Abonneer Log in

Lokale diensten voor de (oude) mensen: op naar de 200.000 jobs

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 23

De mythische werkgelegenheidsambitie van de paarse regering - 200.000 nieuwe jobs op het einde van de legislatuur - ontlokt bij de meeste mensen hoogstens nog wat hoongelach. Nochtans is deze doelstelling veel minder utopisch dan ze lijkt. Er liggen namelijk nog enorme mogelijkheden verscholen in de sociale economie en in de nieuwe dienstenwerkgelegenheid. Vooral de diensten aan senioren openen in dit opzicht interessante perspectieven. Of hoe de vergrijzing heel wat jobs met zich mee zal brengen...

Het begrip sociale economie is moeilijk te definiëren. Het gaat immers niet louter om de sociale economie in strikte zin of de zogenaamde sociale inschakelingseconomie (beschutte werkplaatsen, invoegbedrijven, enzovoorts) maar ook om de buurteconomie en de buurtdiensten, net zoals om het ontwikkelen van een meer solidaire economie.1 In plaats van de beknopte term sociale economie te gebruiken, is het beter om het algemene kader ‘meerwaardeneconomie’ te hanteren.2
Meerwaardeneconomie of solidaire economie is een globale visie op de economie, een maatschappelijk project en heeft tot doel de economie te verrijken. De meerwaardeneconomie streeft naar een herijking op drie samenhangende terreinen. Ten eerste moet iedereen volwaardig kunnen participeren in de samenleving en moeten in het bijzonder de kansengroepen geïntegreerd worden in de economie. Samen zijn we immers meer waard. De diversiteit in de samenleving is een krachtbron die ook in de economie tot uiting moet komen. Ten tweede moeten meer waarden in de economie worden opgenomen. De economische ontwikkeling kan slechts duurzaam zijn indien deze geïnspireerd wordt door maatschappelijke, sociale en ecologische uitdagingen. Tenslotte moeten ook de nieuwe soorten van dienstverlening die een zorgaspect inhouden naar personen toe of naar de samenleving toe, integraal deel uitmaken van de economie zodat hun meerwaarde gevaloriseerd wordt.
Samenvattend bestaat de meerwaardeneconomie uit drie pijlers: de sociale (inschakelings)economie, verantwoord ondernemerschap en de buurtdiensten.
De uitdaging ligt momenteel op het lokale vlak en de uitbouw van de buurtdiensten (of nabijheidsdiensten). Dit zijn diensten die beantwoorden aan individuele of collectieve behoeftes en die in de fysische (ruimtelijk afgebakend gebied) en/of figuurlijke (relationele dimensie) nabijheid van de gebruiker worden geleverd. Hierin worden twee groepen onderscheiden: de buurtdiensten aan personen (huishoudelijke hulp, kleine herstellingen, kinderopvang, thuishulp en begeleiding van ouderen en zieken, boodschappendiensten, enzovoorts) en de maatschappelijke buurtdiensten (buurtrenovatie, milieu, mobiliteit, veiligheid, natuurbehoud, behoud van cultuur en patrimonium, enzovoorts).3
In onze snel veranderende samenleving zullen de buurtdiensten een cruciale rol vervullen. Ze bieden een sociale meerwaarde doordat ze belangrijke individuele en collectieve behoeftes bevredigen en nieuwe vormen van werkgelegenheid creëren. De nieuwe dienstenwerkgelegenheid vormt zo een belangrijk instrument om te komen tot een maatschappij waar we de maatschappelijke participatie van alle bevolkingsgroepen in de ruimste zin beogen.4 De nieuwe diensten hebben daarbij zowel een functie op het vlak van de activering van een harde kern van werkzoekenden als op het vlak van het versterken van de sociale cohesie (een dam tegen extreemrechts). Zo’n benadering vertrekt vanuit de doelstelling dat de leefkwaliteit van een buurt moet verhoogd worden en dat de werkgelegenheidscreatie gericht moet zijn op de mensen uit diezelfde buurt. In samenspraak met buurtbewoners moeten de lokale behoeftes in kaart gebracht worden en van daaruit moeten diensten ontwikkeld worden of kunnen zwart werk en vrijwilligerswerk opgenomen worden in het economisch circuit. Dit kan vooral voor achtergestelde buurten een doeltreffende aanpak zijn om een harde kern van werkzoekenden opnieuw te activeren. Op deze manier vervullen de buurtdiensten een belangrijke functie bij het ontwikkelen van sociale netwerken op buurtniveau en bij het verstevigen van de sociale cohesie.

