Abonneer Log in

De strijd om de tijd. Een tegendraads pleidooi voor anders werken

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 24 tot 35

De strijd om de tijd is losgebarsten.1 In de voorbije verkiezingscampagne was het thema onderhuids aanwezig. Af en toe dook het expliciet op. Nu is de Kamer aan de bespreking van het commissieverslag over ‘vergrijzing’ begonnen, staat het sociaal overleg in de startblokken en wacht het overleg rond de eindeloopbaanproblematiek. Ondertussen groeit ook het publieke debat. Moeten we meer en langer werken? Moet arbeid flexibeler om in te spelen op de concurrentiedruk uit lagelonenlanden? Gaan we winkels ’s avonds laten openblijven en zondagopening aanmoedigen? Er groeit stilaan een eenheidsdenken dat we langere werkweken nodig hebben, dat het brugpensioen onbetaalbaar en dus onhoudbaar wordt en dat onze economie enkel kan overleven met meer flexibiliteit en soepeler overuren.

We willen een aantal fundamentele kanttekeningen plaatsen bij dit discours. Tijdsdiscussies zijn immers niet theoretisch. Ze spelen zich af in gezinnen en op de werkvloer: hier moeten mensen voortdurend keuzes maken over hoe ze arbeid en gezin duurzaam combineren. Het gaat niet alleen om individuele keuzes: het beleid heeft een aanzienlijke impact op de instrumenten waarmee en voorwaarden waaronder mannen en vrouwen hun levens en loopbanen vorm geven. Het gaat dus ook om een maatschappelijke en politieke discussie over onze tijdsordening.

Het debat de voorbije maanden: een hellend vlak?

De voorbije maanden kwam de strijd om de tijd in een stroomversnelling. Zetten we de belangrijkste voorzetten, debatten en maatregelen op een rijtje.
Met hun opiniestuk begin januari 2004 begonnen Frank Vandenbroucke en Johan Vande Lanotte met de massage van de geesten: er is een noodzaak tot langer werken om het pensioenstelsel betaalbaar te houden in tijden van vergrijzing. Met langer werken bedoelen de auteurs vooral de werkzaamheidsgraad van ouderen optrekken en dus later op (brug)pensioen gaan. Meer mensen leven langer, krijgen dus langer pensioen en hebben meer en langer gezondheidszorg nodig. Het paarse adagium luidt dat we met zijn allen langer moeten werken om dat te betalen.
Tegelijk neemt de druk tot verdere flexibilisering toe. De lasten op ploegenarbeid zijn verminderd, wat ploegenarbeid voor werkgevers aantrekkelijker maakt. Deze gunstmaatregel voor de industrie betekent bovendien een onrechtstreekse stimulering van nacht- en ploegenarbeid. Wie in de bouw werkt, mag voortaan meer overuren presteren: een liberalisering van de beperking op het maximaal aantal (over)uren. Deze maatregel wil zwarte overuren witwassen, maar maakt zo van de overtreding van de beperking op overuren de regel. Het VBO was er als de kippen bij om een uitbreiding naar andere sectoren te eisen; een eis die dit najaar expliciet op tafel komt. Bovendien wil men niet alleen grotere flexibiliteit door meer en soepeler overuren, men wil ze ook liefst uitbetaald zien en niet gecompenseerd met extra vakantie.
Meer flexibiliteit is ook de kern van tijdsparen, zoals voorzien in het federale regeerakkoord. Tijdsparen is nog niet in voege. De formule zet de deur op een kier om periodiek veel meer te werken, in de hoop dat later te kunnen recupereren. Het individu is dan de eigen ondernemer die haar of zijn tijd beheert, in theorie. In de praktijk dreigt dit de deur open te zetten naar bijna eindeloze overuren op vraag van de werkgever. De lang en duur bevochten achturendag verdwijnt dan op een blauwe maandag.
Meer flexibiliteit wil men ook voor consumenten met soepeler openingstijden voor winkels, met langere koopavonden en meer zondagopening. Die voorzet op één van de superministerraden van voorjaar 2004 was een ideaal cadeau voor de grote winkelketens, maar stuitte op terecht protest van kleine zelfstandigen die hun laatste rustdag bijna in rook zagen opgaan of duurder betaald personeel in dienst moesten nemen. Voorlopig is de maatregel afgevoerd.
Tegelijk komen er ook positieve maatregelen. Vaders en moeders leven in blijde verwachting voor de aangekondigde (lichte) uitbreiding van het recht op ouderschapsverlof van drie naar vier maanden. Men zou dit in de toekomst mogen opnemen voor de kinderen 6 jaar oud worden (vandaag slechts tot vier jaar). De werkgeversreacties op deze beperkte uitbreiding waren negatief. Laat staan dat men zoals de Gezinsbond pleit voor een recht op ouderschapsverlof van één jaar per kind, op te nemen voor het kind 18 jaar wordt. Want niet alleen baby’s en peuters kunnen behoefte hebben aan de nabijheid van ouders, ook pubers.
Langer werken is ten slotte niet alleen iets voor het einde van de loopbaan. Voor de zomer riep het VBO op om de wekelijkse arbeidstijd opnieuw op te trekken tot een 40-urenweek. Het voorbeeld is Siemens in Noord-Rijn-Westfalen, waar men de werkweek van 35 uur optrok tot een 40 uur, zonder loonsverhoging. Soortgelijke debatten starten ook in Nederland, in Frankrijk en bij ons. Er waart een spook door Europa, het spook van arbeidsduurverlenging…. Langere werkweken zouden nodig zijn voor de concurrentiepositie, zeker na de uitbreiding van de Europese Unie. Het VBO wedt op twee paarden: ofwel krijgen ze gratis arbeidskracht bij door langere werkweken. Anders is het een handige tactische zet om werknemerseisen te temperen bij het sociaal overleg dit najaar. De combinatie arbeid/gezin staat niet meer op de werkgeversagenda; langer werken wel.
De verschillende maatregelen en debatten lopen meestal bewust of onbewust door elkaar. Zo vermengen zich de debatten over langer werken op loopbaanbasis (minder snel op (brug)pensioen), langer werken op weekbasis (40-urenweek) en flexibeler werken (ploegenarbeid, overuren, openingstijden, tijdsparen, …). De globale noemer is langer en flexibeler werken. Een debat ten gronde ontbreekt evenwel, over tijdsbeleid en over andere loopbanen met een evenwicht tussen economische, sociale en individuele noden. Zo ontstaat er een klimaat waarin de liberale logica sociale verworvenheden en sociale vernieuwingen onder druk zet.

