Log in

'Populisme'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 49 tot 50

Populisme

Jan Blommaert, Eric Corijn, Marc Holthof en Dieter Lesage
epo, Berchem, 2004

Dit boek is het uitvloeisel van een tweedelig essay dat Jan Blommaert, Eric Corijn, Dieter Lesage en Marc Holthof ruim een jaar geleden in De Standaard publiceerden. Dit interdisciplinair werkstuk bevat een traditioneel linkse analyse van hedendaagse ontwikkelingen rond media, massa en politiek. De centrale stelling in een notendop: populisme heerst alom en dat heeft nefaste gevolgen voor ons democratisch bestel.
Volgens Eric Corijn staat populisme voor een bepaalde opvatting van politiek: de enige legitieme politiek is gelijk aan de ‘rechtstreekse uitdrukking van de wil van het volk’, los van elk ander principe. Dit geloofspunt degradeert de representatieve democratie tot een ‘plaatsvervangende democratie’, waarin parlementaire discussie en democratische besluitvorming er eigenlijk niet toe doen. ‘De niet tegengesproken evidentie is immers het basisargument van het populisme.’ In tegenstelling tot bemiddeling en het opwaarts tot stand komen van politieke stellingnames en eisenbundels, volgt populisme de ‘wij zeggen wat u denkt’-logica. Populisme komt dan tot uitdrukking in een welbepaalde stijl van communiceren. Het is een communicatiestijl die gekenmerkt wordt door rechtstreeks contact tussen politiek en de massa, wat de deur openzet voor manipulatie van bovenaf, aldus Corijn. Hij verbindt de opkomst van populisme aan de crisis van de welvaartstaat en kadert het succes van extreemrechts tegen de hedendaagse tendens in niet primair in het plaatje van de culturele spanningen. ‘Ook al hebben velen sindsdien gewezen op het symptomatisch karakter van ‘het verschijnsel’ en heerst er hier en daar een consensus over diepere oorzaken zoals werkloosheid, bestaansonzekerheid, gebrek aan culturele verdraagzaamheid of politieke ondoorzichtigheid, nooit werd een drastische aanpak van die structurele kwesties verdedigd, om de eenvoudige reden dat geen van die kwesties kan worden aangepakt zonder een drastische reductie van de sociale ongelijkheid.’ Corijn brengt een doorwrocht marxistisch verhaal en een goed geschreven historische schets van oorzaak en gevolg.

Jan Blommaert, als taalkundige, definieert populisme als een dwingend spreekregime. Samengebald komt het erop neer dat de enige legitieme spreekvorm erin bestaat om in eenvoudige taal en taboedoorbrekend te zeggen waar het op staat. Op alle vlakken is de ‘gewone man’ de maat der dingen. Bijgevolg zijn moeilijke woorden uit den boze en bestaan er twee soorten politici: diegenen die ‘luisteren naar de mensen’, en diegenen die dat niet doen, de ‘betweterigen’.

Haarfijn analyseert Blommaert de kern- en neveneigenschappen van ‘de gewone man’ en legt hij het retorisch mechanisme bloot dat zich de laatste decennia rond dit begrip heeft ontwikkeld. Tegenover de ‘gewone man’ en zijn common sense staat ‘de ongewone man’ of intellectueel, ‘en diens standpunt is vanzelfsprekend bevooroordeeld.’ Blommaerts terechte kritiek op populisme is dat de retorisch gecreëerde uniformiteit van ‘het volk’ - het volk heeft één stem, één ziel en één reeks verzuchtingen - een illusie is met nefaste gevolgen voor de democratie. Het volk bestaat in realiteit immers uit een oneindig aantal variërende subgroepen met tegengestelde belangen. ‘Omgaan met ‘de mensen’ is derhalve luisteren naar en spreken in die diversiteit met andere woorden’, zo besluit Blommaert. In media en politiek wordt benadrukt dat ‘de mensen’ tellen, maar in feite hebben ze niks te zeggen en wordt het Volkse, populaire spreekregime opgelegd door een zeer kleine elite, gebaseerd op de wetten van de media-industrie, zo luidt zijn stelling.