De eerste stappen

5

De nieuwe dienstenwerkgelegenheid is een redelijk recent fenomeen in België waartoe de eerste stappen vorige legislatuur gezet werden. Op 6 april 2000 werd een kaderovereenkomst over het lokaal werkgelegenheidsbeleid en de lokale werkwinkel afgesloten tussen de federale overheid, de Vlaamse overheid en de Vlaamse Vereniging voor Steden en Gemeenten (VVSG). Het opzet van deze overeenkomst was om de bestuurlijke krachten van de drie beleidsniveaus op het lokale niveau te bundelen. De samenwerking en de integratie moesten leiden tot een geïntegreerd dienstenaanbod waarbij alle lokale actoren die deskundig zijn, betrokken worden bij elkanders werking.
De sectorale invulling van het pact op het vlak van werkgelegenheid (ook van 6 april 2000) vulde dit aan. Hiermee engageerden de Vlaamse overheid en de lokale besturen zich om gezamenlijk te overleggen en samen te werken om de dienstverlening optimaal uit te bouwen, zo dicht mogelijk bij de burger. De twee bestuursniveaus erkennen elkaar als volwaardige partners in een gezamenlijke opdracht, namelijk het streven naar duurzame werkgelegenheid voor alle werkzoekenden. Via deze sectorale invulling worden de lokale besturen erkend als regisseur van het lokaal werkgelegenheidsbeleid en wordt de VVSG erkend als representatieve intermediaire organisatie en financieel ondersteund. Met het sectoraal pact lokale werkgelegenheid en de kaderovereenkomst werd er een eerste echte aanzet gegeven tot een gemeenschappelijk beleidskader waarbij elke overheid als een even- en volwaardige partner erkend wordt. De rol van de lokale besturen op het domein van de werkgelegenheid is daarbij sterk geëvolueerd. Vandaag de dag wordt het lokale bestuur erkend als mede-overheid van het tewerkstellingsbeleid en krijgt het een actieve regierol toebedeeld.
De lokale werkwinkels6 zijn de veruitwendigde instrumenten van deze nieuwe aanpak en hebben twee belangrijke evenwaardige en complementaire doelstellingen. Enerzijds het aanbieden van een universele en geïntegreerde basisdienstverlening als recht voor alle werkzoekenden, dicht bij de klant en onder regie van de VDAB (‘one stop job-shops’). Anderzijds de uitbouw van de lokale dienstenwerkgelegenheid onder regie van het lokaal bestuur. Dit kan binnen de particuliere bedrijven, de openbare instellingen, de social-profitsector, de sociale economie en de buurtdiensten.7
Het samenwerkingsakkoord voor de sociale economie van 4 juli 2000 tussen de federale staat, de gewesten en de Duitstalige gemeenschap legde de drie algemene prioriteiten vast: de sociale inschakelingseconomie, de buurtdiensten en de meerwaardeneconomie. Dit samenwerkingsakkoord creëerde enerzijds een inhoudelijk kader voor de sociale economie en anderzijds een wederzijds engagement om middelen te investeren en maatregelen te treffen om de sociale economie een structurele kracht bij te zetten.