9 vraagtekens bij de groeiende langer-werken-consensus

Het valt ons op hoe op enkele maanden het debat is verengd. We moeten met een groter aantal mensen langer en méér werken! Daarbij ontbreken nuances, tegenargumenten én alternatieven. In dit artikel willen we eerst vraagtekens plaatsen bij een aantal ‘vanzelfsprekendheden’. Vervolgens willen we aanzetten geven voor alternatieve beleidspistes en zo impliciete ideologische en sociale keuzes zichtbaar maken.

1. Is langer en meer werken dan de enige oplossing om de vergrijzing te betalen?
Een eerste niet-uitgesproken keuze is dat de vergrijzing, met stijgende pensioenlasten en stijgende kosten voor de ziekteverzekering, alleen betaalbaar is als meer mensen langer werken. Natuurlijk vormt de vergrijzing een belangrijke financiële uitdaging voor onze sociale zekerheid. Meer nog: het verandert geleidelijk de hele samenleving met zowel een groeiende groep actieve, sterk consumerende vijftigers en zestigers als met een stijgend aantal zorgbehoevende hoogbejaarden.
Men verzwijgt echter dat mensen alleen langer en méér moeten werken als men de financiering van de sociale zekerheid weigert te moderniseren. De vraag is niet zozeer of onze sociale zekerheid onbetaalbaar wordt. De vraag is hoeveel een goede sociale zekerheid ons waard is en hoe we deze willen financieren. Historisch is die financiering loongebonden. Maar waar in 1980 nog 74% van alle inkomens in België afkomstig was uit bezoldigde arbeid, zakte dat in 2002 tot 61%. De ‘overige inkomens’, waaronder vermogensinkomens, stegen van 26% naar 39% van het nationaal inkomen.
Om de financiering van de sociale zekerheid veilig te stellen, moeten we de financieringsbasis verbreden. Door inkomens uit (grotere) vermogens aan te spreken, dragen de sterkste schouders opnieuw een stukje sociale lasten. De algemene sociale bijdrage is daarbij één van de pistes. De vraag is ook of men alleen moet rekenen op intergenerationele solidariteit (mensen op actieve leeftijd werken langer om de vergrijzing te betalen). Moet men niet meer beroep doen op intragenerationele solidariteit en ouderen met hoge inkomens of vermogens mee(r) laten bijdragen tot de kost van de vergrijzing? Een bredere financieringsbasis kan ook door energieverspilling te belasten. Zo kunnen we arbeid vrijwaren en sparen we het milieu. Een andere en parallelle piste kan zijn dat men niet-arbeidsgebonden risico’s uit de sociale zekerheid haalt; al verschuift men daarbij de financieringsdiscussie naar de gewone begroting.
Anders gezegd: langer werken is niet het enige alternatief. Een evenwichtig debat over de vergrijzing en de toekomst van onze sociale bescherming wordt maar mogelijk als de discussie over de aanvullende en alternatieve financiering op tafel komt.

