256 p.
- Hooghe, M., Het witte ongenoegen. Hoop en illusie van een uniek experiment. Groot-Bijgaarden, Globe, 1997, 160 p.
- Landuyt, R., De ‘t Serclaes, N., Verslag van het parlementair onderzoek naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak Dutroux-Nihoul en consoorten. Brussel, Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 14 april 1997, 713/6-96/97.
- Landuyt, R., De ‘t Serclaes, N., Aanvullend verslag van het parlementair onderzoek naar de wijze waarop het onderzoek door politie en gerecht werd gevoerd in de zaak Dutroux-Nihoul en consoorten. Brussel, Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 16 februari 1998, 713/8-96/97.
- Loewenberg, G., Patterson, S., Comparing legislatures. Lanham, University Press of America, 1979, 344 p.
- Meersschaut, F., Van Der Hulst, M., Van Der Jeught, S., Parlementair onderzoeksrecht. Theorie en praktijk. Gent, Mys en Breesch, 1998, 210 p.
- Merton, R.K., Social theory and social structure. New York, Free Press, 1968, 702 p.
- Ponsaers, P., De Kimpe, S., Consensusmania. Over de achtergronden van de politiehervorming. Leuven, Acco, 2001, 283 p.
- Rosenthal, U., ‘Van begin tot einde: parlementaire enquêtes en hun latente gevolgen’. In: Acta Politica, 24, 1989, 3, pp. 257-271.
- Staelraeve S., ‘Career paths of members of a committee of inquiry’. Onuitgegeven paper voor de Sixth Workshop of Parliamentary Scholars and Parliamentarians. Wroxton, Oxfordshire, july 2004, 12 p.
- Staelraeve, S., Parlementaire onderzoekscommissies: zin en onzin. Gent, Academia Press, 2003, 101 p.
- Staelraeve, S., ‘Socialisation of members of parliament in a committee of inquiry. Case study: Belgian members of parliament’ Onuitgegeven paper voor de Joint Sessions of the European Consortium for Political Research. Turin, march 2002, 32 p.
- Stouthuysen, P., ‘De nieuwe burger en de crisis van de oude politiek’ In: Eliaerts, C., (red.), Kritische reflecties omtrent de zaak Dutroux. Brussel, VUBPress, 1997, 126 p.
- Tegenbos, Guy, ‘Vlaams Parlement droomt van Spice-girls & -boys’ In: De Standaard, 17 augustus 2004.
- Uyttendaele, M., Précis de droit constitutionnel Belge: regards sur un système institutionnel paradoxal. Bruxelles, Bruylant, 2001, 986 p.
- Winckelmans, W., De commissie-Dutroux. Het rapport (met commentaar). Leuven, Van Halewyck, 1997, 335 p.

justitie - zaak Dutroux - parlementaire onderzoekscommissie

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 7 (september), pagina 22 tot 30