Leren van de dienstencheques

Dat er enorme werkgelegenheidskansen in de nieuwe diensten zitten, bewees ondertussen het experiment van de dienstencheques. Oorspronkelijk door voormalig Minister van Werk Laurette Onkelinx ingevoerd (als alternatief voor de schildercheques van Miet Smet) maar toen nooit echt van de grond geraakt. Het doel van de maatregel is het scheppen van banen die prioritair aan laaggeschoolde werknemers worden toegewezen, het ‘witten’ van zwart werk en het leveren van diensten waarvan de kwaliteit verzekerd is.
Onder het bewind van (toen nog federaal) minister van Werk Frank Vandenbroucke kregen de dienstencheques een nieuwe impuls. De besluiten van de Werkgelegenheidsconferentie bij de start van de federale legislatuur waren dan ook zeer ambitieus op dit vlak: 25.000 nieuwe jobs in de buurt- en nabijheidsdiensten door een uitbreiding van het stelsel van de dienstencheques.8 Daartoe werd de tak ‘huishoudelijke klussen’ volledig in handen gegeven van de federale overheid. Wellicht de enige mogelijkheid om de ‘koudwatervrees’ van Brussel en Wallonië te overwinnen. De gewesten mogen zelf nog verder gaan en de dienstencheques eventueel ook gebruiken voor kinderopvang of de opvang voor zieken, gehandicapten of bejaarden. In het Vlaams Gewest werd die opening ondertussen ook effectief gemaakt.
Onlangs publiceerde de Federale Overheidsdienst (FOD) Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg een tussentijds rapport over de dienstencheques.9 In mei 2004 werden 356.327 dienstencheques gebruikt. Dat komt overeen met een tewerkstelling van 4.454 mensen die gemiddeld 80 uren per maand werkten. Het betekent ook dat het aantal gebruikte cheques sinds januari 2004 elke maand met 30% toegenomen is. Als dit tempo aanhoudt, zullen er eind dit jaar meer dan 12.500 mensen met dienstencheques tewerkgesteld zijn. De doelstelling van 25.000 jobs is dus wel degelijk een realistische doelstelling.
Allemaal ‘hamburgerjobs’ zoals sommige critici beweren? Niets van aan. Het onderzoek van de FOD geeft aan dat de meeste dienstenchequejobs minstens halftijdse betrekkingen zijn. Bovendien blijken de meeste bedrijven veel sneller contracten van onbepaalde duur af te sluiten dan ze eigelijk zouden moeten. Zo toont de enquête van de FOD bij alle erkende dienstencheque-ondernemingen van de provincies Namen en Limburg aan dat in Limburg bijna tweederde van de mensen minstens halftijds aan het werk is, in Namen is dit zelfs drievierde. Slechts een klein aantal mensen werkt in hele kleine jobs van minder dan eenderde van de normale arbeidstijd (ongeveer 1/5de van de mensen in Limburg en 1/7de in Namen). Voor een deel gaat het om mensen die pas begonnen zijn in het systeem (dat de werkgevers aanzet om kleine jobs te laten doorgroeien tot grote jobs) en voor een deel wellicht over mensen die het voldoende vinden om een beetje bij te verdienen. De FOD heeft ook de aard van de contracten onderzocht. Daaruit blijkt dat zowat de helft van de mensen een contract heeft van onbepaalde duur. Dat is een zeer opmerkelijk resultaat, want de regelgeving laat de werkgevers toe om in een aanloopperiode te werken met contracten van bepaalde duur. Die periode bedraagt drie of zes maanden, afhankelijk van het soort van werknemers.
De dienstencheques: we kunnen ondertussen dus van een enorm succes spreken. En het gaat wel degelijk om duurzame jobs met een volwaardig arbeidscontract, een inkomen in overeenstemming met het geleverde werk en een kwaliteitsvolle arbeidsinhoud.

En de PWA’s?

Maar wat dan met de Plaatselijke Werkgelegenheidsagentschappen (PWA’s) die opgezet werden om klusjes te leveren en langdurig werklozen aan een bijverdienste te helpen? Op de Werkgelegenheidsconferentie werd overeengekomen dat de PWA’s zoveel als mogelijk zullen evolueren naar dienstenbedrijven in het kader van het systeem van de dienstencheques. De consternatie hieromtrent binnen het werkveld was groot.
In realiteit zullen de PWA’s echter niet verdwijnen maar worden nieuwe werkzoekenden binnen het PWA-systeem die geholpen kunnen worden met jobs in de huishoudelijke sfeer voortaan georiënteerd naar contracten via dienstencheques. Dat wil dus zeggen dat de PWA’s voor een deel een bijkomende opdracht hebben gekregen. De PWA-regeling blijft hoe dan ook bestaan voor activiteiten buiten de huishoudelijke sfeer, zoals werk in de tuin, hulp bij administratieve formaliteiten, opvang van bejaarden en gehandicapten, hulp in openbare bibliotheken, enz. Het voordeel van het systeem van de dienstencheques t.o.v. het PWA-stelsel is dat de werknemers voortaan een volwaardig werknemersstatuut krijgen. Bedoeling is dat de PWA’ers zoveel mogelijk doorstromen naar het nieuwe stelsel. PWA’ers die meer dan 30 uur in de maand (gedurende 6 maanden) voor een PWA werken zijn, sinds 1 oktober niet langer vrijgesteld van de verplichting om naar werk te zoeken. Anders gezegd: ze zijn opnieuw als werkzoekende ingeschreven. Ondertussen maakten de federale en Vlaamse ministers van Werk, Freya Van den Bossche en Frank Vandenbroucke, reeds duidelijk dat het hun vaste wil is om de betrokken PWA’ers deskundig op te vangen en te begeleiden.10

De vergrijzing: jobs in overaanbod?!

