Abonneer Log in

10 suggesties bij de start van het eindeloopbaandebat

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 1 tot 2

Het eindeloopbaandebat is er een van het gevoelige soort. Ouder worden is een risico dat we allemaal lopen. Raken aan rechten op (vervroegd) pensioen is dan ook explosief. De massale acties in vele van de Europese lidstaten tegen hervormingen van het prepensioen of pensioen tonen dit aan. Voor socialisten is dit een uitermate belangrijk dossier want die worden afgerekend op sociale zekerheid en werk.
Het voor het najaar aangekondigd debat rond vergrijzing en eindeloopbaan wordt volop voorbereid. Politici en sociale partners zijn daarbij aan zet. We geven daarom graag een aantal tips mee.

De toestand is ernstig maar verre van hopeloos. De vergrijzing is een maatschappelijk probleem van formaat, maar dramatiseren is uit den boze. Het is immers een probleem dat zich geleidelijk stelt en waarop we ons dus kunnen voorbereiden. Er zijn overigens al heel wat voorbereidingen getroffen. Alleen al binnen de pensioenen zijn tal van maatregelen genomen, denken we maar aan het zilverfonds om de wettelijke pensioenen veilig te stellen, de uitbouw van aanvullende pensioenrechten, of het optrekken van het vereiste aantal gewerkte jaren tot 45 om als vrouw volledige pensioenrechten te genieten.
Herleid het vergrijzingsdebat niet tot de eindeloopbaanproblematiek. Zorgen dat de sociale uitgaven betaalbaar blijven vergt vooruitziende maatregelen in de pensioensector, de gezondheidszorgen en de niet-medische zorgen, maar vraagt bovenal om een minder arbeidsafhankelijke financiering van de sociale zekerheid. Zoals een algemene sociale bijdrage, waarbij alle inkomens bijdragen tot de sociale zekerheid. En om het arbeidsaanbod op peil te houden moet de werkzaamheidsgraad inderdaad omhoog, maar niet uitsluitend die van ouderen.
Mobiliseer de beschikbare arbeidsreserves. Wanneer de beroepsbevolking veroudert en ontgroent, is het niet meer dan logisch dat de arbeidslast in sterkere mate op de schouders van oudere werknemers komt te liggen. Maar of iedereen daarom voortaan onder zachte dwang langer zal moeten werken is maar de vraag. Vooreerst is er een gestage en min of meer spontane aangroei van de werkzaamheidsgraad van oudere werknemers, dankzij de toename van de vrouwelijke arbeidsparticipatie. Er is ook heel wat talent dat tot op vandaag onderbenut blijft. De (her)inschakeling van werkloze jongeren, laaggeschoolden, allochtonen, arbeidsgehandicapten zal alvast de druk op de ouderen verzachten. En als dit nog niet voldoende is, dan mag het aantrekken van meer vreemde arbeidskrachten geen taboe zijn.
Geef oudere werkzoekenden nieuwe kansen. Net als voor langdurig werklozen lange tijd het geval was, werden oudere werkzoekenden tot voor kort afgeschreven voor de arbeidsmarkt. Slechts moeizaam werden begeleidingsacties uitgebreid van kortdurige naar langdurige werklozen en nu ook naar oudere werkzoekenden. Dat is een positieve ontwikkeling zolang men maar voor ogen houdt dat er tot op heden zeer weinig sprake is bij vijftigplussers van een overstap van werk zoeken naar werken. Dat is ook zo bij gelijkaardige activeringsprogramma’s in de Europese landen. Van een sanctionerende aanpak kan zeker bij deze groep geen sprake zijn. Ouderen in dienst houden en snel herplaatsen bij herstructurering is in elk geval de boodschap.
Fixeer u niet op het brugpensioen. Want dit is slechts één van de vervroegde uittredekanalen. Het aandeel van het brugpensioen hierin neemt trouwens af (van 137.000 in 1992 naar 107.000 in 2003). Het is overigens niet het duurste systeem voor de gemeenschap. De recente geschiedenis toont aan dat ingrijpen in het ene stelsel leidt tot de aangroei van een ander uittredekanaal: van brugpensioen naar vrijgestelde oudere werkloze (vrijgesteld van het zoeken naar werk) en vervolgens naar arbeidsongeschiktheid. Communicerende vaten heet dat. Voor werknemers komt dit vaak neer op een wartervalsysteem: van een beter naar een minder goed statuut.
Behouden dus, dat brugpensioen. Want er zijn werknemers die niet meer ‘kunnen’ verder werken omdat ze het slachtoffer zijn geworden van een herstructurering. En er zijn werknemers die niet meer ‘willen’ verder werken omdat ze uitgeblust zijn na een lange carrière in zware beroepen of onder zware arbeidsomstandigheden.
Vermijd (nieuwe) discriminaties. Er bestaan vandaag nog heel wat ongelijkheden als het op rechten op vervroegde uittrede aankomt. Ook als men bijstuurt moet men nieuwe discriminaties vermijden. Zo houdt de keuze voor het aantal loopbaanjaren en niet de instapleeftijd -‘niet het bouwjaar telt, maar het aantal gereden kilometers’- ook risico’s op discriminatie in. Zeker de vrouwen die vaak minder arbeidsjaren hebben gepresteerd omwille van zorgarbeid, dreigen de sigaar te worden. Het gelijkstellen van inactiviteitperiodes zoals werkloosheid of loopbaanonderbreking met gewerkte dagen is daarom cruciaal. Ook voor arbeiders die vaak meer niet gewerkte periodes kennen omwille van ziekte of technische werkloosheid. Formules van verlofsparen waarbij men tijd kan opsparen (of loon kan omzetten in tijd) dreigen dit nog te versterken, zeker als dergelijke geïndividualiseerde stelsels in de plaats zouden komen van collectieve rechten op tijdskrediet.
Maak werk van een ontspannen arbeidsmarkt. Het is reeds aangetoond dat mensen langer aan het werk willen blijven als ze het tijdens hun loopbaan af en toe beroepsmatig wat kalmer aan kunnen doen door deeltijds te werken of tijdskrediet op te nemen. Ook het geleidelijk kunnen uitbollen of landen is belangrijk om volledige uitstap uit te stellen. Het behoud en waar nodig de versterking van deze regelingen op federaal en Vlaams vlak is daarom een must. Besparen op aanmoedigingspremies zoals de Vlaamse regering aankondigde, is daarom een verkeerd signaal.
Zorg voor aangepast werk en een leeftijdsbewust personeelsbeleid. Naast aangepaste arbeidsduur moet veel meer dan nu gezorgd worden voor werk aangepast aan de leeftijd: kansen om over te stappen van nacht- naar dagarbeid; mogelijkheid om als coach of mentor ervaring over te dragen naar jongere werknemers; grotere opleidingskansen zoals in landen als Zweden (30% van de 55-plussers genieten opleiding tegenover 6% in ons land).
Geef financiële prikkels tot langer werken. Uit heel wat onderzoek blijkt immers dat financiële elementen een belangrijke rol spelen als het op de timing van uittrede aankomt. Bijkomende stimuli tot langer werken voor wie het kan en wil, bieden kansen op een positieve aanpak: zoals werkhervatting met behoud van het brugpensioensupplement of zorgen dat meer mensen recht hebben op een aanvullend pensioen (dat vooral rendeert als men langer werkt).

Jean-Marie De Baene
Redactielid

edito - vergrijzing - pensioen - vakbond

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 1 tot 2