2. Langer willen, kunnen, mogen of moeten werken?
Een tweede simplificatie is het beeld van de bruggepensioneerde. ‘We’ moeten ‘de mensen’ duidelijk maken dat op 50, 55 of 60 jaar stoppen met werken niet meer kan. Eigenlijk is het een beetje asociaal, zo snel stoppen met werken. Het verschuift de last naar de anderen. Het is een onhoudbare sociale anomalie, toch? Of toch niet?
Vele werknemers kijken uit naar hun brugpensioen. Hun kinderen zijn de deur uit, het huis bij velen afbetaald en het werk weegt iedere dag zwaarder. Kiezen voor brugpensioen is voor sommigen aantrekkelijker dan niet meer meekunnen of op een zijspoor gezet worden. Anderen hebben weinig keuze: het pre-brugpensioen op 48 bij Ford Genk als voorbeeld bij uitstek. Voor vele bedrijven is het brugpensioen een aantrekkelijke manier om af te slanken. Het is niet omdat de Lissabondoelstellingen of het regeerakkoord zeggen dat de werkzaamheidsgraad bij ouderen omhoog moet, dat zulks ook gebeurt. Men is er tot vandaag niet in geslaagd om de lage werkzaamheidsgraad van oudere mannen echt op te krikken. De voorbije jaren steeg de werkzaamheidsgraad bij de ouderen enkel (licht) bij de vrouwen. Dit was vooral ten gevolge van de geleidelijke verhoging van de vrouwelijke pensioenleeftijd en van een cohorte-effect: jongere vrouwen participeren meer dan oudere (SSA, 2003: 37).
Langer werken op oudere leeftijd veronderstelt aangepaste arbeidsvoorwaarden. Vele werknemers kunnen fysiek, inzake stress of inzake kennis de toenemende werkdruk niet meer aan. Bedrijven zullen eerst landingsbanen, mentorschap, … moeten creëren alvorens mensen langer kunnen werken. Kortom, niet het onaantrekkelijk maken van brugpensioen voor oudere werknemers, maar vooral het aantrekkelijker maken van arbeidsomstandigheden is de hefboom. Werknemers willen langer blijven werken wanneer ze hun werk naar eigen inzicht kunnen inrichten, het gevoel hebben hun werk aan te kunnen, tot op zekere hoogte soeverein over hun werktijd kunnen beslissen, en geen last hebben van lawaai, geurhinder en gevaar (Elchardus, 2003: 223). Mensen die aan die beschrijving beantwoorden vormen vandaag evenwel een minderheid. Noch te vroeg moeten stoppen, noch te lang moeten blijven werken zijn wervende projecten; meer reële keuzevrijheid over (kwaliteitsvol) werken en de combinatie met andere levenssferen is dat wel.

3. Zijn er ineens voldoende jobs voor iedereen?
Langer werken op het einde van de loopbaan of meer uren per week: in beide gevallen moeten bestaande werknemers meer werken. Indien oudere werknemers langer werken, leidt dat tot een tragere uitstroom uit de arbeidsmarkt. Bij gelijke economische groei betekent dat meer werkloosheid: arbeidsplaatsen komen niet vrij voor jongere werklozen. Dit is geen lineair verband: vele oudere werknemers worden niet vervangen. Maar dat er een effect zal zijn, lijkt onmiskenbaar. Hetzelfde geldt voor langere arbeidsweken, waardoor men meer werk kan opvangen door extra (en niet-verloonde) prestaties van bestaande werknemers.
Met het huidige tekort aan jobs is het problematisch om oudere werknemers te culpabiliseren wanneer ze vervroegd uittreden. De werkloosheid stijgt: in juli 2001 waren er 180.000 niet-werkende werkzoekenden in Vlaanderen, in juli 2004 ging het om 240.000 mensen. Moeten we het eenzijdig pleidooi voor langer werken niet dringend confronteren met studies die het precieze effect op in- en uittrede op de arbeidsmarkt pogen in te schatten, en dus het effect op de werkloosheid? Bovendien biedt de piste om wie werkt, langer te laten werken geen perspectieven voor de risicogroepen op de arbeidsmarkt die nu al moeilijk aan een baan raken.

4. Versterken ongelijke pensioenleeftijden ongelijke inkomens?
De metafoor is mooi: niet het bouwjaar telt, maar het aantal gereden kilometers. Maak het concreter en iedereen knikt: aan een metser die op zijn 15 begon, moet je op zijn 55ste niet vragen om langer te werken. De universiteitsprof die pas op zijn 25ste begon, kan rustig langer aan de slag blijven. Het is inderdaad wenselijk om te kijken hoe meer maatwerk mogelijk is. Dat kan echter ook zonder dat mensen in hun leven meer uren of jaren moeten werken. Strakke collectieve grenzen staan onder druk in tijden van individualisering en flexibilisering. De variatie in de feitelijke pensioenleeftijden toont vandaag reeds een veel diverser beeld dan de officiële pensioenleeftijden.
Alleen is het hoog tijd om ook de inkomenseffecten van meer variabele en gepersonaliseerde (brug)pensioenstelsels te onderzoeken. We vrezen dat dit de dualisering versterkt binnen de groep 50- tot 70-jarigen en dat men het effect op grotere inkomensongelijkheid onderschat. De groei van de tweede pensioenpijler versterkt nu reeds de intragenerationele ongelijkheid. Als vooral hogergeschoolden langer werken omdat ze later zijn beginnen werken en omdat hun werk dat beter toelaat, dan blijven vooral hogerbetaalden langer aan de slag. Hun lagergeschoolde leeftijdsgenoten mogen of moeten ondertussen al van een veel lager (brug)pensioen rondkomen. De inkomens- en werkgelegenheidseffecten van het verhogen van de toegelaten arbeidsprestaties voor gepensioneerden zijn nog onbekend. We vrezen echter dat ook deze tot grotere inkomensongelijkheid tussen leeftijdsgenoten leiden.
Daarnaast stelt zich een genderprobleem. Bij de meeste koppels verschillen zowel het aantal kilometers als het bouwjaar tussen man en vrouw. Vrouwen verrichten minder betaalde arbeid in hun leven en bouwen zo minder pensioenrechten op. Ze zouden in de ‘kilometer’-redenering dus tot op latere leeftijd moeten blijven werken. Toch wensen net zij gemiddeld op jongere leeftijd op pensioen te gaan (zie Elchardus, 2003:150). Dat komt door andere beroepsaspiraties en rolpatronen, maar vaak ook doordat hun mannelijke partner gemiddeld ruim twee jaar ouder is (een ander ‘bouwjaar’ dus). Het is bij vele koppels niet evident dat de vrouw nog doorwerkt terwijl de man al van zijn (brug)pensioen geniet. De geleidelijke gelijkschakeling van de pensioenleeftijd van mannen en vrouwen bevordert in theorie het aantal vrouwelijke kostwinnersgezinnen op het einde van de loopbaan. Of dit in de praktijk ook zo werkt, valt nog af te wachten.