Het experiment van de dienstencheques toont aan dat er enorme mogelijkheden zitten in het terrein van de lokale diensten. Ongeacht de economische conjunctuur is het mogelijk om zeer veel jobs te creëren in het domein van de persoonlijke dienstverlening. Het volstaat om een gepast evenwicht te zoeken tussen enerzijds overheidssubsidiëring en anderzijds het aanboren van de koopkrachtige vraag bij de groep die behoefte heeft aan extra diensten. Het is daarbij in hoofdzaak een kwestie van politieke handigheid om de aanwezige puzzelstukjes in elkaar te passen om op relatief korte tijd honderden jobs te creëren waarin voor heel wat laaggeschoolden een toekomst ligt.
Toch kent België nog een grote achterstand op het vlak van de dienstverlening aan personen. Een spijtige zaak: in Europese lidstaten waar de werkgelegenheidsgraad reeds de Europese doelstelling van 70% overschrijdt is het immers de ontwikkeling van de dienstensector die grotendeels voor de broodnodige banen gezorgd heeft. De Europese richtsnoeren voor de Werkgelegenheid spraken over ‘het creëren van werkgelegenheid op lokaal niveau en in de sociale economie, in het bijzonder in de nieuwe activiteiten die samenhangen met behoeften waarin de markt nog niet voorziet.’
De Scandinavische landen vormen een goed voorbeeld van verregaande subsidiëring van de dienstverlenende sector. In de plaats van huishoudelijke taken kwamen er op grote schaal sociale voorzieningen. De nieuwe arbeidsplaatsen die in de dienstensector ontstonden, kennen een status (in termen van bezoldiging en sociale rechten) die vergelijkbaar is met die van andere arbeidsplaatsen. Nagenoeg de volledige jobaangroei sedert het begin van de jaren 1960 is er terug te vinden in diensten aangeboden door de lokale overheden. Zo bijvoorbeeld in Zweden waar op grote schaal sociale voorzieningen in de plaats werden gesteld van privaat voorziene huishoudelijke diensten. In 1997 was de tewerkstelling in de publieke kinderopvang er bijna half zo groot als de tewerkstelling in de hele onderwijssector.11
Op welke manier kunnen we in Vlaanderen onze achterstand snel en efficiënt inhalen en daarmee de 200.000 jobs mee helpen realiseren? Een zeer interessante piste werd naar voor gebracht door Hans Bonte, de voorzitter van de Parlementaire Commissie Vergrijzing.12 De vergrijzing opent volgens Bonte namelijk perspectieven omdat er een reële behoefte is en een koopkrachtige vraag bij zorgbehoevende senioren. We kunnen in dit verband volgens hem toepasselijk spreken van ‘zilverjobs voor onze zilvervloot.’13
Waar het om gaat is dat elke Vlaamse gemeente momenteel kampt met lange wachtlijsten op het vlak van de thuiszorg bij zieken en senioren. Door de vergrijzing van de bevolking botst men ook op andere grenzen: de gereglementeerde thuiszorg is te eng gedefinieerd. De behoefte aan oppas, gezelschap, klusjes, boodschappen, begeleiding, e.a. bij een belangrijk deel van onze senioren komt vandaag niet in aanmerking voor de thuiszorgdiensten. Onze samenleving wordt daarbij meer en meer geconfronteerd met afbrokkelende mantelzorg, kleinschaligere familieverbanden en oprukkende eenzaamheid terwijl we weten dat het aantal zorgbehoevende senioren binnen de komende 15 jaar zal verdubbelen. De verhouding tussen de periode van economische afhankelijkheid en economische zelfstandigheid wordt problematisch. Nu zijn 138 mensen afhankelijk van 100 werkenden. Zelfs met een werkzaamheidsgraad van 70% (de Europese norm tegen 2010) zal de verhouding stijgen tot ongeveer 1,5 in 2050. Van 100 jobs zullen dus 250 mensen moeten leven.14
Het is een vaststaand feit dat de behoefte aan seniorenzorg spectaculair zal toenemen. Onze welvaartsstaat heeft enerzijds gezorgd voor een stijging van de gemiddelde levensduur en levenskwaliteit, maar heeft anderzijds een hectische economie met zich meegebracht waarin het modale tweeverdienersgezin nauwelijks de energie op overschot heeft om moeder of vader thuis op te vangen.
De fundamentele keuze die we volgens Hans Bonte daarbij moeten maken is of we in bejaardenhuizen investeren dan wel het accent leggen op de professionalisering van de mantelzorg. Vooral in het belang van de bejaarde lijkt het hem aangewezen om in te zetten op de tweede piste. Senioren willen liefst zo lang mogelijk en in de beste omstandigheden in de eigen vertrouwde omgeving vertoeven. Dit blijkt ook veruit de goedkoopste oplossing. Daar komt bij dat voor heel wat senioren het rusthuis of de serviceflat stilaan een onbetaalbare optie is geworden. Door resoluut te kiezen voor de uitbouw van de seniorenzorg ontstaan enorme kansen voor nieuwe jobs. De ontwikkeling van deze nieuwe dienstenjobs kan een oplossing bieden voor de wachtlijsten en de huidige knelpunten in de bejaardenzorg.