Marc Holthof is zo mogelijk nog scherper en cynischer in het hekelen van de mediatisering van de politiek. Doordat de media het belangrijkste forum zijn waar politiek wordt bedreven, ‘komen drie dingen in gevaar: (1) de republikeinse staatsvorm; (2) het burgerschap; en (3) de civiele verantwoordelijkheid.’ In een politiek filosofisch geïnspireerd stuk waar o.a. Montesqieu, Rousseau en Mill de revue passeren, klaagt hij verwijzend naar de ‘wil van de kijker’ de ‘dictatuur van de consensus’ en de ‘slaafse onderwerping’ aan. Volgens Holthof is ‘het populisme niets anders dan de veruiterlijking van kleinburgerlijke domheid’, toch wat mager en kort door de bocht als enige verwijzing naar de titel van het boek. Domheid is een intellectuele constructie, een zorgvuldig door spin doctors gecreëerd masker van vooraanstaande politici als Bush en Berlusconi of Stevaert, dat hen van de verantwoordelijkheid ontslaat iets te ondernemen inzake ecologie of ongelijkheid in de wereld.

Filosoof Dieter Lesage omschrijft populisme als ‘een valstrik die inherent is aan de organisatie van de liberale democratie.’ Populisme wordt ietwat kunstmatig gekoppeld aan dit werkstuk om een verdienstelijke vergelijking tussen het omstreden Empire van Negri & Hardt en de wereldsysteemtheorie van Immanuel Wallerstein onder de titel van dit boek te kunnen publiceren. Lesage besluit dat populisme een vorm van consensus bewerkstelligt die ‘de hegemonie van de dominante klassen’ versterkt, en roept op tot transnationaal verzet tegen de ongebreidelde liberalisering van de wereldeconomie.

Vanuit conceptueel en politiek wetenschappelijk oogpunt betreft één van de voornaamste kritieken op dit boek de titel. De auteurs zijn het erover eens dat populisme een gevaar vormt voor de democratie, maar geven het begrip elk een andere invulling waardoor het aan betekenis verliest. In het geval van Blommaert en Corijn wordt dit nog danig uitgewerkt, maar Holthof en Lesage lijken toch wat moeite te hebben gehad om hun verhaal aan de titel op te hangen, wat het geheel enigszins gekunsteld samenbrengt. De titel van het boek lijkt me dan ook fout gekozen, en maakt misschien pijnlijk duidelijk dat ook de auteurs niet ontsnappen aan de zo verafschuwde commerciële logica: populisme is hot (en verkoopt?). Principiële linkse intellectuelen maken met de titel een opportunistische keuze, waarschijnlijk omdat ze het maximaliseren van het draagvlak van hun mening en argumenten belangrijker vinden dan conceptuele duidelijkheid en zuiverheid.

Een tweede bedenking raakt aan de oproep tot verzet tegen de geschetste ontwikkelingen die de auteurs lanceren. Snoeiharde sneren aan het adres van media en politiek zouden te pikken zijn mocht men evenveel moeite en zorg besteden aan het uitwerken van concrete alternatieven, maar dat is onvoldoende het geval. Een oproep om niet blind te consumeren en meer aandacht te besteden aan kwaliteitsvraagstukken en deontologie, is vooralsnog behoorlijk abstract advies.

Voorts is er in dit boek sprake van selectieve nuance. Hoewel men in een essay per definitie een stelling dient te beargumenteren, hoeft dit niet eenzijdig te gebeuren. Ideologische kritiek spuien vanaf de zijlijn is één ding, rekening houden met het feit dat partijen in de eerste plaats electoraal moeten overleven als ze hun programma ook willen verwezenlijken een ander.
Tot slot is dit boek bovenal een boek van de gemiste kans. Door de cynische en klagende toon gaat de geïnteresseerde lezer mogelijk voorbij aan de relevante en soms briljante analyses die dit boek rijk is. Het lijkt bij momenten haast een therapeutisch afschrijven van frustraties, terwijl het aanwezige intellect zich evengoed zou kunnen focussen op het voorstellen van een wervend project. Interne kritiek is nodig, maar op deze manier misschien een gemiste kans om de Stevaerts en Desmets van onze regio ook daadwerkelijk aan te zetten tot reflectie.

Samenleving & Politiek, Jaargang 11, 2004, nr. 8 (oktober), pagina 49 tot 50