5. Zijn langere werkweken economisch verantwoord?
Een volgende vraag is of het VBO-pleidooi voor een 40-urenweek economisch zinvol is. Verschillende sectorfederaties stelden als werkgeverskoepels al dat langere werkweken geen prioriteit zijn. Ze gebruiken het debat wel als opstap naar eisen voor soepeler overuren. Langere werkweken gaan in vele jobs echter gepaard met afnemende productiviteit. Het arbeidstempo ligt er zo hoog, dat langere werkdagen en -weken de productiviteit doen dalen. Bovendien is de vraag wat bij intellectuele beroepen toeneemt: de tijd dat men op de werkplek is of de tijd dat men productief is. De afnemende productiviteit per werknemer bij langere werktijd is een eerste economisch tegenargument.

6. Concurreren op loonkost of concurreren op innovatie?
Een tweede economisch tegenargument is dat het VBO met zijn pleidooi voor herinvoering van de 40-urenweek terugvalt op verouderde concurrentie-opvattingen. Het pleidooi voor langere werkweken is tegenstrijdig met het rapport van De Backer en Sleuwaegen (2003) over onze concurrentiepositie. Dit rapport in opdracht van de Vlaamse regering schetste duidelijk de beperkingen van een concurrentiebeleid dat zich richt op de loonkost: de loonverschillen met ontwikkelingslanden zijn zo immens, dat dit een deels verloren strijd is. Wat wél een toekomstperspectief biedt, is de opbouw van competitiviteit op basis van innovatiekracht.

7. Wie heeft er nog oog voor een combinatiebeleid en gendergelijkheid?
De dooreenlopende debatten over langer werken op loopbaanbasis en per week, samen met de vraag tot soepeler overuren, drukken het combinatiebeleid weg van de maatschappelijke agenda. De verdere veralgemening van het tweeverdienerschap bij jonge gezinnen en meer alleenstaande werkende ouders zorgen voor toenemende tijdsdruk en voor combinatieproblemen tussen arbeid en gezin. Grotere flexibiliteit en toenemende verkeerscongestie vergroten die stress alleen maar.
Dat er nood is aan soepeler loopbanen blijkt onder meer uit de populariteit van deeltijds werk, tijdskrediet en ouderschapsverlof. Het aandeel deeltijds werkenden is de voorbije 25 jaar bijna verdubbeld. In 2002 waren er op 2,1 miljoen Vlaamse loontrekkenden 440.000 deeltijds werkenden: iets meer dan één op vijf. Het aantal mensen met loopbaanonderbreking en tijdskrediet stijgt jaar na jaar: van een kleine 100.000 in 2002 maakten in 2003 al 112.000 Vlamingen gebruik van tijdskrediet of loopbaanonderbreking. Het zijn vooral vrouwen (zowat 73%), maar het aandeel mannen stijgt de laatste jaren sterk (RVA, 2004: 165). Hoewel mannen meer dan vrouwen van tijdskrediet of loopbaanonderbreking gebruik maken in het kader van de eindeloopbaan, merken we in alle leeftijdscategorieën een toename. Zo waren in Vlaanderen in 2002 10% van werknemers met ouderschapsverlof mannen, in 2003 ‘al’ 14%: een stijging van 800 naar 2000 mannen (RVA, 2003 & 2004).
Heel wat werknemers wensen niet langer de hele loopbaan voltijds te werken, ook mannen niet. Vele mannen slagen er evenwel niet in deze wensen in de praktijk te brengen. Een langere werkweek of hogere arbeidseisen kunnen de zo al moeilijk te dichten kloof tussen mannen en vrouwen alleen maar vergroten. Hoe hoger de werkdruk of het aantal te presteren uren, hoe moeilijker de baan te combineren valt met de zorg voor een gezin en hoe groter de kans dat vrouwen afhaken en de taakverdeling tussen man en vrouw in het gezin schever wordt. Combinatieproblemen hebben ook harde demografische gevolgen. Ze leiden tot uitstel én afstel van het krijgen van kinderen; een niet te veronachtzamen nadeel in tijden van vergrijzing.