Naar eenvoud streven...

Het zal van belang zijn om een aantal tewerkstellingmaatregelen op het gebied van de lokale diensten beter op elkaar af te stemmen. Er is vandaag nog een te grote versnippering merkbaar. De complexiteit is vaak niet te overzien en het blijft meestal zoeken naar enige afstemming. Zo bestaat er vandaag reeds een dienstenaanbod bij diverse actoren, die onder de openbare of de privésector vallen, die tot de profit- of non-profitsector behoren of die gewestelijk of lokaal georganiseerd zijn. Vooraleer allerlei nieuwe structuren te creëren, moeten we voorrang verlenen aan de bestaande.15 De huidige regelgevende kaders van de PWA’s en de dienstencheques kunnen dus best (mits aanpassingen) aangewend worden om de nieuwe dienstenjobs voor senioren te implementeren. De lokale werkwinkels moeten daarin ook een belangrijke rol spelen als draaischijf van de nieuwe diensteneconomie onder regie van de lokale besturen.
Wat we alvast nooit uit het oog mogen verliezen is de kwaliteit van de jobs. We moeten immers vooral pistes ondersteunen waarin jobs gecreëerd worden die mensen meer maatschappelijke erkenning bieden. Dit betekent dat het moet gaan om zinvol werk, werk op maat, werk dat aansluit bij de capaciteiten van de mensen, werk waarin vorming op maat wordt voorzien, werk dat effectieve kansen op inkomensverhoging biedt en voorziet in een degelijk statuut. Daarom zal veel aandacht moeten gaan naar de harmonisatie en de versoepeling van de tewerkstellingstatuten, de CAO-regelgevingen, enzovoorts.

Besluit

200.000 nieuwe jobs deze legislatuur: het lijkt onhaalbaar. Nochtans kan het wel degelijk. De uitdaging ligt namelijk op het lokale vlak in de uitbouw van de nieuwe dienstenwerkgelegenheid of de buurtdiensten.16 Dit zijn diensten die beantwoorden aan individuele of collectieve behoeftes en die in de nabijheid van de gebruiker worden geleverd. In samenspraak met buurtbewoners moeten deze lokale behoeftes in kaart gebracht worden om zo nieuwe diensten te ontwikkelen. Dit kan vooral voor achtergestelde buurten een doeltreffende aanpak zijn om een harde kern van werkzoekenden opnieuw te activeren en sociale cohesie te creëren.
Een duidelijk onontgonnen terrein van deze nieuwe diensteneconomie zijn de diensten voor senioren. Door de vergrijzing zal de nood aan nieuwe diensten voor senioren immers toenemen. Diensten aan huis, want senioren willen liefst zo lang mogelijk en in de beste omstandigheden in de eigen vertrouwde omgeving vertoeven. Door resoluut te kiezen voor de uitbouw van de seniorenzorg aan huis ontstaan nieuwe kansen voor (vooral) lager geschoolden. De lokale werkwinkel is het instrument om de nieuwe diensten bij de (oude) mensen te brengen. Naast arbeidsbemiddeling moeten de lokale werkwinkels immers instaan voor de uitbouw van de nieuwe diensteneconomie. De uitbouw van de lokale diensteneconomie moet gebeuren onder regie van het lokaal bestuur. De lokale overheden moeten daartoe alvast bijkomende financiële middelen krijgen zodat zij er in het kader van de komende gemeenteraadsverkiezingen 2006 prioritaire aandacht aan kunnen besteden.