8. Werken we dan al niet veel (te veel)?

Wat eveneens weinig aan bod komt, is dat we al veel tijd aan de job besteden. De reële arbeidstijd is immers niet hetzelfde als de officiële arbeidstijd. De gemiddelde jaarlijkse arbeidsduur schommelt, met tegendraadse tendensen. Zo doet de stijging van deeltijdse arbeid of van tijdelijke werkloosheid de gemiddelde arbeidsduur afnemen. Ondertussen stijgt die voor mensen met een voltijds contract wel. Onderzoek van de European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions geeft aan dat net als in de meeste Europese landen in België het aantal mensen (vooral mannen) met werkweken van meer dan 45u toeneemt (EFWC, 2002: 109). Algemeen geldt dat door de toename van de arbeidsparticipatie van vrouwen de voorbije decennia de totale hoeveelheid betaalde arbeid per gezin sterk steeg.
Daarbij komt dat vele werknemers ook buiten de werkuren met hun werk bezig zijn. Langere verplaatsingstijden door files vallen buiten de werkuren, maar gaan wel ten koste van de privétijd. Mensen nemen vaker werk mee naar huis onder de vorm van zware dossiers of digitaal, via de mailbox thuis of bereikbaarheid per telefoon buiten de officiële werkuren. Ten slotte is de groeiende noodzaak aan ‘bijblijven’ en levenslang leren aan het werk gelieerde tijd. Wanneer we nu nog eens de officiële arbeidstijd zouden optrekken of het presteren van overuren zouden faciliteren, dan dreigt de reële arbeidstijd nog verder uit te lopen.
De werkzaamheidsgraad is bovendien misleidend om de arbeidsprestaties in te schatten. De Vlaamse werkzaamheidsgraad ligt met 63,5% inderdaad veel lager dan die in Nederland (74,1%). Wanneer we de werkzaamheidsgraad evenwel omzetten in Voltijdse Equivalenten, krijgen we een ander beeld: dan steekt Vlaanderen Nederland zelfs voorbij met 66,1% versus 63,5% (SSA, 2002: 58). Heel anders dan de heersende retoriek kunnen we dus ook concluderen dat men in Vlaanderen meer dan voldoende arbeidsuren presteert. Problematisch is wel dat ze te geconcentreerd zijn bij een te kleine groep mensen. De arbeidsdruk op vele jonge gezinnen in hun drukke leeftijd ligt te hoog, anderen krijgen te weinig kansen. Dat vrouwen gemiddeld minder werken dan mannen wisten we al. Daarnaast spelen het opleidingsniveau en de etnische afkomst een grote rol. Vooral laaggeschoolden en allochtonen slagen er niet in een evenredig deel van de werkgelegenheidskoek mee te pikken.

9. Zijn meer werken per week en langer werken per leven wel verzoenbaar?
De pleidooien voor de herinvoering van de 40-urenweek staan haaks op de pleidooien om oudere werknemers langer aan de slag te laten. Wie oudere werknemers langer wil laten werken, moet eerder naar landingsbanen zoeken dan naar langere werkweken in ons gejaagde productiebestel. Langere werkweken zullen de vraag naar vervroegde uittrede alleen maar doen toenemen. Is het niet hoog tijd om bedrijven effectiever aan te zetten om een minder leeftijdsdiscriminerend personeelsbeleid te voeren, in plaats van saneringen waarvoor de overheid een belangrijk deel van de rekening betaalt? De Canada Dry-regelingen, waarbij bedrijven premies geven bovenop de werkloosheidsuitkeringen van ontslagen oudere werknemers in afwachting van hun brugpensioen, zijn een typevoorbeeld van ondernemerscreativiteit bij afvloeiingen, met onrechtstreekse overheidssubsidies.
Aangezien we langer leven en de loopbaan is samengedrukt op de actieve leeftijd, is het lovenswaardig om de werkprestaties beter over de loopbaan te spreiden. Wanneer werkenden het doorheen hun loopbaan rustiger aan kunnen doen, zullen ze waarschijnlijk ook bereid zijn om langer beroepsactief te blijven. Dat bevestigt onderzoek van Elchardus, Cohen en Van Thielen (2003: 88 & 223): mensen die hun loopbaan onderbreken, blijven effectief langer aan het werk. Tijdskrediet, loopbaanonderbreking en ouderschapsverlof werken dus, letterlijk en figuurlijk. Ook stelden de onderzoekers vast dat mannen en vrouwen die deeltijds werken op het einde van de loopbaan, effectief langer aan de slag blijven. In plaats van langer werken, kiezen we daarom voor een debat over anders werken: meer keuzemogelijkheden om de arbeid aan te passen afhankelijk van de levensloop, waarbij de totale hoeveelheid gepresteerde arbeidsuren over de loopbaan niet hoeft te stijgen.

Pistes voor een progressief tijdsdebat

Het zal duidelijk zijn: we kijken ongerust naar de eenzijdige voorstellen voor langer werken. Wie vandaag opkomt voor behoud van zondagsrust, zich verzet tegen langere werkweken of durft zeggen dat brugpensioen ook een sociale verworvenheid is en vaak een noodzaak gezien het (te) hoge werktempo, wordt bijna als conservatief bestempeld. We pleiten zeker niet voor een status-quo, wel voor een debat ten gronde, met oplossingen die vertrekken vanuit de levenskwaliteit van mensen, als werknemer, maar ook als partner of als ouder. Om het debat te verleggen van langer en méér naar anders en beter werken, schetsen we enkele (grote) lijnen voor een progressieve kijk op de strijd om de tijd.

Een verbreding van de (financiering van de) sociale zekerheid is nodig

Willen we de toekomst van de sociale zekerheid vrijwaren, dan is een gezonde en solidaire financiële basis nodig. De volgende jaren zullen meer pensioenuitgaven, meer kosten van de ziekteverzekering, meer mensen met tijdskrediet en helaas ook nog de stijgende werkloosheid aan de uitgavenkant doorwegen. Daarom is naast een goed beheer een bredere financiële basis nodig. Daarom moeten we - na jaren debat en stellingenoorlog - eindelijk ook inkomens uit vermogen betrekken. Hiervoor zijn verschillende technieken mogelijk, bijvoorbeeld via een Algemene Sociale Bijdrage in de plaats van de huidige crisisbijdrage waar enkel loontrekkenden betalen. Een tweede piste is om een deel van de opbrengst van een belasting op energieverspilling of CO2-uitstoot als aanvullende financiering van de sociale zekerheid. Een derde mogelijkheid is een andere financiering van niet-arbeidsgebonden risico’s, al verschuift dit de discussie vooral naar een debat buiten de sociale zekerheid.
We moeten ook voldoende oog hebben voor nieuwe risico’s in de 21ste eeuw. Een eigentijdse sociale zekerheid betekent werk maken van de uitbouw van bescherming tegen nieuwe ‘risico’s’. Tijds- of combinatierisico’s vragen om een verdere inbedding en uitbreiding van stelsels als tijdskrediet, ouderschaps- en zorgverlof. Onze sociale zekerheid moet mensen beschermen bij het maken van ‘transities’ op de arbeidsmarkt en in de levensloop.

Nieuwe normen voor ontspannen loopbanen

Mensen meer keuzemogelijkheden geven in combinatie met voldoende sociale bescherming, dat is de kern van een debat over anders werken in plaats van langer werken. We kennen een groeiende diversiteit in levensstijlen en keuzes van mensen. Toch hebben veel mensen in de ‘drukke leeftijd’ tussen 25 en 45 te weinig keuze om minder te werken. Zo kunnen ze arbeid, gezin en sociale engagementen moeilijker combineren. Tegelijk moeten - mede daardoor - heel wat ‘oudere werknemers’, soms zelfs al 45-50-jarigen, stoppen wegens uitgeblust en opgebrand of wegens een onaangepast personeelsbeleid.
Daarom pleiten we voor een offensief voor meer in- en uitstapmogelijkheden gedurende de hele loopbaan: meer vrijheid en dus ook meer verantwoordelijkheid voor de eigen loopbaan, binnen een duidelijk kader met voldoende sociale bescherming. Dit is iets heel anders dan een flexibilisering die collectieve sociale bescherming overboord gooit. Vandaar het belang van regels die een maximale arbeidstijd vastleggen of die overuren en zondagwerk beperken. Zonder sterke regels gaat de deur open naar uitbuiting en zelfuitbuiting, of naar het opbranden van mensen op enkele jaren, gevolgd door ziekteverzekering en/of vervroegde uittrede. Kortom: we kiezen voor een pluriactieve samenleving, waarin mensen niet alleen werknemer zijn, maar ook tijd en ruimte hebben om vader, moeder, buur of vrijwilliger te zijn (zie Vanderweyden, 2002 & 2003 en Geldof, 2001 & 2002).
Vrouwen hebben vandaag al vrij soepele loopbanen en combineren betaalde arbeid achtereenvolgens of tegelijkertijd met informele activiteiten zoals zorg en huishouden. Mannen doen dat veel minder. Naast rollenpatronen in gezinnen is er ook een veel sterkere sociale druk om op de arbeidsmarkt ononderbroken voltijds (en soms meer) te presteren. Zo staat levenskwaliteit onder druk: ook bij vele mannen leeft het verlangen naar een meer ontspannen loopbaan. Rechten op loopbaanonderbreking of tijdskrediet in België of op aanpassing van de arbeidsduur zoals in Nederland (van voltijds naar deeltijds werk en omgekeerd) zijn belangrijk om ook mannelijke pioniers kans op een meer ontspannen loopbaan te geven.
De verhoging van de werkzaamheidsgraad domineert vandaag de agenda. Dit hoeft geen problematisch streefdoel te zijn, wanneer men het werk over méér mensen wil verdelen. De stijgende verwachting tot langer werken vertekent echter dit debat. Is het niet de hoogste tijd om een ‘combinatiegraad’ te lanceren, waarbij we aan de hand van meetbare criteria streven naar voldoende ‘combinatiemogelijkheden’ in een meer ontspannen loopbaan? Indicatoren zijn bijvoorbeeld de daling van de gemiddelde reële arbeidsduur, met aparte gegevens voor voltijdse en deeltijdse betrekkingen, de stijging van het aantal mensen die (vrijwillig) deeltijds werken, die de loopbaan geheel of gedeeltelijk onderbreken, ouderschapsverlof nemen, maar ook een grotere gendergelijkheid in de verdeling van deeltijds werk en tijdskredieten,... Naar analogie van de Lissabon-doelstellingen voor de werkzaamheidsgraad willen we specifieke doelstellingen voor mannen én voor mensen in de drukke leeftijd afbakenen. Bijvoorbeeld: tegen 2010 streven naar één derde mannen bij de gebruikers van het ouderschapsverlof en naar een gemiddelde wekelijkse arbeidsduur van 30 uur voor mensen op drukke leeftijd.