Yves De Ridder
Stafmedewerker studiedienst sp.a

Noten
1/ De Cock, O. (2000) ‘De sociale economie: de actieve welvaartsstaat avant la lettre, passerelle tussen verleden en toekomst’, Nieuwsbrief van het Steunpunt WAV, 10(4): p. 17.
2/ Contipelli, F. e.a. (2001) VVSG - pockets lokale besturen. Lokaal Werkgelegenheidsbeleid. Brussel: Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten vzw, p. 32.
3/ Krijtlijnen voor de ontwikkeling van de nieuwe nabijheidsdiensten op lokaal niveau. Besluit van de Vlaamse regering van 30 januari 2001.
4/ Wat toch de oorspronkelijke bedoeling was van de ‘actieve welvaartsstaat’; een verguisde term die nog zelden of nooit in de mond genomen wordt. Nochtans dekt de term ‘actieve welvaartsstaat’ heel wat ladingen en is het heel wat meer dan louter een economisch begrip. Meer over deze ‘ruimere interpretatie’ van de actieve welvaartsstaat in: Vandenbroucke, F. (2000) ‘Arbeidsmarktbeleid en actieve welvaartsstaat’, Nieuwsbrief van het Steunpunt WAV,10(4): p. 13-16.
5/ Een duidelijk overzicht van de regelgeving vinden we o.a. in: Leroy, F. (2000) ‘Van werkbeurzen naar werkwinkels, de toenemende rol van de lokale overheden in het werkgelegenheidsbeleid’, Nieuwsbrief van het Steunpunt WAV, 10(3): p. 14-15; Contipelli, F. e.a. (2001) VVSG - pockets lokale besturen. Lokaal Werkgelegenheidsbeleid. Brussel: Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten vzw, p. 13-35.
6/ Meer informatie over de lokale werkwinkels in de ‘Conceptnota lokale werkwinkels’ van toenmalig Vlaams minister van Werk Renaat Landuyt (januari 2000).
7/ Krijtlijnen voor de ontwikkeling van de nieuwe nabijheidsdiensten op lokaal niveau. Besluit van de Vlaamse regering van 30 januari 2001.
8/ Besluiten van de werkgelegenheidsconferentie 2003.
9/ Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg (2004) Tewerkstelling via de dienstencheques. Tussentijdse informatie. Brussel: FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg.
10/ Persbericht van Federaal minister van Werk Freya Van den Bossche, 8 september 2004.
11/ zie: Abraham, F., e.a. (2001) Een verhoging van de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen: vergelijkende analyse met de buurlanden. Leuven - Brussel: KULeuven, Idea Consult; De Lathouwer, L. e.a. (1999) ‘De Belgische route in perspectief: markt, gezin en sociale zekerheid in de OESO-welvaartsstaten’ In: Cantillon, B. (red.) De welvaartsstaat in de kering. Kapellen: Uitgeverij Pelckmans, p. 13-58.
12/ Ruud Goossens in De Morgen van 25.06.2004 (p.5): ‘Bonte pleit voor Vlaamse seniorenminister en Zilverjobs’; Guy Tegenbos in De Standaard van 02.06.2004 (p.11): ‘Vergrijzing kan ook jobs creëren.’
13/ Meer technische details over deze ‘zilverjobs’ in: Bonte, H. (2004) ‘Zilverjobs voor de zilvervloot’, Over.Werk, 14(3): p. 43-47.
14/ Een analyse van de vergrijzing is te vinden in de conclusies van de Kamercommissie Vergrijzing: De vergrijzing van de samenleving: de uitdagingen inzake werkgelegenheid en financiering van de sociale zekerheid en de pensioenen. Vaststellingen en aanbevelingen, 15 september 2004 (Doc. Kamer 51. 1325/003). Ook het verslag 2004 van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid gaat dieper in op de vergrijzing.
15/ In dit licht is het interessant om de visie van de werknemersorganisaties erop na te lezen in een advies van de NAR (advies nr. 1318 van 18 juli 2000). Ook zij vroegen zich naar aanleiding van de invoering van de dienstencheques onder minister Onkelinx immers hardop af of er geen voorrang verleend had moeten worden aan de bestaande structuren.
16/ In het tewerkstellingsluik van het Vlaamse regeerakkoord 2004-2009 vinden we alvast het engagement terug om werk te maken van de verdere uitbouw van de ‘lokale buurtdiensteneconomie.’

tewerkstelling - vergrijzing - sociale bescherming

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 17 tot 23