Bij een verdere uitbouw van de rechten op tijdskrediet blijven er enkele heikele punten. Hoewel de rechten in België sinds 2002 zijn uitgebreid, heeft nog lang niet iedereen recht op loopbaanonderbreking, de jure of de facto. Mensen die slechts een beperkte periode bij hun werkgever werken en werknemers in bepaalde sectoren kunnen er (nog) geen aanspraak op maken. Vaak zijn werknemers met leidinggevende functies uitgesloten. Zelfstandigen hebben geen recht op een loopbaanonderbreking of ouderschaps- of zorgverlof. Voor mensen met een laag gezinsinkomen, zoals vele lagergeschoolden en alleenstaande ouders, zijn de uitkeringen ontoereikend. Vaak is er ook weerstand van de werkgever.
Uit de beperkte achtergrondgegevens over loopbaanonderbrekers blijkt dat hooggeschoolden oververtegenwoordigd zijn. Indien men nog meer het principe zou hanteren dat rechten worden opgebouwd door te werken (bv. per 5 jaar beroepsarbeid recht op 1 jaar tijdskrediet), dan dreigt men dit effect te versterken, omdat hogergeschoolden het meest werken en meer stabiele loopbanen kennen. Hetzelfde geldt voor de voorwaarden van anciënniteit die er nu al in zitten (pas na 5 jaar anciënniteit op 4/5e baan; hogere premies voor voltijds of halftijds tijdskrediet vanaf 5 jaar anciënniteit). Hierbij verwerven hooggeschoolden in verhouding meer rechten op een maatschappelijk legitieme financiering van niet-arbeid dan laaggeschoolden, die bijgevolg meer aangewezen blijven op ‘oneigenlijk’ gebruik van werkloosheidsuitkeringen. Spaarprincipes en anciënniteitvoorwaarden maken transities op, in en uit de arbeidsmarkt minder aantrekkelijk. Onvoorwaardelijke rechten zijn beter toegankelijk voor mensen met een lagere of minder regelmatige arbeidsparticipatie én voor jongeren die nog weinig rechten konden opbouwen. Wanneer je de waarde van zorg, of meer vrije tijd op zich erkent, heb je trouwens ook argumenten in handen om aan te geven waarom men rechten niet uitsluitend bijeen hoeft te sparen.
In de piste van het tijdsparen zit nog een extra addertje onder het gras: de mogelijkheid om opgespaarde vrije tijd uit te betalen in plaats van deze later op te nemen. Onder die vorm wordt tijdsparen ‘geldsparen’: een systeem waarin diegenen die al veel werken en veel verdienen nog méér gaan werken en méér verdienen. Zo versterkt men de cyclus van work-and-spend (Schor, 1998) in plaats van deze te doorbreken.

Landen kan ook zacht: graag een ruimer debat over de eindeloopbaan

Er is vanzelfsprekend nood aan een debat over oudere werknemers en eindeloopbaanbeleid. Wie mensen meer keuzevrijheid en meer verantwoordelijkheid wil geven over de loopbaan, moet er om te beginnen voor zorgen dat werk werkbaar blijft voor oudere werknemers. In de zorgsector ligt het bewijs dat landingsbanen werken. Wanneer mensen meer keuze krijgen tussen voltijds werken of niet werken, zullen ze die ook benutten. Laat ons afstappen van de discussie over wel of niet op voltijds brugpensioen en meer tussenruimtes mogelijk maken in bedrijven via uitgroeibanen en dit voor werknemers en bedrijven aantrekkelijker maken.
Bij verdere uitbreiding van tijdskredieten, ouderschaps- en zorgverlof ontstaat een spanning met de pensioenopbouw. Wie op zijn of haar 25 pas begint te werken, vijf jaar tijdskrediet opneemt en op 55 al met brugpensioen wil, heeft erg onvolledige pensioenrechten opgebouwd. Daarom zijn we ervan overtuigd dat uitbreiding van tijdskredieten mensen kan aanzetten om boven de 50 langer aan de slag te blijven. Maar dan moet het personeelsbeleid deze formules aanmoedigen. Kiezen voor een ontspannen arbeidsbestel kan meer keuzevrijheid en meer verantwoordelijkheid combineren met voldoende collectieve rechten.
Soepel de loopbaan kunnen eindigen is ook nodig om andere activiteiten van vijftigplussers te vrijwaren. Oudere mannen en vrouwen presteren naast en meestal na betaalde arbeid tal van zinvolle taken als vrijwilligerswerk en zorgarbeid, waaronder bv. hulp aan zorgbehoevende hoogbejaarde (schoon)ouders. Om nog maar te zwijgen van de ondersteuning die grootouders bieden bij de carrière-uitbouw van hun kinderen door kleinkinderen op te vangen. Deze niet-arbeidstaken mogen door het nastreven van stijgende werkzaamheidsnormen niet in de marge verdwijnen. Bovendien doet de vergrijzing de nood aan informele zorg toenemen, waar langer werken het aanbod laat afnemen. De sociale integratie van jonge én oude mensen steunt op een dynamisch samenspel van verschillende levenssferen. Betaald werk mag het gezins- en gemeenschapsleven niet volledig koloniseren.

Just in time of no time to waste?

Ten slotte willen we het debat over langere loopbanen en langere werkweken opentrekken naar een debat over tijdsbeleid en economisering. Durven we zeggen dat er grenzen zijn aan de trend naar just-in-time-management? Sociale grenzen voor de vrachtwagenbestuurders als slaven van de klok, geprest tussen files, de behoefte om af en toe thuis te zijn en de lading die er al uren moest zijn? Grenzen aan verkeersonveiligheid die er mee het gevolg van zijn? En grenzen aan de milieuvervuiling? Vlaanderen is door zijn ligging een distributieregio, met tijd als belangrijke concurrentiefactor. Maar de discussie over DHL en de nachtvluchten zou ook een discussie over grenzen aan flexibiliteit en just-in-time moeten zijn, meer dan over de vraag of mensen in het Nederlands of het Frans moeten wakker liggen van nog meer nachtvluchten. Tijds- en efficiëntiewinst zijn op vele punten een maatschappelijke en economische zegen, op voorwaarde dat we geen slaven worden van een voortdurende versnelling die onze gezondheid en ons leefmilieu, onze levenskwaliteit en ons welzijn aantast. Daarom is de basis van ieder tijdsbeleid de erkenning van grenzen aan de groei en aan verdere versnelling. En dus ook de erkenning van grenzen aan langer werken.
We leven in een hyperactieve samenleving, stelt Theo Beckers (2004), of ‘in de houdgreep van de tijd’ aldus Laeyendecker en Veerman (2003). In het huidige debat lijkt de omknelling te verstrakken. De onzichtbare hand van de economie zorgt zonder tegenmacht voor een wurgende houdgreep. Daarom willen we de eenzijdige pleidooien voor langer werken confronteren met alternatieven die levenskwaliteit vanuit een ruimer perspectief centraal stellen. De strijd om de tijd is in essentie immers ook een strijd om de vraag in hoeverre economische criteria de andere levenssferen mogen binnendringen. Daarom is de strijd om de tijd één van de cruciale elementen van de sociale strijd in de 21ste eeuw.

Dirk Geldof
Doctor in de sociologie, Politieke cel Groen!
Katrijn Vanderweyden
Postdoctoraal onderzoekster FWO, Universiteit Antwerpen

cartoon: © Arnout Fierens

Noot
1/ Dit artikel is afgesloten op 24 september 2004.

Bibliografie
- Beckers, T. (2004), De hyperactieve samenleving: op zoek naar de verloren tijd. Telos, Tilburg.
- De Backer, K. & Sleuwaegen, L. (2003), Rapport over het concurrentievermogen van de Vlaamse economie. Steunpunt Ondernemerschap en innovatie/Vlerick/KULeuven.
- European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions (2002), Working time preferences in sixteen European countries, Dublin.
- European Foundation for the Improvement of Living and Working Conditions(2003), Working-time preferences and work-life balance in the EU: some policy considerations for enhancing the quality of life, Dublin.
- Elchardus, M., Cohen, J., Van Thielen, L. (2003), Gedrag en verwachtingen in verband met het einde van de loopbaan, Brussel, VUB, TOR, nr. 31.
- Geldof, D. (2001). Onthaasting. Op zoek naar tijd in een risicomaatschappij. Antwerpen/Baarn, Houtekiet/De Prom.
- Geldof, D. (2002), ‘Levenskwaliteit, pluri-activiteit en combinatiebeleid. Een kritiek op de over-actieve welvaartsstaat.’ In: Over.werk, nr. 4, pp. 33-41
- Laeyendecker, L., Veerman, M. (2003), In de houdgreep van de tijd. Onze omgang met de tijd in een consumptieve cultuur, Budel, Damon.
- Rijksdienst Voor Arbeidsvoorziening (2003), Jaarverslag 2002, Brussel.
- Rijksdienst Voor Arbeidsvoorziening (2004), Jaarverslag 2003, Brussel.
- Schor, J. (1998), ‘Beyond work and spend’, Vrijetijdstudies. New strategies for everyday life: work, free time and concumption. (Vol. Jg. 16, pp. 7-20).
- Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (2002), Jaarboek de arbeidsmarkt in Vlaanderen. Leuven: Garant.
- Stuurgroep Strategisch Arbeidsmarktonderzoek (2003), Jaarboek de arbeidsmarkt in Vlaanderen. Leuven: Garant.
- Vanderweyden, K. (2002), Is er leven zonder werk? Over minder werken en sociale integratie op de drempel van de eenentwintigste eeuw, Leuven, Acco. Doctoraalscriptie.
- Vanderweyden, K. (2003), ‘Er is meer dan werk alleen ... over arbeid, niet-arbeid en sociale integratie’, in OCMW-visies, jg. 18, 2: 41-48.

vergrijzing - sociale zekerheid - tewerkstelling

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 24 tot 35